Maandag 18/11/2019

Stad van stof, containers en tranen

Beeld gvds

Hij heeft er even over nagedacht, maar ook niet al te lang. Ex-reclamemaker Guillaume Van der Stighelen zei "ja" toen het Radio 1-programma 'Nieuwe Feyten' hem vroeg om met Sven Pichal naar een vluchtelingenkamp in Jordanië te trekken. Al die tijd hield hij een ontnuchterend dagboek bij. Wij mochten het inkijken op voorwaarde dat we zijn vergoeding stortten op 12-12.

Maandag 15 april

Telefoon van Radio1. Ze zoeken een medereiziger voor Sven Pichal om naar een kamp in Jordanië van Syrische vluchtelingen te gaan.Niet helemaal zeker of het een grap is stuur ik een berichtje naar vrouw Kris die in Amsterdam zit met de dochter.

"Radio1 vraagt om mee op reportage te gaan naar vluchtelingenkamp Jordanië voor 1212"
"When????"
"Volgende week"
"Gemiste oproep: deze persoon/dit nummer heeft je op 15 april om 20:13 gebeld, maar geen bericht ingesproken."
"Heb je er zin in?"

Even later volgt een mail van radioproducer Rit Van Caeckenberghe. Als ik ja zeg sta ik binnen de week tussen tenten op de grens van Jordanië en Syrië. Al meer dan 100.000 mensen zijn over de grens gevlucht, weg van de burgeroorlog. Gevaarlijk hoef ik het niet te vinden. Het is allemaal heel veilig en de pers wordt begeleid.

Er is een 12-12-nummer geopend voor de nood die ontstaat, maar Belgen storten niet. Op het forum van het ochtendprogramma "Hautekiet" laten Vlamingen weten waarom:

• Ik laat mij geen slecht geweten aanpraten. Dat ze het geld gaan halen bij F.N. en trawanten. Zij verdienen tenslotte geld met oorlog.

• Geld geven aan Syrie om na de oorlog vast te stellen dat met ons geld ginder een radicale moslimstaat wordt opgericht, zoals nu in Egypte, Tunesië en Libië?

• Vraag eerst eens na hoeveel 'Belgen' er nu al gaan vechten zijn die hier een uitkering zitten te trekken.

• Het is wel altijd de westerse wereld die hulp bied, ten tijde van de tsunami was er weinig hulp vanuit de moslimwereld naar de slachtoffers toe.

• Op de kaaimaneilanden staat nog 25.000.000.000.000 euro.

• Ik zou nooit geld geven. Laat ze maar vechten en elkaar vernietigen, ze doen niet liever. De overbevolkte planeet kan er alleen baat bij hebben.

• Deze keer doe ik niet meer mee. De Gucht zit namelijjk aan m'n spaargeld.

"Waarom ik?", vraag ik aan Rit.
"Omdat we dat cynisme moeten doorbreken en u kunt dat. U raakt de mensen en u geeft nieuwe inzichten."
"Waarom jij?", vraagt Kris. En erger nog: "Waarom wil jij dat doen?"
Ik praat erover in een trendy café op het Zuid met mijn meest cynische vriend. Hij is een welsprekend, goed opgeleid mens en maakt graag hulporganisaties met de grond gelijk.

"Zakkenvullers! Nooit zullen ze van mij een cent zien."
Hij kan het weten, zegt hij. Hij is lang in Afrika geweest. Heeft er met eigen ogen gezien hoe met het geld van goedgelovige mensen grote terreinwagens werden gekocht door corrupte plaatselijke medewerkers die er vrouwen mee versierden. Dat soort zaken. En hij kan me nog meer vertellen. Miserie is big business. In de dorpen in Afrika staat iemand op de uitkijk: "Rijke blanke op komst! Zet allemaal uw triestige smoel op!" Al die ngo's, stuk voor stuk corrupt. Rode Kruis inbegrepen. We slaan nog een cava achterover. Iets minder dan een uur duurt zijn speech en ik ben overtuigd.

Ik stuur een bericht naar Kris dat ik het doe.

Dinsdag 16 april

Paspoorten, afspraak bij de dokter voor inentingen. In mijn medisch dossier staat geen enkele inenting vermeld. Ik heb de wereld gezien vanuit hermetisch afgesloten congreshotels. Het gevaarlijkste wat ik ooit heb gedaan is in Florida van het voorziene wandelpad aftreden om een alligator van dichtbij te fotograferen. New Delhi heb ik gezien vanop het dakterras met zwembad. Twintig verdiepingen boven de krioelende massa. Nee, ik ben geen reiziger. Zeker geen avonturier. Ik was een reclamejongen. Ik werd gebracht en gehaald met shuttles door vriendelijke mensen die wisten waar ik moest zijn.

Het begint tot me door te dringen dat dit geen gewoon tripje naar Dubai is.
Kris doet er een schepje boven op, als ik haar van de Thalys oppik. Ziektes, stof. Emotioneel zware taferelen. Confrontaties. Retourtje oorlogsgebied. Of ik er echt wel goed over heb nagedacht?
Nee dus.

Ik ga een beetje radio maken met Sven. Ik weet niet eens wat er van mij verwacht wordt. Ik moet er gewoon bij zijn en Sven maakt er wat van. Zoiets.

Het is half drie voor we weer in bed liggen.

Woensdag 17 april

Ontmoeting met Sven en Rit. Nee, er is geen script. Dat is het voordeel van radio: je bent flexibel. Rit probeert me gerust te stellen dat we geen gevaar lopen. Sven zegt dat hij dit al zo vaak gedaan heeft en dat er niks te vrezen valt. Je komt ter plaatse en de verhalen komen zo op je af. Gaat vanzelf. Radio. Ik probeer hen nog even te doen twijfelen of ik wel de juiste keuze ben, maar ze laten niet los. Logisch. Eén week voor vertrek. Wie is er nu nog vrij?

Terug thuis google ik Za'atari en val op artikels uit The Guardian waarvan ik hoop dat Kris ze niet leest voor ik terug ben. Gelukkig is er ook een blog van de medewerker van een hulporganisatie. Die schept een beeld waarvan ik hoop dat het waarheidsgetrouw is. Ik probeer me honderdduizend mensen voor te stellen. Dat is het stadion van Nou Camp afgeladen vol met buiten nog volk dat staat aan te schuiven. Dat zijn veel mensen. Heel veel mensen.
's Nachts droom ik. Van mensenmassa's. Ik, die amper naar Beerschot of de 'Night of the Proms' durf te gaan vanwege de drukte.

Woensdag 23 april


"Hotel Hisham, no booking. No. Other hotel. More better."
Achid, de chauffeur brengt ons naar hotel Delmon. Brave mensen. Grote kamer met afgedankte meubelen. En een grote glimlach. Geen klagen. We vragen waar hotel Hisham zich bevindt, want daar is volgens het internet gratis internet.

"Same street! Left!"

'Same street' blijkt achteraf een soort standaarduitdrukking te zijn die veel wil zeggen, behalve dat het over dezelfde straat gaat. We lopen een paar blokken om en komen toevallig uit op een restaurant waar ik tien jaar geleden heb gegeten. We vinden drie 'same streets' verder hotel Hisham, vestigen ons op een aangenaam terras en vragen het wachtwoord. Dat krijgen we niet, omdat we geen gasten zijn. We onderhandelen. We bestellen eten als we het wachtwoord krijgen. Het eten komt, het wachtwoord niet.

"Is a problem with whole hotel. Not only you. Is Orange problem."

Donderdag 25 april

Briefing in het Hisham hotel.

De mensen van Unicef geven tekst en uitleg bij wat hier gebeurt. En wat nog moet gebeuren.

Belangrijkste is de dagelijkse toevoer van 3 miljoen liter water, wetende dat veertig procent van het water weglekt uit de leidingen. Taak is ook van het Jordaanse volk de voordelen te laten zien van de kampen. Als de hulporganisaties waterleidingen herstellen wordt iedereen er beter van. Dit is de woestijn. Jordanië heeft geen overschot aan water. Bijkomend probleem is dat de Syriërs niet gewoon zijn van zuinig om te springen met water. In het kamp moeten medewerkers van Unicef hen aanleren de tanden te poetsen zonder de kraan de hele tijd open te laten.

En dan de kinderen. Ze hebben geen vertrouwen meer. Scholen schrikken hen af. Scholen werden gebombardeerd. Er dreigt een generatie verloren te gaan. Een generatie zonder scholing, zonder hoop. Ideale voedingsbodem voor toekomstige terroristische organisaties. In Za'atari alleen al 30.000 kinderen. Infrastructuur is er wel, maar er is geen geld om de scholen te runnen. Slechts 8.000 kinderen hebben toegang tot een soort school. 30.000 kinderen gaan naar scholen in Jordanië.

De sfeer verandert ook. De Jordaniërs waren in het begin heel gastvrij, maar het duurt nu wel erg lang en ze vragen zich af wat de rest van de wereld doet. Ook het feit dat Syriërs goeie werklustige vaklui zijn zorgt voor spanningen. Ze vormen een bedreiging voor de jobs van Jordaniërs en dat zet hier en daar kwaad bloed.

We worden naar een schooltje gebracht in Amman. In de ochtend is er les voor de vluchtelingen, in de namiddag gaan de Jordaniërs gewoon naar school.

Onderweg vraag ik wie de luiers levert en de maandverbanden. En of er al tegen de CEO van Procter & Gamble is gezegd dat hij 10.000 pampers per dag mag leveren (en ophalen). Goeie PR toch? Er wordt gelachen door de mensen van Oxfam. Nooit aan gedacht. Misschien wel een goed idee.
In de school zien we klasjes aan het werk. Het lijken heel normale kinderen. Ze zingen en rammen rijmpjes af over tandhygiëne. Er is een workshop voor volwassenen bezig: "Alternative to violence". Ik vraag de coach wat het beste alternatief is. "Diep ademhalen", zegt hij. "Rustig ademhalen neemt al veel spanning weg. Tot tien tellen voor je iets zegt."

"Zoals mijn pa ons vroeger zei", zeg ik hem, "tien keer uw tong ronddraaien in uw mond voor ge spreekt."

We lachen. De directrice brengt ons naar de sportkamer van de "drop outs". 'Drop outs' zijn jongens die door de oorlog niet meer naar school zijn geweest en jaren achterstand opliepen. Ze vertelt hoe ze binnenkwamen als een zootje onhandelbaar krapuul. Tegen mij zeggen ze heel wellevend goeiedag.

We mogen de school niet verlaten voor de mensen in de keuken ons al hun lekkers hebben laten proeven. Heerlijk. Kleine dingen in brood gewikkeld of in bruidkruim gebakken.

Van de school rijden we richting grens. Bij een benzinestation stoppen we om water in te slaan. Een moeder met kinderen komt geld vragen. Sven mag haar interviewen. Ze is uit het kamp weggelopen, omdat ze denkt dat er buiten een beter leven is. Hier bij de pomp vangt ze genoeg klein geld om de kinderen eten te geven in het huis waar ze wonen. Dat huis, dat zijn vier betonnen muren met een doek over. Het beschermt hen tegen de vele stormen die hier woeden in de winter en de broeiende hitte in de zomer.
Er is geen andere oplossing, zegt ze. Terugkeren naar het kamp is geen optie. Het geraakt er steeds voller.

"Jammer", zegt Caroline, die perschef van Oxfam is. Ze zou beter af zijn in het kamp.

Even later rijden we het kamp binnen. Het heeft wat van Rock Werchter. Auto's langs de weg. Mensen die aan en af wandelen. Een zekere drukte, maar nu ook weer niet overdreven. Niet de taferelen die je verwacht. Gewoon, normaal. Hier is iets te doen.

Bij de poort worden we tegen gehouden door politie die de papieren willen zien. Er wordt niet moeilijk gedaan. Er worden zelfs geen paspoorten gecontroleerd. Als je hier binnen wil, moet je het zelf maar weten. Tot ik uitstap en een foto wil maken van het verwelkomingsbord. Daar kan de politie niet mee lachen.

"Niet aantrekken", zegt Caroline. Die man stelt zich maar wat aan. Hij brult dat ik de foto moet wissen. Ik zeg dat ik er geen heb kunnen nemen. We mogen door.

Alles is er om me bedreigd te voelen. De tanks, de soldaten, de prikkeldraad en gewoon de nabijheid van de oorlog - een half uur geleden is er een projectiel neergekomen in een veld vlakbij - maar ik voel me niet bedreigd. Integendeel. Het heeft te maken met de uitdrukking op de gezichten van de mensen. Doorgaans vriendelijk. We rijden langs jongens die kruiwagens duwen met dozen van Unicef. Ook rolstoelen worden gebruikt om goederen te transporteren. De jongens zijn redelijk vrolijk. Jongens. Rechts van ons is een afgespannen terrein waar de nieuwkomers worden opgevangen. Enkele duizenden per dag. Links trekken bulldozers nieuw terrein plat, want de vluchtelingenstroom houdt niet op. De steden in Syrië lopen leeg. Het leven ligt er plat. Er is geen voedsel meer, geen elektriciteit en geen werk.

We worden bij een caravan gebracht. Of tenminste, zo noemen ze het. Om een idee te hebben over hoe de mensen hier verblijven moet je je een containerterminal voorstellen aan het Deurganckdok. Uit de containers werden een raam en een deur gezaagd waar een stuk doek voorhangt. De containers, of caravans dus, staan in rijen opgesteld en de gangen tussenin worden straten genoemd. Boven sommige van die straten lopen de elektriciteitsleidingen. Een gezin met geluk heeft een stopcontact en een lamp. Per aantal straten is er een openbaar toilet. De Jordaanse overheid laat geen grijs water toe in de bodem van het kamp, laat staan zwart. Dus de hulporganisaties moeten ervoor zorgen dat al het afvalwater netjes afgevoerd wordt zonder in de bodem te dringen. Wat niet eenvoudig is. Door gebrek aan geld - Unicef heeft slechts één derde gekregen van wat nodig is om het kamp te runnen - zijn vele toiletten stuk en vies. Mensen graven zelf een put tussen hun caravans en installeren er hun eigen toilet. Syriërs zijn inventieve bouwvakkers.

We staan intussen bij een gezin. Uit het raam hangt een jongeman die het woord voert. Hij heeft een grappig gezicht, knap met heldere ogen. Hij zegt dingen waardoor de anderen gaan lachen. De anderen, dat zijn broers, neven, vrienden en buren. Ook een oude vrouw. Jonge vrouwen zien we niet. De oude vrouw lacht mee met haar kleinzoon. Maar als we haar vragen wat de buitenwereld voor haar kan doen komen de tranen. "Ach meneer", zegt ze. (alles wordt simultaan vertaald door onze Jordaanse tolk van Unicef) "Kunt u mijn zonen teruggeven? Kunt u zeggen of ze nog leven? Wat kunt u nog doen voor iemand die zijn naasten heeft verloren?" Ze zegt het letterlijk zo. Ik wil haar een knuffel geven om haar eens goed te laten doorjanken, maar dat doe ik dus niet. Je neemt hier niet zomaar een vrouw in je armen. De jongeman in het raam trekt zijn T-shirt uit en toont een bult op zijn schouder. Soldaten hebben hem geslagen en nu groeit het fout aan elkaar. "Hier is wat je kunt doen", roept hij. "Haal een fysiotherapeut, zodat ik later weer normaal kan werken."

"Wij zitten hier gevangen!", roepen anderen. "Geef ons iets te doen. Laat ons werken. Wij willen niet bedelen. Wij kunnen best voor onszelf zorgen, maar we mogen hier niet buiten!" Dan moet ik absoluut een foto trekken van een spandoek met een slogan. Als ik mijn camera bovenhaal, duiken een aantal mannen weg. Ze willen niet dat hun gezicht straks op het internet staat met daarbij "Stuur de hond Assad weg." Moest Assad de strijd winnen, dan is niemand nog veilig. Ze kennen zijn technieken.

"Vertel aan de wereld daarbuiten", herhaalt onze tolk rustig, "dat Syrië een mooi land is met normale mensen. Al wat we vragen is van terug te mogen keren en te werken en onze kinderen een toekomst geven. Ook al zijn onze huizen kapot en onze eigendommen vernield, we houden van ons land en we zullen het met eigen handen weer opbouwen."

Uit de caravan aan de overkant komen kinderen naar buiten. Ze hebben tegels beschilderd onder begeleiding van een Oxfam medewerkster. Je moet geen psychologie hebben gestudeerd om te zien dat dit tekeningen zijn van zwaar getraumatiseerde kinderen. Het grootste tekort in de Syriëcrisis zijn traumatologen. Psychologen en psychiaters om getuigen van oorlogsgeweld over hun trauma heen te helpen. De psychische schade is enorm. Het wordt ons verteld door medewerkers van de Verenigde Naties. De kinderen laten schilderen en spelen is het minste dat nu kan gedaan worden.

In mijn tas zitten ballonnen. Die heeft Kris er in gestoken. "Dat neemt geen plaats en die kinderen gaan er blij mee zijn." Ik vraag aan de begeleidster van de kinderen of ik ze mag uitdelen. Dat mag, maar ik moet ze wel eerst opblazen, want anders wordt het een gedoe. Een beetje later voel ik me net Sinterklaas die bestookt wordt door kinderen, zoals je bestookt wordt door eenden in het park als je brood bij hebt. De grootste willen de ballonnen uit mijn mond rukken voor ze opgeblazen zijn, dus geef ik alleen ballonnen aan de kleintjes. Net zoals bij de eendjes dus.

Als ze even later dolle pret beleven met hun ballonnen - die de groten toch weer hebben afgepakt van de kleintjes - overvalt mij een vlaag van trots. Kris. Mijn vrouw.

Eén peuter is in de caravan blijven zitten. Het zit op een van de dunne matrassen. Als ik haar een ballon geef, knelt ze die tegen zich aan als een pop. Ze kijkt me met grote ogen aan.

"Ze is verlamd", legt Caroline uit.

Sven mag de vader interviewen.

Myriem, zo heet meisje van drie, werd geboren met een afwijking aan de ruggengraat. Bij de operatie is iets misgegaan, er werd een zenuw geraakt en daardoor is haar onderlichaam verlamd. Myriem is de zesde van zeven kinderen. De moeder, zijn vrouw dus, weigert te geloven dat haar kind nooit zal lopen, maar hij weet beter. De dokters hebben het hem in Syrië gezegd. Ze zal haar leven lang in een rolstoel zitten. Maar rolstoelen voor peuters zijn hier niet. Myriem heeft even een rolstoel gehad van Handicap International, maar die was te groot en ze viel er steeds uit. Nu zit het kind de ganse dag binnen. Ik vraag aan Caroline wat zo'n stoel kost en waar die te vinden is. Ze zal het voor me uitzoeken, belooft ze.

Twee oude vrouwen komen erbij zitten, en omdat Sven met de micro zeult zit de caravan meteen weer vol volk en toch weer opvallend vrolijke gezichten.

Ik vraag aan de vrouwen of ze de kinderen liedjes aanleren en sprookjes vertellen. "Ach meneer, wat valt er te zingen als je je liefsten hebt verloren in de oorlog?" Weer tranen. Ik word een beetje boos vanbinnen en denk: Dom wijf, zingen en vertellen is nu net wat jullie moeten doen. Het is het énige wat jullie kunnen doen. Denk ik, maar ik zeg het niet - tien keer tong ronddraaien - en even later ben ik al wat beschaamd over mijn eigen gedachte. Wie kan deze moeders, grootmoeders ook maar iets verwijten? Het is niet zo dat Syrië zoals ons eigen land een traditie heeft van oorlogsdrama's. Wat deze mensen nu overkomt hebben ze nog nooit meegemaakt. Moest het ons ooit overkomen, onze oma's en opa's zouden vertellen hoe zij de wereldoorlog hebben overleefd. Ze zouden nog weten hoe liedjes werden gezongen tijdens de bombardementen om de kinderen af te leiden. Ze zouden ook nog weten hoe vriendelijke mensen uit buurlanden hen opvingen en deelden wat ze hadden.

Caroline wil de hoofdstraat van het kamp laten zien. "Main street."

Daar is een soort markt ontstaan waar je zowat alles kan kopen. Kraampjes in elkaar getimmerd met materiaal dat rondslingert in het kamp. Het ziet eruit als een bloeiende handel. Veel vluchtelingen hadden hun spaarcenten bij. Er wordt geruild, gehandeld. Iemand heeft op het kamp een kippenboerderij begonnen en die kippen hangen heerlijk te grillen. Hij heeft een bank getimmerd en een schraag, zodat klanten even kunnen zitten bij het eten van een stuk kip. Kruiwagens met goederen worden aan en af gevoerd. Goederen invoeren uit Syrië is illegaal. Maar alles wat ze in Jordanië kunnen inkopen mag hier verkocht worden. Spiegeltjes, juwelen, toiletpapier, conserven, werktuigen, textiel, waterpijpen, koffie, thee, alle soort meel en kruiden, het is er allemaal voor wie een beetje geld heeft. Bij een kapper zit het volk aan te schuiven op het tapijt.

Caroline legt uit dat honderdduizend mensen een stad is die zoveel mogelijk zichzelf wil besturen en organiseren. Hoe meer de Syriërs betrokken worden bij de installaties en de logistiek van het kamp, hoe meer ze het beschouwen als "hun" kamp, hoe minder ze beschadigen.

Overal neemt Sven geluidsfragmenten op en getuigenissen waarmee hij vanavond, waarschijnlijk tot laat in de nacht, stukjes gaat maken voor de uitzendingen van vrijdag als Radio 1 de ganse dag aandacht schenkt aan de actie Syrië12-12. Voor mijn eigen stuk - het dagboek in 'Nieuwe Feiten' - heb ik nog geen ogenblik de tijd gehad. Ik besluit van het dagboek gewoon ter plaatse in te spreken, zonder voorbereide tekst. Tussen tenten en containers beschrijf ik wat ik vandaag heb meegemaakt. Met de kirrende stemmetjes van kinderen op de achtergrond denk ik dat het een goed verslag geeft, anders dan de dagboeken die ik normaal inlees voor 'Nieuwe Feiten'.

Maar vlak voor het instappen - om vijf uur moeten we weg uit het kamp, want 's avonds kan het grimmig worden - merkt Sven dat mijn opname niet geregistreerd werd. Het staat er dus niet op. Ik kan herbeginnen. Dan toch maar een stuk en inlezen. Want zonder de geluiden van het kamp op de achtergrond klinkt het raar. In mijn kamer in Amman neem ik het dagboek op.

Ik heb heel even de tijd om het dagboek te schrijven dat vanavond in 'Nieuwe Feiten' wordt uitgezonden.

Radiocolumn, donderdag 25 april

Hoog boven mij tegen een strak blauwe lucht zweeft iets waarvan ik eerst denk dat het een meeuw is. Maar het heeft een wat vreemde vorm en bovendien zitten er niet zoveel meeuwen in de woestijn. Dus zie ik er een witte ballon in. Maar ook dat klopt niet. Het is gewoon een plastic zak. Zo'n zak zoals u en ik vroeger kregen in het grootwarenhuis. Hij zweeft hoger en hoger, meegezogen door de stijgende lucht. 's Nachts is het hier koud en nu brandt de zon hevig.

Ik ben in Jordanië, vlakbij de grens met Syrië op verzoek van Radio 1 om u te vertellen hoe het gaat met de massa's oorlogsvluchtelingen.

Vanmorgen werd ik rondgeleid in een schooltje door een directrice die alle goedheid en bezorgdheid van alle moeders in de wereld in haar ogen droeg. Ze toonde me hoe ze probeert Syrische kinderen een normaal leven te geven. Het is even slikken als je ziet hoe tussen al dat oorlogsgeweld door kindjes simultaan taalles krijgen en hygiëne. In het Arabisch leren ze versjes over hoe ze hun tanden moeten poetsen. En ze doen dat met groot enthousiasme. Het is moeilijk te geloven dat deze kinderen oog in oog hebben gestaan met schietende soldaten. Ze zien er heel normaal uit. "That is what we try to do", zegt de directrice. Ze neemt me mee naar een lokaaltje waar een pingpongtafel staat. Daar zitten jongens die zes maand geleden binnen kwamen als boeven. Onbehandelbare getraumatiseerde knapen waren ze. Moeilijk en agressief. Nu, dank zij de sportklassen die ze krijgen, zijn het guitige jongens die vrolijk dag zeggen en graag demonstreren wat ze met een pinpongballetje allemaal kunnen. Ik vraag of ik hen een spelletje mag uitleggen dat ik ooit van mijn zoon heb geleerd. We vormen een grote cirkel rond de tafel, terwijl de sportleraar paletten uitdeelt. Dan moeten ze telkens de bal spelen en plaats maken voor de volgende zodat iedereen aan de beurt komt. In het begin is het een chaos, maar dank zij mijn perfecte beheersing van de Arabische gebarentaal die ik heb opgestoken toen we nog kantoor hadden in Molenbeek, wordt het duidelijk wat ik bedoel. En zo zag ik, in de kelder van een schooltje op vijftig kilometer van de Syrische grens, een tafereel dat ik zo vaak in mijn eigen tuin heb mogen zien. Jongens die lachen en spelen rond een pingpongtafel.

Nu sta ik in het stof van kamp Za'atari. Waar meer dan honderdduizend vluchtelingen worden opgevangen. Vluchtelingen, denk daarbij niet armoezaaiers en bedelaars. Dit zijn trotse mensen. Gezinnen. Papa's en mama's die een plek zoeken waar hun opgroeiende kroost veilig is voor de projectielen die ongecontroleerd door de lucht vliegen in hun dorp. De eerste vraag die bij me opkomt is: tienduizend babyluiers per dag, waar gaan die mensen dat halen?

Ik kijk nog eens naar de lucht. Het zakje is verdwenen. Misschien komt het ooit terug, met een schoon luiertje in, denk ik. Wie weet.

"Staat er weer niet op", jammert Sven. Hij wordt stilaan zenuwachtig. Er is een probleem met de apparatuur die we meekregen. "We doen het gewoon met de iPhone", zegt hij. En zo geschiedt. Gewoon inspreken in de telefoon en doorsturen met roaming. Dat werkt. De kwaliteit is niet wat het moet zijn, maar ja, het is oorlog.

Vrijdag 26 april

Een jong paar dat elkaar ontmoet heeft in het kamp huwen in een caravan die is omgetoverd tot feestzaal, annex liefdesnest. Caroline, die vertrouwd wordt en vrouw is, mag de foto's maken voor het huwelijksalbum.

Sven zoekt plek om de satellietantenne uit te vouwen die hij in zijn koffer heeft meegesmokkeld. De persmensen van de hulporganisaties kijken bewonderend toe. Hoe heeft hij dàt langs de douane gekregen? Gewoon in de koffer tussen de tandpasta en het scheergerief dus.

Om negen uur zouden we live in 'Hautekiet' moeten zitten, maar dat mislukt al gedeeltelijk. De mobilofoon dan maar. Volgende uitzending is 'Joos' om twaalf uur, dus we kunnen het kamp verder verkennen. We worden meegenomen door Iris Blom van de Verenigde Naties. Zij toont ons de plaats waar de vluchtelingen toekomen. Ze krijgen er water, thee en koffie en brood. De mensen zijn ontzettend moe als ze toekomen. Aan de grens worden ze opgevangen door het Jordaanse leger dat hen in bussen hiernaartoe brengt. Sommigen onder hen hebben dagen gereisd en zijn uitgeput.

In een aparte tent worden zij opgevangen die met een buitenlander zijn gehuwd. Er wordt dan onderzocht of ze naar dat andere land kunnen doorreizen.

"Ha!", zeg ik, denkend dat ik moet tonen hoe scherp ik kan zijn. "Dit is een soort vagevuur dus!"

Iris schudt het hoofd. Ze hoopt dat ze me verkeerd heeft begrepen. Ze legt uit dat de duizenden vluchtelingen per dag vooral 's avonds en 's nachts toekomen, omdat het overdag te heet is om te reizen. In de grote tent van het onthaal staat een tafeltje waarbij zes mannen tomaten en groenten snijden. Ze doen ons teken dat we moeten komen. Voor hen liggen gemarineerde aubergines, gevuld met lekkers. Ze nemen brood, rollen er van alles in, en dwingen ons te eten. De mannen lachen en praten vrolijk, maar we hebben onze tolk niet bij. Maar het is niet moeilijk om te begrijpen wat ze willen. Wij moeten proeven wat ze allemaal klaarmaken.

Ik heb al een verse augurk binnen en een half broodje als ik zie hoe Caroline haar ontsmettingsgel bovenhaalt om haar handen te wassen. Oei, denk ik. "Is it dangerous to eat this?" "Dat hangt ervan af hoe graag je op de pot zit", antwoordt Caroline. Maar wat ik geproefd heb, is te lekker om te laten liggen en bovendien bestond het ontbijt in ons hotel uit een beschuit met een driehoek La Vache Quirit en een hardgekookt ei. Als de tolk erbij is gekomen, vernemen we dat de mannen aan het ontbijten waren. Ze kopen verse ingrediënten op de markt in de hoofdstraat van het kamp met geld dat ze hier en daar kunnen verdienen door te helpen met klussen in het kamp. Het zijn gezonde jongens met krachtige blik. De man die het woord voert was net afgestudeerd als advocaat en is gaan lopen toen hij werd opgeroepen voor legerdienst bij Assad.

Drie broodjes, twee aubergines en vijf gefrituurde hapjes later wil ik afrekenen. "OOOh, noooh!"

Onmogelijk. Wat een belediging. Betalen. Hoe durf ik. Wij zijn de gasten en zij zijn gastheer. Hier wordt niets betaald. Oh nee.

Thuis wordt iedereen gemobiliseerd om geld te storten op de noodrekening en wij mogen hier niet betalen voor een ontbijt dat kan concurreren met het buffet van de Four Seasons. Vreemde wereld soms.

Nu moeten we rennen. Terug naar de plaats waar de hulporganisaties bivakkeren want daar staat onze satellietantenne opgesteld. Het is intussen middag en de zon staat bijna loodrecht boven het kamp. Naast een van de containers is een halve meter streep schaduw en van daaruit delen Sven en ik onze ervaringen met Ruth Joos. Daarna mogen we even ademen en dan is het de beurt aan 'Sonar' met Ronald Verhaegen.

Als het internet er even doorkomt vernemen we via twitter dat de stukken die Sven vannacht tot vier uur heeft zitten monteren tussendoor worden uitgezonden. Vraag mij niet hoe Pichal met twee kabels, een micro die het niet doet en een klein doosje vol knoppen dit maakt.

Aan de wand in de container van Oxfam zie ik een tekening hangen. Een collage eerder. Een gele bloem opgekleefd. 'This is a flower from my mother country Syria.'

Tijd om me even af te zonderen. In mijn tas zit een steen, die Kris heeft beschilderd met een gele zon. Als we reizen nemen we er altijd een mee en leggen die op een speciale plek en maken een foto voor op de website van Mattias.

Ik overweeg van de steen een plaats te geven bij de moeder die zoveel naasten verloren heeft, maar de tijd is op. We moeten het kamp uit. Morgen vind ik wel een mooie plek in Amman.

Terug in het hotel neem ik mijn dagboek op voor de radio. Het lukt meteen van de tweede keer. Sven heeft nieuwe batterijen gevonden, die tien minuten meegaan in plaats van twee.

Radiocolumn, vrijdag 26 april

Een oude vrouw heeft vrijwillig haar caravan afgestaan op Camp Za'atari, een vluchtelingenkamp bij de grens van Syrië, in Jordanië. Met caravan wordt hier een container bedoeld, waaruit een raam en een deur werd gezaagd. De vrouw trekt voorlopig in bij de buren want in haar caravan staat een belangrijke gebeurtenis op stapel.

Haar kleinzoon Achmad heeft namelijk een tijd geleden in het kamp zijn oog laten vallen op de mooie Nariman. Een Syrische schone van negentien. Achmad was onmiddellijk tot over de oren verliefd en onlangs heeft hij haar ten huwelijk gevraagd. Wat een groot probleem met zich meebrengt want op het kamp zijn geen bedden voorzien, alleen matrassen, en een Syrisch huwelijk zonder bed, dat gaat niet. Dus hebben vrienden, neven en broers van Achmad een prachtig ledikant in elkaar getimmerd van afvalmateriaal dat ze op het kamp verzameld hebben. Stukken hout. Panelen van een versleten watertank. Nagels en pinnen. En een stuk afrastering als vering. Alles wordt netjes afgemaakt met mooi gekleurde stoffen en boven dat wat het liefdesnest moet worden hangt een laken met daarop een hart geschilderd met in het Arabisch de woorden "Ik hou van jou".

Het is begrijpelijk en bovendien netjes dat oma een paar nachtjes elders gaat slapen.

Een zelfverklaarde weddingplanner begint aan de decoratie. Elk plukje gras en struik waar de vluchtelingen bij kunnen moet eraan geloven. Alles wordt in boeketjes gedraaid en met nog ballonnen die werden gevonden in één van de vele kraampjes die hier een soort handeltje organiseren met de goederen die het kamp worden binnen gesmokkeld wordt de feestzaal afgemaakt. Of liever, de feestzalen, want de mannen en de vrouwen vieren het huwelijk apart. Alleen Achmad zelf mag bij de dames binnen om met zijn bruid te dansen. Caroline, medewerkster van Oxfam en tevens onze begeleidster op het kamp mag wel binnen. Zij mag zelfs foto's maken.

Bij de mannen gaat het er vrolijk aan toe. Ze zingen en dansen een Levantijnse traditional. Een zeldzaam iets, zo weet Caroline te zeggen. Ze dansen alleen bij huwelijken. Bij de vrouwen wordt er gedanst op luide muziek die uit een luidspreker komt. De DJ heeft een mobilofoon vastgebonden aan de micro van de megafoon die de straat - een straat dat zijn hier twee rijen containers met daartussen een wandelgang - die de straatverantwoordelijke heeft gekregen om boodschappen van algemeen nut te verspreiden. Door het lawaai komen kinderen toegestroomd. Er gebeurt iets. Er is tumult. Er is een moment van vreugde. Het zilveren randje rond een donkere wolk. Want de kans is reëel dat het eerste kindje dat Nariman en Achmad in het kamp geboren wordt.

Maar daar willen de Syriërs hier niet aan denken. Ze willen dromen en hopen zoals iedereen. En de grootste droom die ze nu hebben is dat alles ooit weer normaal wordt. Dat ze hun huis en eigendommen vernield gaan terugvinden, daarover zullen ze zelfs niet klagen. Dat ze zovele vrienden en familieleden kwijt zijn, ze zullen het aanvaarden als hun lot. Maar wat ze nooit zullen afgeven is die droom. De droom van hun land terug te krijgen. Het land dat ze met vochtige ogen hun thuis noemen.

Om de hoek van het hotel ligt het restaurant waar ik tien jaar geleden heb gegeten toen ik in Amman was om te spreken op een congres. Ik neem er Sven mee naartoe. Voor geen vijftig euro eten we samen schotel na schotel Arabische lekkernijen en er staat een vleugelpiano. Ik hoor Sven Pichal luidkeels lalalalala zingen van Hey Jude en tien Arabische families brullen mee. Zo beleeft een mens nog eens wat. Als de manager vraagt waar we vandaan komen en we antwoorden "België", dan ligt hij dubbel. "Belgen?" We vragen wat hij daar zo bijzonder aan vindt en hij haalt er drie obers bij. Hij wijst naar ons en proest: "Belgam!", waarbij de anderen luid mee lachen. "I explain", zegt hij. Het heeft niets met ons te maken. Maar "Belgam" is hier de roepnaam voor Palestijnen in Jordanië. Pardon? Jawel. Een Palestijn in Jordanië noem je Belg.

Sven vraagt of dat slecht bedoeld is waarop hij hevig het hoofd schudt. Nee, helemaal niet. Integendeel. Zij noemen de Palestijnen Belgen omdat ze menen te weten dat de Belgen ook een volk zijn die een land hebben uitgevonden dat niet bestond. Heel creatief vindt hij dat.

Zo. Met die stempel op ons hoofd kunnen huiswaarts keren. Veilig en ver weg van de verwarring en de groeiende wanhoop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234