Dinsdag 19/11/2019

Stad van stof, containers en tranen

Hij heeft er even over nagedacht, maar ook niet te lang. Ex-reclamemaker Guillaume Van der Stighelen zei ja toen Radio 1 hem vroeg om met radioman Sven Pichal naar het vluchtelingenkamp Za'atari in Jordanië te trekken, vlak bij de Syrische grens. Al die tijd hield hij een dagboek bij. Wij mochten het inkijken, op voorwaarde dat we zijn vergoeding stortten op 12-12. Guillaume Van der Stighelen

Maandag 15 april

Telefoon van Radio 1. Ze zoeken een medereiziger voor Sven Pichal om naar een kamp van Syrische vluchtelingen in Jordanië te gaan. Niet helemaal zeker of het een grap is, stuur ik een berichtje naar mijn vrouw, die met de dochter in Amsterdam zit.

"Radio 1 vraagt om mee op reportage te gaan naar vluchtelingenkamp Jordanië voor 12-12."

"Wanneer?"

"Volgende week."

Even later volgt een mail van radioproducer Rit Van Caeckenberghe. Als ik ja zeg, sta ik binnen een week tussen tenten op de grens van Jordanië en Syrië. Al meer dan honderdduizend mensen zijn over de grens gevlucht, weg van de burgeroorlog.

Er is een 1212-nummer geopend voor de nood die ontstaat, maar Belgen storten niet.

"Waarom ik?", vraag ik.

"Omdat we het cynisme moeten door- breken."

Dinsdag 16 april

Paspoorten, afspraak bij de dokter voor inentingen. In mijn medisch dossier staat geen enkele inenting vermeld. Ik heb de wereld gezien vanuit hermetisch afgesloten congreshotels. Het gevaarlijkste wat ik ooit heb gedaan, is van het voorziene wandelpad afwijken om een alligator van dicht bij te fotograferen in Florida. New Delhi heb ik gezien vanop een dakterras met zwembad. Twintig verdiepingen boven de krioelende massa. Nee, ik ben geen avonturier. Ik was een reclamejongen. Ik werd gebracht en gehaald met shuttles door vriendelijke mensen die wisten waar ik moest zijn.

Woensdag 17 april

Ik googel Za'atari en val op artikels uit The Guardian waarvan ik hoop dat mijn vrouw ze niet leest voor ik terug ben. Er is een blog van de medewerker van een hulporganisatie. Die schept een beeld waarvan ik hoop dat het waarheidsgetrouw is. Ik probeer me honderdduizend mensen voor te stellen. Dat is het stadion Camp Nou afgeladen vol. Dat zijn veel mensen. Heel veel mensen.

Donderdag 25 april

Briefing in hotel Hisham in Amman. De mensen van Unicef geven tekst en uitleg bij wat hier gebeurt. Kinderen hebben geen vertrouwen meer. Scholen schrikken hen af. Scholen werden gebombardeerd. Er dreigt een generatie verloren te gaan. Een generatie zonder hoop. Ideale voedingsbodem voor toekomstige terroristische organisaties. In Za'atari alleen al 30.000 kinderen. Infrastructuur is er wel, maar er is geen geld om de scholen te runnen. Slechts 8.000 kinderen hebben toegang tot een soort school; 30.000 kinderen gaan naar scholen in Jordanië.

De sfeer verandert. De Jordaniërs waren heel gastvrij, maar het duurt nu wel erg lang en iedereen vraagt wat de rest van de wereld doet. Ook het feit dat Syriërs goede, werklustige vaklui zijn, zorgt voor spanningen. Ze vormen een bedreiging voor de jobs van Jordaniërs en dat zet hier en daar kwaad bloed.

We worden naar een schooltje in Amman gebracht. Onderweg vraag ik wie de luiers levert en de maandverbanden. En of al tegen de CEO van Procter & Gamble is gezegd dat hij 10.000 pampers per dag mag leveren (en ophalen). Goede pr, toch? De mensen van Oxfam lachen. Nooit aan gedacht.

In de school zien we klasjes aan het werk. Het lijken heel normale kinderen. Ze zingen en dreunen rijmpjes op over tandhygiëne. Er is een workshop voor volwassenen bezig: 'alternative to violence'. Ik vraag de coach wat het beste alternatief is. "Diep ademhalen", zegt hij. "Rustig ademhalen neemt al veel spanning weg. Tot tien tellen voor je iets zegt."

"Zoals mijn pa ons vroeger zei", zeg ik hem. "Tien keer uw tong ronddraaien in uw mond voor ge spreekt."

Van de school rijden we richting grens. Bij een benzinestation stoppen we om water in te slaan. Een moeder met kinderen komt geld vragen. Sven mag haar interviewen. Ze is uit het kamp weggelopen omdat ze denkt dat er buiten een beter leven is. Hier bij de pomp vangt ze genoeg klein geld om de kinderen eten te geven in het huis waar ze wonen. Dat huis, dat zijn vier betonnen muren met een doek over. Het beschermt hen tegen de vele stormen die hier woeden in de winter en de broeiende hitte in de zomer.

Er is geen andere oplossing, zegt ze. Terugkeren naar het kamp is geen optie. Het geraakt er steeds voller.

"Jammer", zegt Caroline, die perschef van Oxfam is. Ze zou beter af zijn in het kamp.

Even later rijden we het kamp binnen. Het heeft wat van Rock Werchter. Auto's langs de weg. Mensen die aan en af wandelen. Een zekere drukte, maar nu ook weer niet overdreven. Niet de taferelen die je verwacht. Gewoon, normaal. Hier is iets te doen.

Bij de poort worden we tegengehouden door politie, die de papieren wil zien. Er wordt niet moeilijk gedaan. Als je hier binnen wil, moet je het zelf maar weten.

Alles is er om me bedreigd te voelen. De tanks, de soldaten, de prikkeldraad en gewoon de nabijheid van de oorlog - een half uur geleden is er een projectiel neergekomen in een veld vlakbij - maar ik voel me niet bedreigd. Integendeel. Het heeft te maken met de uitdrukking op de gezichten van de mensen. Doorgaans vriendelijk. We rijden langs jongens die kruiwagens duwen met dozen van Unicef. Ook rolstoelen worden gebruikt om goederen te transporteren. Rechts van ons is een afgespannen terrein waar de nieuwkomers worden opgevangen. Enkele duizenden per dag. Links trekken bulldozers nieuw terrein plat, want de vluchtelingenstroom houdt niet op. De steden in Syrië lopen leeg. Het leven ligt er plat. Er is geen voedsel meer, geen elektriciteit en geen werk.

Om een idee te hebben van hoe de mensen hier verblijven, moet je je een containerterminal voorstellen aan het Deurganckdok. Uit de containers - die noemen ze hier caravans - werden een raam en een deur gezaagd, waar een stuk doek voor hangt. De containers staan in rijen opgesteld en de gangen tussenin worden straten genoemd. Boven die straten lopen de elektriciteitsleidingen. Een kleine minderheid van de gezinnen heeft het geluk een stopcontact en een lamp te hebben. Per aantal straten is er een openbaar toilet. Door gebrek aan geld - Unicef heeft een derde gekregen van wat nodig is om het kamp te runnen - zijn vele toiletten stuk en vies. Mensen graven zelf een put tussen de caravans en installeren er hun eigen toilet.

We staan intussen bij een gezin. Uit het raam hangt een jongeman die het woord voert. Hij heeft een grappig gezicht, knap met heldere ogen. Hij zegt dingen waardoor de anderen gaan lachen. De anderen, dat zijn broers, neven, vrienden en buren. Ook een oude vrouw. Jonge vrouwen zien we niet. Als we haar vragen wat de buitenwereld voor haar kan doen, komen de tranen. "Ach, meneer," zegt ze - alles wordt simultaan vertaald door onze Jordaanse tolk van Unicef -, "kunt u mijn zonen teruggeven? Kunt u zeggen of ze nog leven? Wat kunt u nog doen voor iemand die zijn naasten heeft verloren?" Ze zegt het letterlijk zo. De jongeman in het raam trekt zijn T-shirt uit en toont een bult op zijn schouder. Soldaten hebben hem geslagen en nu groeit het fout aan elkaar. "Hier is wat je kunt doen", roept hij. "Haal een fysiotherapeut, zodat ik later weer normaal kan werken."

Uit de caravan aan de overkant komen kinderen naar buiten. Ze hebben tegels beschilderd onder begeleiding van een Oxfammedewerkster. Je moet geen psychologie hebben gestudeerd om te zien dat dit tekeningen zijn van zwaar getraumatiseerde kinderen. Het grootste tekort in de Syriëcrisis zijn traumatologen. Psychologen en psychiaters om getuigen van oorlogsgeweld over hun trauma heen te helpen. De psychische schade is enorm. Het wordt ons verteld door medewerkers van de Verenigde Naties. De kinderen laten schilderen en spelen is het minste wat nu gedaan kan worden.

Eén peuter is in de caravan blijven zitten. Ze zit op een van de dunne matrassen. Als ik haar een ballon geef, knelt ze die tegen zich aan als een pop. Ze kijkt me met grote ogen aan. "Ze is verlamd", legt Caroline uit. Sven mag de vader interviewen. Myriem - zo heet meisje van drie - werd geboren met een afwijking aan de ruggengraat. Bij de operatie is iets misgegaan: er werd een zenuw geraakt en daardoor is haar onderlichaam verlamd. Myriem is het zesde van zeven kinderen. De moeder weigert te geloven dat haar kind nooit zal lopen, maar de vader weet beter. De dokters hebben het hem in Syrië gezegd. Ze zal haar leven lang in een rolstoel zitten. Maar rolstoelen voor peuters zijn er hier niet. Myriem heeft even een rolstoel gehad van Handicap International, maar die was te groot en ze viel er steeds uit. Nu zit het kind de hele dag binnen. Ik vraag aan Caroline wat zo'n stoel kost en waar die te vinden is. Ze zal het voor me uitzoeken, belooft ze.

Twee oude vrouwen komen er bij zitten en ik vraag hen of ze de kinderen liedjes aanleren en sprookjes vertellen. "Ach meneer, wat valt er te zingen als je je liefsten hebt verloren in de oorlog?" Weer tranen. Ik word een beetje boos vanbinnen en denk: 'Dom wijf, zingen en vertellen is nu net wat jullie moeten doen. Het is het énige wat jullie kunnen doen.' Denk ik, maar ik zeg het niet - tien keer tong ronddraaien - en even later ben ik al wat beschaamd over mijn eigen gedachte. Wie kan deze moeders, grootmoeders ook maar iets verwijten? Het is niet zo dat Syrië zoals ons eigen land een traditie heeft van oorlogsdrama's. Wat deze mensen nu overkomt, hebben ze nog nooit meegemaakt.

Caroline wil de hoofdstraat van het kamp laten zien. Daar is een soort markt ontstaan waar je zowat alles kunt kopen. Kraampjes in elkaar getimmerd met materiaal dat rondslingert in het kamp. Het ziet eruit als een bloeiende handel. Veel vluchtelingen hadden hun spaarcenten bij. Er wordt geruild, gehandeld. Iemand is op het kamp een kippenboerderij begonnen en die kippen hangen heerlijk te grillen. Hij heeft een bank getimmerd en een schraag, zodat klanten even kunnen zitten bij het eten van een stuk kip. Kruiwagens met goederen worden aan en af gevoerd. Goederen invoeren uit Syrië is illegaal. Maar alles wat ze in Jordanië kunnen inkopen, mag hier verkocht worden. Spiegeltjes, juwelen, toiletpapier, conserven, werktuigen, textiel, waterpijpen, koffie, thee, alle soorten meel en kruiden, het is er allemaal voor wie een beetje geld heeft. Bij een kapper zit het volk aan te schuiven op het tapijt.

Caroline legt uit dat honderdduizend mensen een stad is die zoveel mogelijk zichzelf wil besturen en organiseren. Hoe meer de Syriërs betrokken worden bij de installaties en de logistiek van het kamp, hoe meer ze het beschouwen als 'hun' kamp, hoe minder ze beschadigen.

Overal neemt Sven geluidsfragmenten op en getuigenissen waarmee hij vanavond, waarschijnlijk tot laat in de nacht, stukjes gaat maken voor de uitzendingen van vrijdag als Radio 1 de hele dag aandacht schenkt aan de actie Syrië 12-12. Voor mijn eigen stuk - het dagboek in Nieuwe feiten - heb ik nog geen ogenblik de tijd gehad. Ik besluit het dagboek gewoon ter plaatse in te spreken, zonder voorbereide tekst. Tussen tenten en containers beschrijf ik wat ik vandaag heb meegemaakt. Met de kirrende stemmetjes van kinderen op de achtergrond denk ik dat het een goed verslag geeft, anders dan de dagboeken die ik normaal inlees voor Nieuwe feiten.

Maar vlak voor het instappen - om vijf uur moeten we weg uit het kamp, want 's avonds kan het grimmig worden - merkt Sven dat mijn opname niet geregistreerd werd. Ik kan herbeginnen. Dan toch maar een stuk en inlezen. Want zonder de geluiden van het kamp op de achtergrond klinkt het raar. In mijn kamer in Amman neem ik het dagboek op.

Ik heb heel even de tijd om het dagboek te schrijven dat vanavond in Nieuwe feiten wordt uitgezonden.

Radiocolumn 25 april

Ik ben in Jordanië, vlak bij de grens met Syrië, op verzoek van Radio 1 om u te vertellen hoe het gaat met de massa's oorlogsvluchtelingen.

Vanmorgen werd ik rondgeleid in een schooltje door een directrice die alle goedheid en bezorgdheid van alle moeders in de wereld in haar ogen droeg. Ze toonde me hoe ze probeert Syrische kinderen een normaal leven te geven. Het is even slikken als je ziet hoe tussen al dat oorlogsgeweld door kindjes taalles krijgen en hygiëne. In het Arabisch leren ze versjes over hoe ze hun tanden moeten poetsen. En ze doen dat met groot enthousiasme. Het is moeilijk te geloven dat deze kinderen oog in oog hebben gestaan met schietende soldaten. Ze zien er heel normaal uit.

"Dat is wat we proberen te doen", zegt de directrice. Ze neemt me mee naar een lokaaltje waar een pingpongtafel staat. Daar zitten jongens die zes maanden geleden binnenkwamen als boeven. Onbehandelbare, getraumatiseerde knapen waren ze. Moeilijk en agressief. Nu, dankzij de sportklassen die ze krijgen, zijn het guitige jongens, die vrolijk dag zeggen en graag demonstreren wat ze met een pingpongballetje allemaal kunnen.

Nu sta ik in het stof van kamp Za'atari. Waar meer dan honderdduizend vluchtelingen worden opgevangen. Vluchtelingen - denk daarbij niet aan armoezaaiers en bedelaars. Dit zijn trotse mensen. Gezinnen. Papa's en mama's die een plek zoeken waar hun opgroeiende kroost veilig is voor de projectielen die ongecontroleerd door de lucht vliegen in hun dorp. De eerste vraag die bij me opkomt, is: tienduizend babyluiers per dag, waar gaan die mensen dat halen?

Vrijdag 26 april

Een jong paar dat elkaar ontmoet heeft in het kamp huwt in een caravan die is omgetoverd tot feestzaal annex liefdesnest. Caroline, die vertrouwd wordt en vrouw is, mag de foto's maken voor het huwelijksalbum.

Sven zoekt een plek om de satellietantenne uit te vouwen die hij in zijn koffer heeft meegesmokkeld. De persmensen van de hulporganisaties kijken bewonderend toe. Hoe heeft hij dát voorbij de douane gekregen?

Om negen uur zouden we live in Hautekiet moeten zitten, maar dat mislukt al gedeeltelijk. De mobilofoon dan maar. Volgende uitzending is Joos om twaalf uur, we kunnen het kamp dus verder verkennen. We worden meegenomen door Iris Blom van de Verenigde Naties. Zij toont ons de plaats waar de vluchtelingen aankomen. Ze krijgen water, thee en koffie, en brood. De mensen zijn ontzettend moe als ze arriveren. Aan de grens worden ze opgevangen door het Jordaanse leger, dat hen in bussen hiernaartoe brengt. Sommigen onder hen hebben dagen gereisd en zijn uitgeput.

In een aparte tent worden mensen opgevangen die met een buitenlander zijn gehuwd. Er wordt dan onderzocht of ze naar dat andere land kunnen doorreizen.

Terug in het hotel neem ik mijn dagboek op voor de radio. Het lukt meteen van de tweede keer. Sven heeft nieuwe batterijen gevonden die tien minuten meegaan in plaats van twee.

Radiocolumn 26 april

Een oude vrouw heeft vrijwillig haar caravan afgestaan in kamp Za'atari, een vluchtelingenkamp bij de grens met Syrië in Jordanië. Met caravan wordt hier een container bedoeld waaruit een raam en een deur werd gezaagd. De vrouw trekt voorlopig in bij de buren, want in haar caravan staat een belangrijke gebeurtenis op stapel.

Haar kleinzoon Achmad heeft een tijd geleden in het kamp namelijk zijn oog laten vallen op de mooie Nariman, een Syrische schone van negentien. Achmad was onmiddellijk tot over de oren verliefd en onlangs vroeg hij haar ten huwelijk. Wat een groot probleem met zich brengt, want in het kamp zijn geen bedden voorzien, alleen matrassen, en een Syrisch huwelijk zonder bed, dat gaat niet. Dus hebben vrienden, neven en broers van Achmad een prachtig ledikant in elkaar getimmerd van afvalmateriaal dat ze in het kamp verzameld hebben. Stukken hout. Panelen van een versleten watertank. Nagels en pinnen. En een stuk afrastering als vering. Alles wordt netjes afgemaakt met mooi gekleurde stoffen, en boven dat wat het liefdesnest moet worden, hangt een laken met daarop een hart geschilderd, met in het Arabisch de woorden "Ik hou van jou".

Het is begrijpelijk en bovendien netjes dat oma een paar nachtjes elders gaat slapen.

Het feest dat volgt is zilveren randje rond een donkere wolk. Want de kans is reëel dat het eerste kindje van Nariman en Achmad in het kamp geboren wordt. Maar daar willen de Syriërs hier niet aan denken. Ze willen dromen en hopen zoals iedereen. En de grootste droom die ze nu hebben, is dat alles ooit weer normaal wordt. Dat ze hun huis en eigendommen vernield gaan terugvinden, daarover zullen ze zelfs niet klagen. Dat ze zo veel vrienden en familieleden kwijt zijn, ze zullen het aanvaarden als hun lot. Maar wat ze nooit zullen afgeven, is die droom. De droom hun land terug te krijgen. Het land dat ze met vochtige ogen hun thuis noemen.

Om de hoek van het hotel is een restaurant waar ik tien jaar geleden at toen ik in Amman was om te spreken op een congres. Ik neem er Sven mee naartoe. Voor geen 50 euro eten we schotel na schotel Arabische lekkernijen. Als de manager vraagt waar we vandaan komen en we antwoorden België, dan ligt hij dubbel van het lachen. "Belgen?" We vragen wat hij daar zo bijzonder aan vindt. "I explain", zegt hij. Het heeft niets met ons te maken. Maar Belgam is hier de roepnaam voor Palestijnen in Jordanië. Pardon? Jawel. Een Palestijn in Jordanië noem je Belg. Sven vraagt of dat slecht bedoeld is, waarop hij hevig het hoofd schudt. Nee, helemaal niet. Integendeel. Zij noemen de Palestijnen Belgen omdat ze menen te weten dat de Belgen ook een volk zijn die een land hebben uitgevonden dat niet bestond. Heel creatief vindt hij dat.

Zo. Met dat stempel op ons hoofd kunnen we huiswaarts keren. Veilig, en ver weg van de verwarring en de groeiende wanhoop.

Wilt u een bijdrage leveren voor het consortium 12-12, dan kan dat door te storten op rekeningnummer BE19 0000 0000 1212.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234