Vrijdag 04/12/2020

Stad aan de Taag, stad aan de Schelde

De stad Lissabon wil de Expo aangrijpen om dichter bij de oever van de Taag aan te sluiten. Makkelijker gezegd dan gedaan, weten ze in Antwerpen. Het project 'Stad aan de Stroom' dat in 1990 begon, beoogde eveneens de band tussen de stad en de Schelde aan te halen. Doortastende structurele maatregelen zijn uitgebleven, maar de laatste tijd schijnt toch wat te bewegen in de Scheldestad.

Eric Bracke

Een bijkomende doelstelling van Expo 98 in Lissabon is het laten verrijzen van een nieuw levendig stadsdeel langs de oever van de Taag, ten oosten van het oude centrum. Architect Siza Vieira, die het Portugese Paviljoen heeft ontworpen, heeft dat alvast begrepen. "Ik ontwerp niet zomaar een gebouw voor een wereldtentoonstelling," aldus de internationaal vermaarde Portugees, "ik ontwerp een gebouw dat bedoeld is om te blijven, dat is mijn eerste zorg."

Omdat de bestemming van het paviljoen na de expo nog niet vastligt, voorzag Siza Vieira in een zo groot mogelijke multifunctionaliteit. Die veelvuldige gebruiksmogelijkheid beschouwt de architect trouwens als een essentiële kwaliteit van goede architectuur. "Wat de architect ook voor ogen mag hebben", zegt Siza Vieira, "elk gebouw krijgt vroeg of laat een andere bestemming. Zelfs kerken."

Ook de Spaanse architect Santiago Calatrava, die het 'Multimodale Transport Station' ontwierp, keek verder dan de duur van de Expo en hield rekening met de integratie in het zich stilaan ontwikkelende stadsdeel. Een goed ontwikkeld openbaar vervoer moet de nieuwe stad echt leefbaar en dynamisch maken. Momenteel wordt er, onder meer door de Nederlandse ING-bank, vooral zwaar geïnvesteerd in shoppingcentra en recreatie, maar er komen ook appartementsblokken. De vergelijking tussen Lissabon en Antwerpen gaat niet helemaal op. Beide steden liggen in een bocht van de rivier en ze hebben allebei een sterk ontwikkelde havenactiviteit. Maar het gebied dat 'Stad aan de Stroom' in de Scheldestad wilde activeren is, anders dan in Lissabon, geen onontgonnen terrein. Het betreft oude, historische stadsdelen, met name de strook van het Zuid over de kaaien naar het Eilandje. Ooit heerste op deze kaaien een kleurrijke drukte, die de Antwerpse kunstenaar Eugeen Van Mieghem eind vorige en begin deze eeuw schitterend heeft vastgelegd in zijn tekeningen. Maar met de noordwaartse verschuiving van de havenactiviteiten, buiten de stad, gingen functies in dat gebied teloor, wat vooral tot de verkommering van het Eilandje heeft geleid. Bovendien verlegden de circulatieassen in de stad zich. Thans loopt een as van het Centraal Station naar de Meir, die wordt gesneden door een minstens even belangrijke as die samenvalt met de Leien.

In de decennia voor Van Mieghem het wriemelende en vaak ook schrijnende leven aan de kade vastlegde, hadden zich aan de Schelde-oever al revolutionaire veranderingen voltrokken. Eind de jaren 1880 besliste men om de grillige Schelde-oever gelijkmatiger te maken, en een kilometerslange kade te leggen, breed genoeg voor kranen, loodsen en spoorlijnen. De kaden werden over de gehele lengte afgesloten door het lange gietijzeren hek dat er nog steeds staat. Bijna 600 woningen werden gesloopt. Het aloude hart van de stad, de Burcht op de Aanwerp, viel letterlijk in het water. Door het dempen of overwelven van de vlieten werd de eeuwenoude 'innige' band met de Schelde verbroken. Daarvoor stroomde het Scheldewater door de ruien en vlieten de stad in, zodat haar bewoners meeleefden, en vaak ook beefden, met het getij.

Voor zover bekend vestigden de eerste Antwerpenaars zich vanaf de tweede eeuw ter hoogte van het huidige Zuid aan de Schelde-oever. De kern van de bewoning verschoof in de vierde en vijfde eeuw noordwaarts op een aangeslibd heuveltje in de Scheldebocht. Na de verwoestende doortocht van de Noormannen (836) ontstond in de negende eeuw een handelsnederzetting op een cirkelvormig 'schiereilandje' langs de oever. Dit domein zal in de tiende eeuw, omgeven door een brede aarden wal en grachten, uitgroeien tot een soort Burcht. Een poortgebouw van de burcht is na vele verbouwingen bewaard gebleven als het Steen - de andere drie poortgebouwen sneuvelden ruim honderd jaar geleden bij de aanleg van de kaaien. Buiten de wallen was een werf in de rivier uitgebouwd waar schepen konden aanleggen, met verderop een binnenhaven, die zich bevond waar thans de Suikerrui is.

Aan het einde van de tiende eeuw was Antwerpen een Brabants grensstadje van het Heilig Roomse Rijk, met aan de overzijde van de rivier het graafschap Vlaanderen, dat deel uitmaakte van Frankrijk. Deze situatie was bepalend voor de eenzijdige ontwikkeling van Antwerpen op de rechteroever, wat tot vandaag duidelijk zichtbaar blijft. Schepen van Cultuur Eric Antonis pleitte op het congres 'Stedelijkheid & Kwaliteit', op 21 april, voor een brug over de Schelde om het stadsdeel op de linkeroever dichter bij 't stad te betrekken. Overigens heeft ook Lissabon een brug over de Taag gebouwd, de Ponte Vasco da Gama, die 17 kilometer lang is en het nieuwe stadsdeel van de Expo verbindt met de prille voorsteden in de nog landelijke Alentejo.

De uitbreiding van Antwerpen buiten de wallen werd aan het eind van de elfde eeuw afgezoomd met een watersingel. Daarbinnen was een ruiengordel verbonden met deze buitenste gracht. Naarmate de stad verder uitdijde groeide ook dit grachtennetwerk, zoals we dat thans nog in Brugge of Amsterdam kennen. Aan het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw beleefde de haven van Antwerpen een internationale bloei. Dat zorgde voor macht en rijkdom, die verdedigd diende te worden. Rond 1300 werd de stad helemaal ommuurd, ook aan de kant van de Schelde-oever, een versterking die eind veertiende eeuw werd aangepast tot een mooie halve kring met torens en poorten. Pas in de negentiende eeuw zullen de grenzen van Antwerpen opnieuw worden verlegd.

De rest van het verhaal is in grote lijnen bekend uit de lessen geschiedenis: hoe Antwerpen in de zestiende eeuw de rol van leidende handelsmetropool van Brugge overnam en de Spaanse overheersers er een militair bolwerk van maakten. Vervolgens de Beeldenstorm en in 1585 de wurgende afsluiting van de Schelde door de onafhankelijke Noordelijke Nederlanden. Pas in 1792 zorgde het Franse bewind ervoor dat de Schelde weer openging. In die tijd werd de rede, onder meer doordat er bomen werden aangeplant, een geliefde promenade voor de flanerende burgerij. Onder impuls van Willem II, na het congres van Wenen, en de snel doorzettende industriële revolutie in ons land, ontwikkelde Antwerpen zich opnieuw tot belangrijke haven, even afgeremd door een tol die de Nederlanders bij de onafhankelijkheid van België invoerden. Tot dan de hierboven beschreven grootse werken aan de kaaien werden aangevat, die decennia later een desolaat gebied achter een ijzeren hek zouden worden.

Het project 'Stad aan de Stroom', dat als aanloop bedoeld was naar Antwerpen 93, Europese cultuurstad, wilde opnieuw 'de stedelijkheid' in de verweesde havengebieden introduceren, zonder de bewoners over het hoofd te zien. 'Stedelijkheid' veronderstelt de aanwezigheid van diverse diensten - cultuur, handel, scholing, ontspanning, werk en wonen - die de stad traditioneel onderscheiden van het omliggende.

Het project 'Stad aan de Stroom' schreef in 1990 een internationale architectuurprijsvraag uit voor een plan van de in elkaars verlengde liggende stadsdelen het Zuid, de Scheldekaaien en het Eilandje. Ondanks de aanvankelijke principiële aanvaarding ervan, gooide het stadsbestuur de plannen van de Spaanse architect Manuel de Sola Morales en de Japanner Toyo Ito in een lade om ze zo snel mogelijk te vergeten. Toch heeft het project langzaam maar zeker zijn werk gedaan in de geesten van de beleidsmakers. De overtuiging is gegroeid dat eindelijk werk moet worden gemaakt van een architecturaal beleid in Antwerpen.

Dat resulteerde al in het voornemen om, wellicht in het najaar, een bouwmeester aan het werk te zetten die moet waken over architecturale en urbanistische kwaliteit van de intiatieven van het Antwerpse bestuur. Bovendien worden op de kabinetten plannen besproken die een gezamenlijke aanpak van het Zuid, de Kaaien en het Eilandje omvatten, met nieuwe circulatieassen en inplanting van min of meer zinvolle recreatieve functies. Voorlopig lijkt geen van die plannen echt te overtuigen, maar de drang om nog voor het einde van de bestuursperiode iets aan het Eilandje te doen is bij sommige politici groot.

Het al genoemde congres 'Stedelijkheid & Kwaliteit', dat dit voorjaar in Antwerpen werd gehouden, kan in dit opzicht als een interessante bezinning gelden. Zo merkte de Nederlandse architect Willem-Jan Neutelings terecht op dat de stedelijkheid sinds enige tijd buiten of aan de rand van de stad te zoeken is. "Kenmerkend voor stedelijkheid is de dichtheid van programma," aldus Neutelings. "Vandaag is dat ruimtelijk activiteitennetwerk niet meer in de stad aanwezig; de stad is vaak dorpser dan het tussengebied, dat met zijn bioscoop-, winkelcomplexen en meubelcentrales de massa naar de periferie lokt."

Een bezoek aan deze gigantische complexen buiten de stad geldt inderdaad als een uitstapje met de hele familie om te kuieren, te kijken, te kopen, iets te drinken of een film te zien. Steeds minder tref je dat soort omgeving in de historische stad zelf aan. Volgens architect Xaveer De Geyter, die na Neutelings een uiteenzetting gaf, is dat mede de schuld van de overheid, die niets doet om de multifunctionaliteit in de historische stad te bevorderen.

De Geyter gaf toelichting bij zijn plan om in het beschermde zestiende-eeuwse Vleeshuis een Historisch Museum Antwerpen onder te brengen. Dit door de politici van de tafel geveegde plan hield de installatie in van een diagonale lift die, vertrekkende van het nabije Badhuis, de kopgevel van het Vleeshuis zou doorboren. Aan de hand van een studie van de historische evolutie van het gebouw ontmaskerde De Geyter de Vleeshuisgevel als grotendeels een pittoreske fantasie van eind vorige eeuw. Hij stelde bovendien dat de voorgestelde ingreep veel minder ver gaat dan wat eerdere 'restauraties' hadden aangericht.

De verbinding met het Badhuis was nodig om de te krappe tentoonstellingsruimte in het Vleeshuis uit te breiden met 2.000 vierkante meter en om een veilig en logisch tentoonstellingparcours mogelijk te maken. De bijna emotionele afwijzing van zijn plan bracht De Geyter tot de conclusie dat door het beleid op een "grondig foute manier over de historische binnenstad wordt gedacht". Hij vond het een gemiste kans dat men in het Vleeshuis, gelegen midden in een in 1974 in een soort pseudo-historiserende 'namaakarchitectuur' opnieuw opgetrokken stadsdeel met nagenoeg uitsluitend woonfunctie, het Historisch Museum Antwerpen, geen kans wil geven. "Men wil de historische stad conserveren als een beeld," aldus nog De Geyter. Volgens hem willen de beleidsverantwoordelijken alleen het historische beeld bewaren als identificatie-instrument.

Dat de politici nog niet tot structurele maatregelen zijn overgegaan betekent niet dat er sinds 'Stad aan de Stroom' niets is veranderd in het gebied langs de Schelde. De afgelopen tien jaar kreeg vooral de negentiende-eeuwse bebouwing langs de ingeslapen kaaien een nieuwe architecturale impuls uit de privé-sector. In dit verband wordt het 'maritieme' pand Van Roosmalen dat AWG, de Architectenwerkgroep rond bOb Van Reeth, tien jaar geleden op de hoek van de Sint-Michielskaai en de Goede Hoopstraat bouwde, in de literatuur als een referentie beschouwd. Het hoekpand met de zwart-witte banden verwijst naar het nooit gerealiseerde Parijse huis dat de Oostenrijke architect Adolf Loos (1870-1933) zeventig jaar geleden voor Josephine Baker ontwierp.

Van Roosmalen bracht een vernieuwingsgolf van de Antwerpse Scheldekaaien op gang, die nog steeds niet tot stilstand is gekomen. AWG zorgde in 1991 met het Zuiderterras zelf voor een nieuw baken langs de stroom. Architecten zoals Kris Mys, die zich bij eerdere verbouwingen had onderscheiden door een eenvoudige maar radicale aanpak, bouwden riante dakwoningen met zicht op de Schelde. Ondernemende projectontwikkelaars volgden, zeker toen bleek dat de stad werk begon te maken van nieuwe bestrating en herinrichting van de kaaien. Ze kochten tientallen oude panden op, braken ze af en zetten er dure flats voor in de plaats.

Nadat Georges Baines eind jaren tachtig met de galerie Ronny Van de Velde al voor een geslaagde invulling had gezorgd, werden de voorbije jaren nog vele andere stapelhuizen in de dwarsstraatjes op de kaaien aangepakt. Verschillende dienden voor de vestiging van kunstgalerijen, zodat in de buurt van het Museum voor Hedendaagse Kunst (MuHKA) een hoge concentratie van aan kunst gerelateerde activiteiten ontstond. Rond de gedempte Zuiderdokken treft men ook een grote variatie aan horecazaken die er levendig uitgaansleven deden ontstaan.

Van de projectontwikkelaars die zich op de kaaien hebben gestort, schijnen enkele zich niet louter te laten leiden door rendementsoverwegingen. Himmos, dat de door het MuHKA ingesloten bouwplek langs de Cockerillkaai kocht, is er een van. In plaats van de ophefmakend 'scheve' constructie die de bekende Franse architect Philippe Starck voor deze plek had ontworpen, liet Himmos de Antwerpse architecte Christine Conix een gebouw neerzetten. Upstream, zoals ze haar project noemde, verenigt drie functies: expositie-, kantoorruimte en wonen.

De dynamiek van de privé-sector kan bezwaarlijk betreurd worden. Alleen vloeit daaruit voort dat wonen langs de kade een exclusief voorrecht van kapitaalkrachtigen aan het worden is. Als het bestuur de stroom werkelijk aan de stad wil teruggeven, zal ze niet te lang meer bij de pakken mogen blijven neerzitten.

In hoeverre Lissabon waakt over het democratisch gehalte van de nieuwe stad is moeilijk te beoordelen, op het eerste gezicht lijkt het ook daar een kwestie van vraag en aanbod. De bewoners van de oude wijk Alfama bijvoorbeeld, in de binnenstad, blijven het liefst op hun volkse eiland met zijn wirwar van steegjes, poorten, wasplaatsen, binnenplaatsjes, kerken en het eeuwig wapperende wasgoed. Het vermaak in grote gerenoveerde panden langs de Taag trekt vooral mensen van buiten de stad. Maar in de oude volkswijken, waarvan sommige zoals de Mouraria en de Bairro Alto weliswaar grondig werden gerenoveerd, blijven de bewoners trouw aan hun eigen cafés. Een rustplaats voor de ziel van de fado, die opgejaagd wordt door toeristen op zoek naar 'authenticiteit'.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234