Zaterdag 23/01/2021

Spetterende Spencer, beklijvende Thou

The Spirit That Guides Us beet gisteren om 13.25 uur de spits af in de Club, een van de zeven podia van Pukkelpop. Daarna kwam een sneltrein op gang, die pas morgenavond om 0.45 uur zal stilvallen, wanneer Guns N' Roses hun laatste keelklank over de weide zullen hebben uitgestort. De uitgebreide festivalploeg van De Morgen brengt dag na dag verslag uit van de vijandelijkheden. Alles recenseren is - u moet het ons vergeven - onmogelijk en daarom zullen Onze Jongens zich beperken tot het opspitten van ongepolijste parels en ander fraais. Ziehier de eerste gulp. De rest krijgt u morgen en maandag.

Hasselt-Kiewit

Van onze festivalploeg

Bij ons staat ze nog helemaal nergens, maar in Engeland beschikt Dot Allison, dankzij haar cd's Afterglow en We Are Science al over een fervente aanhang. Niet onbegrijpelijk, want de koele blondine heeft meer dan één ijzer in het vuur.

Net als Beth Orton identificeert de gewezen zangeres van One Dove zich vooral met het dancemilieu: niet toevallig was ze de jongste jaren te horen op platen van techno- en triphopgezelschappen als Death in Vegas, Slam en Massive Attack. Ook in haar eigen muziek maakt ze volop gebruik van elektronica en beats, maar tegelijk verwijzen haar songs afwisselend naar de Factory-sound uit de jaren tachtig (denk aan New Order en Joy Division) en het popgeluid van de girl groups die tijdens de sixties op sleeptouw werden genomen door Phil Spector.

Op Pukkelpop liet Dot Allison zich begeleiden door een vierkoppige band waarin ze beurtelings gitaar (op één enkele snaar!) en keyboards speelde. Het sterkst kwam de chanteuse uit de hoek tijdens het pulserende 'We're Only Science', waarin de oriëntaalse motiefjes zich lieten drijven op bezwerende, trancy ritmen, en in 'You Can Be Replaced', dat met zijn zware dubbas en zijn naar eightiespop verwijzende toetsenmotiefjes probleemloos de betere popradio voor zich moet kunnen winnen.

Eigenlijk vormen Allisons liedjes een aangename synthese van veertig jaar popmuziek: klassieke snit, eigentijdse vormgeving. Het Pukkelpoppubliek liet zich alvast gewillig meeslepen, ook al koos de artieste nu en dan een pad dat er, naar ons gevoel, net iets te rechtlijnig bij lag.

De Gentse formatie Thou is zonder twijfel een van de meest onderschatte Belgische groepen van de jongste jaren. Niet dat ze niet wordt gerespecteerd: John Parish, de rechterhand van PJ Harvey, producete bijvoorbeeld haar vorige cd, Put Us in Tune, en Dave 'Barkmarket' Sardy bracht de plaat in de Verenigde Staten zelfs uit op zijn eigen label.

Maar bij iedere platenmaatschappij waar Bart Vincent en Does De Wolf de jongste maanden hun nieuwste materiaal aanboden, kregen ze onverbiddelijk het deksel op de neus. Ten einde raad besloot de groep haar nieuwe single zelf uit te brengen, in hoesjes die ze zelf, met het nodige knip- en plakwerk, in elkaar had geknutseld.

Gelukkig begint het tij stilaan te keren, waardoor u de schitterende nieuwe cd van Thou, Elvis or Betty Boop, in de loop van september dan toch in de winkels mag verwachten. Op Pukkelpop gaf het tot een kwintet aangegroeide gezelschap alvast een voorsmaakje van die plaat, en naar de reacties van het publiek te oordelen werd het gebodene behoorlijk lekker bevonden.

Karakteristiek voor de muziek van Thou zijn de mooi in elkaar hakende zangpartijen van Vincent en De Wolf. Die kwamen ook live goed tot hun recht. Het enigszins aan Talking Heads herinnerende 'Yeah! Yeah!' en het met wulpse, door Burt Bacharach bij elkaar gedroomde (maar helaas ingeblikte) toeters versierde 'Speakers' lieten er geen twijfel over bestaan: Thou maakt nog steeds superieure popmuziek. Die klonk in Hasselt-Kiewit vaak een beetje melancholisch, maar doorgaans was het melancholie met een glimlach. In het tussen jazz en wals laverende 'Go Away'' manifesteerde de in een glinsterende avondjurk gehulde Does De Wolf zich als een doorgewinterde torch singer, terwijl de twee gitaristen enkele dwarsstraten verkenden. Al net zo sterk was 'Dance Floor', waarin haar levensgezel Bart Vincent de hoofdrol speelde.

'Special Sundays' werd opgedragen aan alle blowers in de tent - Vincent: "Wat? Maar twee?" - en de bloedmooie afsluiter 'Viewmaster' diende, wegens een technisch mankement, even te worden overgedaan, maar dat kon de pret niet drukken. Bart Vincent dook van puur enthousiasme zelfs de frontstageruimte in. Conclusie: op de podia van Pukkelpop staan veel lichtgewichten, maar Thou deed ons gewoon het licht zien. En dat is geen geringe nuance.

Derde keer, goede keer werd er voor het optreden van Jon Spencer en zijn Blues Explosion gezegd en de spreker in kwestie had nog gelijk ook. Spencer is al jaren een graag geziene gast op de festivals en hij staat voor onversneden shakin' rock'n'roll. Zijn Blues Explosion verrees uit de resten van het infame New Yorkse gezelschap Pussy Galore. Van bij het begin werd Spencer bij zijn rockexploten vergezeld door powerdrummer Russell Simins en de smerig klinkende gitaarbeul Judah Bauer. Spencer zelf gaat ook graag wat loos op de gitaar en een bassist kunnen ze blijkbaar missen als kiespijn.

Onlangs verscheen de zevende cd van het trio: Plastic Fang, een plaat waarop de leden dollen met rock, punk, rhythm & blues, hardcore en hiphop. Live bleef de Blues Explosion altijd een eerder cartooneske bedoening waarbij het vaak leek alsof alle songs ter plekke werden verzonnen.

Spencer rijgt de clichés nog steeds aan elkaar, maar toch heeft hij zijn act ietwat opgepoetst. Zo is zijn gouden pak vervangen door een zwarte leren broek en een zijden hemd. Ook de wispelturige theremin (een doosje dat fluitende tonen voortbrengt) is al een tijdje van het toneel verdwenen.

In zijn huidige set vallen er nu ook een aantal songs in het geheel te onderscheiden, iets wat vroeger schier onmogelijk was. Zo passeerden met veel energie nieuwe nummers als 'Hold On' en 'She Said', naast een ronduit verrassende cover van Leonard Cohens 'Tower Of Song'. Het liedje was haast onherkenbaar rockend en de uitvoering iconoclastisch, maar hoogst effectief.

Voor de rest wentelde de onvermoeibare rocker zich in zijn oerprimitieve akkoorden en felle noise-escapades. Allemaal behoorlijk opwindend en Spencer krijgt hopen gelijk om in deze postmoderne tijden het genre zo schematisch aan te pakken. De avond begon al in te zetten en de 'Killer Wolf' breide een stormachtige finale aan een al niet echt rustige set. 'Why Don't You Love Me?', vroeg hij zich daarin vertwijfeld een paar keer af, maar van metaalmoeheid was bij Spencer hoegenaamd geen sprake.

"Get stoned. And fuck." Het advies van And You Will Know Us By The Trail Of Dead aan de toeschouwers op de Pukkelpop-weide was duidelijk. Het Amerikaanse kwartet houdt van helderheid en zegt waar het op staat.

Ook op muzikaal vlak zul je deze Texanen zelden op liflafjes betrappen. Hun zwarte punkrock met noise-angels spatte uit de luidsprekers als groengele etter uit een opengebarsten zweer. Opvallend: terwijl zijn drie collega's voortdurend woedende gezichten trokken en hyperactief bewogen, dreigde gitarist Kevin Allen aan het podium vast te vriezen, zo cool stond hij aan zijn snaren te plukken.

And You Will Know Us By The Trail Of Dead belandde halverwege even op een dood spoor - wegens te veel van hetzelfde - maar herpakte zich heerlijk met een naar MC5 verwijzende afsluiter. Gewoontegetrouw eindigde dat met de complete apocalyps: de drummer ranselde zijn kit uit elkaar, de gitaren vlogen door de lucht en de luidsprekers bleven piepen. Niet voor lang natuurlijk, want het podium moest worden vrijgemaakt voor de volgende band. Het viertal was in de coulissen verdwenen, maar wie ze nog wilde vinden, had het niet moeilijk. You could find them by the trail of sweat.

Meer zweet - nóg meer - viel er op te dweilen bij Rival Schools. We hebben zelden iemand zo hard zien 'werken' op een podium als Walter Schreifels, de zanger en gitarist van dit Amerikaanse viertal. Ook deze band komt uit de punkschool, maar in tegenstelling tot de wat uitgesponnen songs van Trail Of Dead, koos Rival Schools voor compacte liedjes met meebrulbare refreinen. En of ze werden meegeschreeuwd!

Schreifels was daarvan zo onder de indruk dat hij geregeld het hoofd boog voor de fans. Tussen de bedrijven door verbeterde hij ook het festivalrecord verspringen. Met een ware doodsverachting sprong hij, na een lange aanloop, over de frontstageruimte in het publiek. Je zou denken dat hij onzacht met de grond in aanraking zou komen, maar nee hoor, de fans strekten de armen ten hemel en vingen hem zacht op. En ze leverden hem nadien weer netjes vooraan af. Zulke fans moet je verdienen, elke dag en Rivals Schools gaf hem vervolgens opnieuw flink van jetje. De poppy punksongs stuiterden van het podium af, maar het kwartet had ook nog een verrassing in petto: vlak voor het einde bracht het een wat dubby nummer met punkwortels, een heerlijke brok muziek die aan Mark Stewart & The Maffia herinnerde.

Niet alleen de twee bovenstaande bands verdienen een tien voor inzet, ook Jimmy Eat World - de groepsnaam is vast bedacht aan het eind van een zwaar drinkgelag - krijgt dubbele cijfers. Dit viertal serveerde eveneens daverende en razende punkpop die zo luid stond dat je er pijn van in de oren kreeg. Maar voorts hoort u ons niet klagen, zelfs niet over de crowdsurfer die zijn laars achter ons rechteroor vasthaakte.

Jimmy Eat Worlds puntige nummers laten zelfs de grootste doemdenker het leven door een roze bril bekijken. Van de zijkant van het podium lipte Roos Van Acker zelfs een paar hits van de heren mee. Dat belooft voor als ze - Roos la rose dus - ooit weer muziek gaat maken.

Fred Durst is een man met vele talenten. Niet alleen staat de zanger aan het hoofd van een waanzinnig populaire metalgroep, maar daarnaast regisseert hij videoclips voor bevriende bands, baat hij een eigen platenlabeltje uit, en klust hij na zijn uren ook nog bij als talentscout. En al ligt de ene bezigheid hem beduidend beter dan de andere, toch valt het niet te ontkennen dat Durst een feeling heeft voor wat de kids vandaag willen horen.

Niet te verwonderen dus dat zijn oren spontaan begonnen te klapwieken toen vorig jaar de demo van Puddle Of Mudd in de bus viel. Dit Amerikaanse gezelschap verschilt weliswaar in niets van de honderden rockbandjes die in rijen van tien de playlist van Studio Brussel komen binnengewandeld: de gitaren klinken alsof ze onder hoogspanning staan, de zanger maakt een geagiteerde indruk en de trommelaar aanziet zijn drumstel als een betonnen muur die dringend gesloopt moet worden. Dat bleek ook in Hasselt, waar Puddle Of Mudd zowat alle mogelijke clichés op elkaar stapelde, maar daarmee hooguit de eerste twintig rijen wist te imponeren. Wesley Reid Scantlin zong alsof hij zijn stembanden de nacht voordien in kokend pek had laten weken, en ook zijn metgezellen spaarden kosten noch moeite om hun spieren te ballen.

Veel haalde het niet uit, want het resultaat oogde eerder lachwekkend dan gevaarlijk. Vaak had de Amerikaanse groep nog het meeste weg van een badeendje dat tegen beter weten in een steenarend uit zijn nest wilde verjagen. Heel af en toe schemerde er iets door dat je met een beetje goede wil een song kon noemen. Drie keer om precies te zijn: 'Control', 'Blurry' en het uit tienerfrustratie opgetrokken 'She Fucking Hates Me'. Dat was een begin. Maar lang niet genoeg om een heel optreden mee te vullen.

Teksten: Kurt Blondeel, Koen De Meester, Bart Steenhaut, Dirk Steenhaut, Christophe Verbiest. Coördinatie: Karl van den Broeck

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234