Zaterdag 21/05/2022

AchtergrondWonen

Stad versus rand: waarom is het zo lastig een plek te verlaten die volgens vele studies ongezond is en eenzaam maakt?

null Beeld Elise Vandeplancke
Beeld Elise Vandeplancke

Nu de huizenmarkt in de stad oververhit is, zoeken meer mensen verkoeling in de rand. Ook Katrin Swartenbroux overweegt zo’n verhuis - met frisse tegenzin. Waarom is het zo lastig een plek te verlaten die volgens vele studies ongezond is en eenzaam maakt?

Katrin Swartenbroux

Soms weten we niet wat we willen tot we het niet krijgen. De stad was altijd een evidentie voor mij, ik had er immers dertig jaar gewoond, maar toen ik een stukje ervan wilde bezitten, glipte ze uit mijn vingers. Natuurlijk had ik al gehoord van de overhitte huizenmarkt en de starters die er maar niet in slaagden van de grond te komen ­­­­­– ik werk voor de krant en zo – maar met de arrogantie van een middenklasser die zich nooit ergens zorgen om had moeten maken, dacht ik dat het mij niet zou overkomen.

Lieve lezer, het overkwam me wel.

Als honden die vechten om een been met slechte isolatie en bedenkelijke boilers, spendeerde ik de afgelopen drie jaar ettelijke zaterdagvoormiddagen loensend naar leeftijdsgenoten die ook probeerden uit te maken of er in de badkamer sprake was van experimenteel bezetsel dan wel van agressieve schimmel. “Ik verdien dit méér”, probeerde ik hen te seinen terwijl ik bereid was aan die donkere vlek te likken om dat te bewijzen. “Ik ben hier dus wel geboren.”

Alas. Het was mijn lief die het als eerste suggereerde. Dat we onze blik misschien toch wat moesten verruimen. Buiten de Singel. Buiten de Ring zelfs. En dus voegde ik aan mijn zoekopdracht postcodes toe van randgemeentes die ik tot op dat moment alleen kende van eindhaltes van de tram en die keer dat ik een colonoscopie moest laten doen in een universitair ziekenhuis. Dit voelde even achterwaarts. Hoe meer ik mijn radius uitbreidde, hoe kleiner mijn wereld leek te worden.

Voor alle duidelijkheid: ik kan wel een woning in de stad betalen, ik kan gewoon de woning die ik wil niet betalen. Zo eentje met een extra slaapkamer slash bureauruimte en veel natuurlijk licht. Een stadskoer waar we barbecues kunnen houden in de zomer, een keuken waar we vrienden kunnen entertainen in de winter, een gietvloertje zou ook wel tof zijn en uiteraard een garage, want je verliest ettelijke levensjaren aan het zoeken naar een parkeerplek die je ook had kunnen gebruiken om de zolder om te bouwen tot muziekstudio. U weet wel. Het soort huis dat iedereen op een bepaald moment in zijn leven wil. Het soort huis dat dun bezaaid is in de stad.

En dus sta ik nu voor de keuze: het huis, of de plek waar dat huis staat. Zoals mijn grootvader zou zeggen: eieren of jong, suske.

Goed gek

Ik ben uiteraard niet de enige die de stad verlaat om wat vierkante meters in de verkaveling. In acht van de dertien centrumsteden stijgt het aantal jongeren dat naar de stadsrand en erbuiten vlucht. Tussen 2018 en 2020 moesten Antwerpen, Gent en Leuven zelfs negatieve interne migratiecijfers optekenen – dat wil zeggen dat er meer inwoners uit wegtrekken dan dat er nieuwe naar verhuizen. In Brussel zijn de cijfers nog erbarmelijker: van de 9.621 in Brussel gestationeerde Vlaamse ambtenaren zijn er 9.162 die pendelen, oftewel 95,2 procent; negen op de tien leerkrachten die werken in het Brusselse Nederlandstalige onderwijs wonen niet in Brussel. Ook van het VUB-personeel woont maar een derde in de hoofdstad.

Voor de meeste mensen is de buitenwijk zelfs een vrijwillige keuze. Ze willen zichzelf een tuin gunnen en hun kinderen een straat waar ze veilig met hun fietsjes kunnen leren rijden. Het is een logisch vervolg op de wilde jaren waar je het belangrijker vond dat je op kruipafstand van de kroeg woonde dan dat je elektriciteit geaard was, de volgende stap in de evolutie. De meest logische.

Waarom valt het mij dan zo zwaar?

Je moet immers goed gek zijn om in de stad te willen (blijven) wonen. De prijzen swingen er niet alleen de pan uit, globale studies hebben ook al keer op keer bewezen dat een grootstedelijke postcode je mentale én fysieke gezondheid onderuithaalt. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) noemt de luchtvervuiling in steden of verstedelijkte gebieden een ‘public health emergency’. Het langdurig in contact komen met, en inademen van onder andere fijnstof, stikstofdioxide en koolstof veroorzaakt hart- en vaatziekten, luchtwegaandoeningen en zelfs longkanker, stelt de WHO.

Speelstraat

Die lucht-, licht- en lawaaivervuiling van steden draagt bovendien ook niet bij aan onze mentale gezondheid. Verzameld onderzoek van de internationale denktank Centre for Urban Design and Mental Health stelt dat mensen die in grote steden wonen 40 procent meer vatbaar zijn voor depressie en een hoger risico lopen op angststoornissen en verslaving omdat hun slaap vaak verstoord wordt en hun stressniveau constant piekt.

“Het is in Vlaanderen natuurlijk niet zo evident om daar onderzoek naar te doen”, zegt professor Urban Sociology (UAntwerpen) Stijn Oosterlynck. “We hebben hier een zeer dicht netwerk van kleine en middelgrote steden die zich op korte afstand van elkaar bevinden. Ons tussengebied is veelal ook lawaaierig en dichtbevolkt waardoor de impact op je gezondheid niet per se met de stad samenhangt. In de rand kun je evengoed langs een steenweg wonen, net zoals je in de stad ook in een rustige speelstraat kunt wonen.”

Studie na studie wijst dan ook uit dat algemeen inzetten op ruimtelijke ordening, en dus het vakkundig inplannen van drukke pleinen, groen, ruimtes voor gemeenschapswonen, verkeers­regelbaarheid en architecturale stiltebuffers, de leefbaarheid van de stad en de gezondheid van haar bewoners ten goede komt. “Dat is een thema dat pas de laatste dertig jaar op de agenda staat”, zegt Oosterlynck. “In de naoorlogse periode verliet iedereen die de keuze had de stad. De woonfunctie werd decennialang verwaarloosd, ook al bleven er natuurlijk nog steeds mensen naar de stad verhuizen – vooral migranten, die voor politici electoraal niet interessant waren.

“Het is pas sinds de jaren 80, toen de middenklasse de stad opnieuw aantrekkelijk begon te vinden, dat men op de leefbaarheid ervan is gaan inzetten. Dat is geen evidente keuze. Een bouwgrond brengt nu eenmaal meer op wanneer er kantoren, winkels of zelfs woningen op geplaatst worden, dan wanneer het een park wordt.”

Afstompende stolp

Hoe onleefbaar de stad kan zijn, werd tijdens de coronacrisis nog maar eens benadrukt. Ik woonde in een tochtig hoekappartement waar ik geen lampen installeerde omdat de nachtwinkel en de voorbijrijdende trams lichtstralen in mijn woonkamer projecteerden. Het was de perfecte haven om aan te meren na een dag die zich voornamelijk buitenshuis had afgespeeld, met de koffiebar als kantoor en de Camino als keuken.

Toen de lockdown me plots tussen mijn meters­hoge ramen met enkel glas waar mijn huisbaas plexiplaten voor had gevezen dwong, voelden ze aan als een afstompende stolp. De tram die over de wissel denderde klonk oorverdovend nu hij niet gedempt werd door de Hebreeuwse gebeden van de Joodse school naast de deur. Er waren geen dronkenlappen die me wakker zongen en me eraan herinnerden dat er nog leven was buiten het donkerste van mijn gedachten, geen gestommel op de trap dat duidde dat ik altijd ergens naartoe kon.

Ik staarde godganse dagen op de witte vlag aan de vensterbank van mijn overburen, die plots veel dichterbij en verder weg leek dan voordien.

Terwijl politici met een toegeeflijke maar wereldvreemde glimlach bekendmaakten dat we weer gasten mochten ontvangen in de tuin, als ze daarvoor tenminste niet door het huis moesten, krioelden stedelingen als kakkerlakken wier boomstronk op zijn kop was gekeerd uit het houtwerk van hun voordeur om het hoogstnoodzakelijke te doen. Geld uitgeven en af en toe wat frisse lucht meepikken, niet op een bankje, maar ons verplaatsend in hetzelfde platgelopen park, met dezelfde mensen die we altijd al spraken, iedere namiddag als een les Lichamelijke Opvoeding.

“Appartementen zonder terras verkopen we nu niet”, zei een makelaar toen ik voor deze krant destijds een achtergrondverhaal over de woningmarkt schreef. Hij vertelde me hoe de voormalige bewoners dat nooit nodig hadden omdat ze de stad als verlenging van hun appartement zagen, buitenshuis als buitenruimte. Ze verzamelden op pleinen en aan het water, ze lagen in parken en barbecueden aan de Scheldebocht.

Ook voor mij was het ooit meer dan voldoende. Maar hoe meer denkstukken er verschenen over hoe de pandemie ons inzicht had gegeven in hoe we wilden wonen, hoe verwarder ik werd. De stad, mijn speeltuin, was een shoppingcenter geworden, mijn bestaan erin even afgemeten en klein als hoe ik mij het dorpse leven voorstelde. Misschien moest ik mijn handdoek in de ring, en mijn bezittingen in de Noorderkempen gooien. Een koffiebar zou ik er niet hebben, maar ik kon er wel kippen houden. Eieren, dan maar.

Hoofd uit mijn kont

Cities are going to become exciting again’, stelt Richard Florida, Amerikaans socioloog en auteur van het boek Who’s Your City? How the Creative Economy Is Making Where You Live the Most Important Decision of Your Life (2009) mij gerust.

Ik hou ervan om verloren te lopen in de mensenstroom van de stad, om met de realiteit van elke dag geconfronteerd te worden. Beeld Elise Vandeplancke
Ik hou ervan om verloren te lopen in de mensenstroom van de stad, om met de realiteit van elke dag geconfronteerd te worden.Beeld Elise Vandeplancke

“Wat je nu ziet is wat na ieder crisismoment gebeurt, of het nu terreuraanslagen, een economische crash of een pandemie is”, zegt hij. “Mensen plooien terug op zichzelf en wat ze veilig achten. Het sentiment is een tijdje ontzettend antistedelijk, maar men vindt altijd wel een weg terug, zeker jonge mensen en creatievelingen gaan zich weer kunnen laven aan de energie van steden wanneer dit alles voorbij is en we weer gaan zien wat steden eens zo heerlijk maakte om in te wonen. Een bruisend cultureel leven. Nieuwe indrukken en ontmoetingen. Een omgeving die continu in beweging is.”

By it’s nature, the metropolis provides what otherwise could be given only by traveling; namely, the strange’, schreef Jane Jacobs in The Death and Life of Great American Cities (1961). Nu mijn stad langzaamaan de maskers en maatregelen van zich afschudt, lijk ik ook te ontwaken uit een koortsdroom die me deed vergeten dat wat me irriteert, me ook zo vaak inspireert. Ik hou ervan om verloren te lopen in de slalom tussen de mensenstroom, om mijn gedachten en gepieker te verliezen in verkeersagressie, om geconfronteerd te worden met de realiteit van alledag die mijn hoofd uit mijn kont rukt.

Al wandelend door de stad bedenk ik de boeken die ik nooit zal schrijven en stel ik brieven op die ik nooit zal versturen. Ik kauw de kilometers rond de kathedraal, steeds geleid door mijn innerlijke kompasnaald die nergens naartoe wijst, maar omdat ik die doelbewuste, gehaaste tred heb die iedere stedeling automatisch adopteert, lijkt het alsof ik toch ergens heen ga. Ik kom uiteindelijk ook altijd uit waar ik wil belanden: bij mentale rust, inspiratie, een invalshoek, en soms ook bij mijn voordeur.

Het is een wandeling die niet dezelfde is als langs landweggetjes, omdat de natuur me minder menselijkheid toont dan de straat. Zoals de Amerikaanse essayiste Vivian Gornick het beschrijft in haar autobiografie The Odd Woman and the City (2015): “Nothing healed me of a sore and angry heart like a walk through the city. To see in the street the fifty different ways people struggle to remain human—the variety and inventiveness of survival techniques—was to feel the pressure relieved, the overflow draining off. I felt in my nerve endings the common refusal to go under.”

Mijnheer facteur

Honderdtwintigjaar jaar geleden onderzocht de Duitse socioloog Georg Simmel die fameuze mens die in de stad kan aarden. De zogenoemde metropolitane persoonlijkheid zou ongevoelig en asociaal zijn, als gevolg van en als beschermingsmechanisme tegen alle indrukken die hij dagelijks te verwerken kreeg. De interacties van de stedeling zijn vluchtig en vaak ook onpersoonlijk, een leven dat vast heel eenzaam moest zijn in vergelijking met dat van een dorpeling, die mijnheer facteur tot een van zijn beste vrienden kan rekenen.

Een theorie die vandaag niet langer standhoudt, zegt Oosterlynck. “De metropolitane mens is de moderne mens geworden. In verkavelingen woon je vandaag vaak even anoniem, dat komt omdat een heel groot deel van de mensen in onze samenleving rijk genoeg is om niet meer op elkaar te hoeven terugvallen.” We lenen geen heggenschaar meer van onze buren, we kopen er eentje online die de volgende dag geleverd wordt door een onderbetaalde pakjesbezorger die de doos ook in dorpen gewoon op de oprit neerlegt.

De vluchtige contacten waarover Simmel het heeft, zijn bovendien een wezenlijk onderdeel van gemeenschapsvorming. In haar boek Het kleine ontmoeten beschrijft stadsantropologe Ruth Soenen het belang van dat soort interacties, het lachen naar een baby terwijl je in de rij bij de dienst bevolking staat, verzuchten “dat het altijd wel iets is” terwijl je staat te wachten op een tram die niet komt opdagen. Volgens Soenen is de doorgedreven anonimiteit in de stad juist een voedingsbodem voor die lichte gemeenschapsvorming. Daar kan dat vluchtige contact immers vluchtig blijven, in een dorp is die kans kleiner omdat je altijd wel iemand tegen het lijf loopt die je vaag ergens van kent.

In een stad wordt in alle beschutting van de anonimiteit volop openbaar geleefd. Mensen maken schreeuwende ruzie in het midden van de straat en huilen achteraf uit in een bushokje. Ze vrijen hartstochtelijk in donkere hoekjes van donkere bars, slaan woedend op reclamepanelen en steken vuilnisbakken in brand. Ze klagen over hun maîtresse aan de toog en brullen hun complottheorieën aan de ingang van de supermarkt. In steden kun je verdwijnen, verloren lopen en gevonden worden tegelijkertijd.

“Wie in een stad woont, is onderdeel van een groot, levend, bruisend ding”, zegt ook Lize Spit vanuit haar appartement in Brussel. “Als schrijver zit je vaak in je hoofd, wat heel eenzaam kan zijn. Ik vind het daarom ook fijn om door allemaal appartementen gesandwicht te worden, om omringd te zijn door zo veel verschillende mensen die zo veel verschillende levens leiden. Het gevoel niet alleen te zijn en daar ook het bewijs voor zien en horen en ruiken, zelfs in je eigen woonkamer.

“Heel wat mensen frustreren zich daarin, ze bouwen letterlijk of figuurlijk een haag rond hun woning en hun leven en vlakken alle ergernissen weg, terwijl ik wel het mooie zie in samenleven. Om niet geërgerd in het leven te staan, maar blij te zijn dat de ander er is. In dat opzicht denk ik dat de stad wel een fijner mens van mij maakt.”

Identiteitsdingetje

Het blauwe veld dat mijn zoekradius op Immoweb aangeeft, is geen cirkel die zich gelijkmatig per kilometer uitspreidt met de Grote Markt als middelpunt. Het is een grillige vlek met scherpe punten, even chaotisch als mijn argumentatie. Er zijn immers geen rationele verklaringen waarom ik Deurne wel heb toegevoegd aan mijn zoekopdracht, en Wilrijk niet, hoewel ze beide op 3,8 kilometer van mijn favoriete bar liggen. Dat ik naar Deurne de tram kan nemen speelt een rol, want de bus schreeuwt banlieue. Dat Wilrijk overwegend wit, hoogopgeleid en voortgeplant is wellicht ook. Ik zie mezelf niet buitenkomen op een plek waar ik enkel mezelf kan tegenkomen.

“Morfologisch is het in Vlaanderen niet echt mogelijk om te differentiëren tussen de stad en de rand, want door verregaande verstedelijking is het moeilijk om te zien waar het ene eindigt en het andere begint”, zegt ook Oosterlynck. “Toch kunnen mensen voor zichzelf dat onderscheid heel duidelijk maken, een onderscheid dat zelden gebaseerd is op de aanwezigheid van bebouwing, maar vaak op sociale en subjectieve indicatoren. Wanneer we daar onderzoek naar doen, blijkt het voor velen te maken hebben met gebruik van mobiliteit en de aanwezigheid van mensen met een migratieachtergrond.”

Stijn Oosterlynck, professor Urban Sociology: ‘In verkavelingen woon je vaak even anoniem. veel mensen zijn  rijk genoeg om niet meer op elkaar te hoeven terugvallen.’

 Beeld Elise Vandeplancke
Stijn Oosterlynck, professor Urban Sociology: ‘In verkavelingen woon je vaak even anoniem. veel mensen zijn rijk genoeg om niet meer op elkaar te hoeven terugvallen.’Beeld Elise Vandeplancke

En dus is mijn afbakening vooral een identiteitsdingetje. Het is niet dat ik nu ieder weekend ‘Kumbaya’ zing met de dakloze die slaapt in het portiek van de buren of dat mijn vriendengroep een bonte verzameling van achtergronden is, maar ik blijf graag naïef in mijn idee dat mijn woonplaats me wereldser maakt. Dat ik mijn eventuele kinderen naar een school zou kunnen sturen waar ze niet alleen met Emma’s en Victors in de klas zitten. Dat ik letterlijk niet kan wegkijken van armoede en discriminatie. Dat ik het soort mens ben dat die dingen ook belangrijk vindt.

“De keuze van waar en hoe je woont hangt heel nauw samen met je wie je bent”, knikt Florida. “Keer op keer proberen onderzoekers aan te tonen dat je woonplaats er niet toe doet nu mobiliteit toeneemt en we dankzij technologie nauw met elkaar verbonden zijn, maar het zijn juist die subjectieve ideeën die ervoor zorgen dat die postcode toch van belang is. Juist daarom dat het kiezen van een woonplaats, voor zij die de luxe hebben die keuze te kunnen maken, een van de belangrijkste beslissingen is. Omdat het bevestigt hoe we onszelf zien en waar we nood aan hebben.”

Liefdesverhaal

Uiteindelijk gaat dit stuk niet over het verschil tussen steden of dorpen, over de huizenmarkt of over ruimtelijke planning. Het is een liefdesverhaal.

In 1974 gebruikte de Amerikaanse geograaf Yi-fu Tuan het woord topofilie, van het Griekse topos (plaats) en –philia (houden van) om de gevoelsmatige verbintenis tussen een persoon en een plaats uit te drukken.

Oladele Ogunseitan, microbioloog aan de Universiteit van Californië, voegde daar in 2005 aan toe dat die topofilie kan samenhangen met objectieve, subjectieve en zelfs onderbewuste criteria die ontzettend persoonlijk zijn en daarom dus ook misschien bizar kunnen lijken voor buitenstaanders. De geelwitblauwe lampen in woonkamers die grote appartementsgebouwen ‘s avonds doen oplichten als een kerstboom. Het typische gekletter en geschuur van skateboards over stoepranden. Het lege blikje cola met sigarettenpeuken dat iedere dinsdag op de vensterbank wordt achtergelaten door de poetsvrouw van de winkel onder ons. Ik grijp er ondertussen zo instinctmatig naar dat ik ervan overtuigd ben dat ik zou struikelen door gebrek aan houvast mocht het er plots niet meer staan. Het is een haat-liefdeverhouding die al zo vaak is verbeeld in populaire cultuur dat ik ervan overtuigd ben geraakt dat er geen enkele andere manier is om lief te hebben. Om Bojack Horseman te citeren: “If you look at something with rose tinted glasses, all the red flags just look like flags.”

Ik besef dat mijn liefde tweeledig is. Er is een liefde voor de stad, Antwerpen, en een liefde voor een stad, het construct.

De eerste liefde hangt samen met een voltooid verleden, met de plek waar ik ben opgegroeid, de namen van exen die op groezelige toiletdeuren gestift staan, de cadans van kasseien waarover ik blindelings navigeer, de ene stoeptegel die los ligt. Ze zit vervat in de inkt die op mijn enkel de permanente lijntekening van de boerentoren vormt, een monument dat ik vanuit het slaapkamerraam van mijn broer kon zien en dat me altijd aan hem doet denken wanneer hij uit de assen van de roltrappen van metrostation Meir ontstijgt.

De tweede liefde gaat over de onvoltooide toekomst. Over een plek die me het gevoel geeft dat alles mogelijk is. Een stad is onverbiddelijk, waardoor alles er elke dag kan veranderen. Voor sommigen is dat een dreigement, voor anderen een belofte. ‘Niets was onherroepelijk, alles lag binnen handbereik’, schreef Joan Didion over haar New York. ‘Achter elke straathoek was iets bijzonders en interessants te vinden, iets wat ik nog nooit had gezien of gedaan, of wat ik niet kende.’ Het is dat sentiment dat me nog iedere dag vervult met hoop, dat de reflectie die me in etalageruiten voorbijhaast nog niet voltooid is, mijn pad nog niet uitgestippeld.

Een paar maanden geleden voegde ik postcodes toe aan mijn Immowebzoekopdracht alsof ik met de Lotto speelde: hoe meer nummers, hoe meer mazzel, dacht ik toen. Sinds ik enkel nog zoek binnen mijn geluksgetallen zijn de mailtjes met geschikte panden gering, maar heb ik niet meer het gevoel alsof ik mezelf beperk. Ik heb dus nog steeds niet gevonden wat ik wil, maar ik weet het tenminste wel: geen eieren.

Ik ben nog niet klaar met de stad, en de stad nog niet met mij. Ik blijf, of alleszins toch in de buurt.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234