Woensdag 20/11/2019

'Soms lijken 1914 en 2014 ongelooflijk op elkaar'

Het zijn hoogdagen voor regisseur Jan Matthys. Zondagavond gaat In Vlaamse Velden in première op Een, hij won net de internationale prijs op het Biarritz-festival en sleutelt aan het scenario voor zijn eerste langspeelfilm. 'Ik vond het moeilijk om van de loopgraven naar de moderne wereld terug te keren.'

Enkele dagen voor de lancering van In Vlaamse Velden zitten we in de gezellige schuur van Matthys' gerenoveerde hoeve ten zuiden van Leuven. De schuur is ingericht als minitheatertje annex gelagzaal. De kachel brandt en er is heerlijke koffie. Matthys (44) ziet er heel ontspannen uit. "Ja, zondag is het zover. Dan laat ik de serie los. We hebben er hard aan gewerkt. Met heel veel passie. Ik ben benieuwd naar de reacties."

Matthys denkt terug aan het moment waarop hij gevraagd werd om een serie over de Eerste Wereldoorlog te regisseren. "Een van de eerste zaken die door mijn hoofd gingen, was: 'Goed dat we hier honderd jaar mee gewacht hebben.' Het feit dat de oorlog al zo lang geleden is, zag ik als een voordeel. De geschiedenis heeft honderd jaar kunnen rusten en rijpen. Dat is belangrijk.

"Aan een oorlog zitten zo veel politieke, culturele en zeker ook emotionele aspecten dat het me onmogelijk lijkt om er tien, twintig, dertig jaar na de feiten een fictieserie over te maken. De intensiteit is dan nog te hevig; de interpretatie van slachtoffers, overheidsinstanties en financierders té gekleurd. Om maar één voorbeeld te geven: wat doe je met een gegeven als het ontstaan van de Vlaamse beweging? Nu kunnen we ons een correct en niet al te emotioneel beeld vormen van de politieke en culturele gevolgen van dat fenomeen. Maar ik kan mij inbeelden dat dit vijftig jaar geleden nog veel gevoeliger lag."

In welke mate was u zelf begeesterd door de Eerste Wereldoorlog?

"Die begeestering dateert al uit mijn jeugd. Als kind gingen wij en famille elk jaar op 11 november naar het kerkhof van mijn geboortedorp Bertem. Daar ligt een gedenksteen voor de gesneuvelden van de Groote Oorlog en de bovenste naam op die steen is die van mijn overgrootvader Guillaume.

"Hij was de eerste soldaat van het dorp die aan het front omkwam. De oorlog was amper drie weken bezig. Dit familieverhaal heeft me getekend. Ik ben al heel mijn leven pacifist en vervulde mijn dienstplicht als gewetensbezwaarde. Ja, het is wel een beetje ironisch: een gewetensbezwaarde die een reeks over de Eerste Wereldoorlog mag maken."

Als regisseur stond u voor een reusachtig onderwerp en een berg aan materiaal. Hoe bent u aan de serie begonnen?

"Je hebt natuurlijk de geschiedenis als leidraad. De expertise van historici als Sophie De Schaepdrijver en Bert Govaerts was erg belangrijk. En om de tijdsgeest te begrijpen, deden we vooral beroep op dagboeken van militairen. Die bieden een heel ongefilterde kijk. Bij het lezen van die persoonlijke getuigenissen heb je echt het gevoel dat je in de oorlog zit.

"Alsof je alles herbeleeft: de sfeer van de negentiende eeuw die toen nog heerste, de nog jonge industriële revolutie en ook dat ongebreidelde optimisme dat zo kenmerkend was voor het begin van de oorlog. 'We gaan die Duitsers eens even tegenhouden", dachten velen.

"En dan zijn er nog de ijkpunten die we kennen uit onze geschiedenisboekjes. Die mag je als regisseur niet laten liggen. Het kerstbestand van 1914 was er zo één: een episode die tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. Belgische en Duitse soldaten die gedurende enkele dagen verbroederden en daarna weer op elkaar begonnen te schieten. Tegelijk moet je met dit soort elementen opletten voor clichés of een al te geromantiseerde aanpak.

"Maar ik had het geluk om met heel goede researchers en scenaristen samen te werken. Zij kwamen met een Duitse majoor die John William Anderson heette: Engelser kan volgens mij niet. In de serie maakt Anderson tijdens zijn ontmoeting met de Belgische kapitein Lemaire een grapje over zijn naam: 'Ik kan er niets aan doen', zegt de majoor terwijl hij Lemaires hand schudt. 'Ik heb nu eenmaal een Engelse grootvader.' Waarna beide heren beginnen te glimlachen en er een heel menselijk moment ontstaat. Een moment van ontdooiing. Er worden kruiken bier en Duitse wijn uitgewisseld, de twee bekijken elkaars familiefoto's. Het is belangrijk dat je met je acteurs in de echtheid van dat moment gaat. Spontaniteit is belangrijk en in zo'n geval mogen de acteurs er van mij op los improviseren. We draaiden die scène op een koude winterdag. De ademdamp van Anderson en die van Lemaire versmolten met elkaar; een cadeautje dat je in een opnamestudio nooit zou krijgen. Een kippenvelmoment."

Gedurende enkele jaren leefde u met uw hoofd in de periode van de Groote Oorlog. Wat doet dat met een mens?

"Weet u, tijdens het filmen waren er verschillende momenten dat die honderd jaren gereduceerd werden tot nul jaar. Tijdens mijn voorbereiding heb ik heel veel foto's van toen bekeken. En wat me opviel, is dat onze acteurs zich steeds meer begonnen te gedragen als mensen op die foto's. In het prille begin van de opnames droegen ze hun drinkbus en hun schop rechts, net als de soldaten in het begin van de oorlog. Maar na verloop van tijd begon iedereen zijn uitrusting anders te dragen, te customizen. Net als in de oorlog.

"Er is een beeld dat ik nooit zal vergeten. Een van de acteurs stapte voorbij: geweer op de schouder, zijn helm op de loop van het geweer. Die helm balanceerde van links naar rechts. Dat was letterlijk een beeld dat ik enkele weken daarvoor in een archief was tegengekomen. Soms lijken 1914 en 2014 ongelofelijk op elkaar. Al wat menselijk is, is hetzelfde gebleven."

U werkte vooral met heel jonge acteurs: Wietse Tanghe, Matthieu Sys, Lize Feryn. Hoe was het voor hen om in de Eerste Wereldoorlog te stappen?

"Samen met casting director Sara de Vries koos ik heel bewust niet voor wat wijhistorische koppekes noemen. Wat wij zochten waren jongeren die je evengoed op zomerfestivals tegenkomt. Het klinkt misschien wat vreemd, maar de beelden van de ramp op Pukkelpop lijken vaak heel erg op die van de Groote Oorlog. Die jongeren die haveloos door de modder stappen. Hun gezichten. Die verslagenheid. Hun ineengedoken lichamen. Zo heb ik het ook aan onze acteurs verteld en die insteek stelde hen wel gerust.

"Jongeren die het slachtoffer zijn van een ramp of geweld: het zijn beelden die vaak erg op elkaar lijken. Die foto van dat verbrande Vietnamese meisje bijvoorbeeld. Als je een collage zou maken van foto's met oorlogsslachtoffers, dan weet je op den duur niet meer over welke oorlog het nu precies gaat: Vietnam? Korea? Bosnië? Ieper? Oorlog is oorlog."

Was het voor die jonge acteurs moeilijk om zich in de sfeer van 1914 in te leven?

"Daarover heb ik met hen lange en fijne gesprekken gevoerd. Het was duidelijk dat we onze mindset drastisch moesten veranderen. Mensen van twintig zijn kinderen van een enorm gesofisticeerde informatiemaatschappij. Het zijn geëmancipeerde jongeren met vaak een sterke mening. Dat was in de Eerste Wereldoorlog helemaal anders. Jonge kerels werden met duizenden naar het front gebracht, kregen het bevel om te marcheren en zich in de vuurlinie te gooien. Zonder dat daarover al te veel toelichting werd gegeven en zonder dat die soldaten het recht hadden om te vragen: 'Waarom moeten we dit eigenlijk doen?'

"Dat maakte dat ook ik mijn aanpak moest aanpassen. Ik ben iemand die veel aandacht heeft voor het motiveren van mijn acteurs en geef altijd veel uitleg over het 'waarom' van een bepaalde aanpak. Maar voor deze film was het eerder een kwestie van: 'Oké, begin maar te marcheren en als je in het volgende dorp aankomt, weten jullie niet wat er gaat gebeuren.' Dat leverde de beste beelden op."

En zo werd de zachtmoedige Jan Matthys even een officier die bevelen gaf.

"Wel, toch een beetje. Een gewetensbezwaarde die zijn troepen commandeert. Ik heb geprobeerd om niet al te veel uit te leggen en te duiden. Oorlog is een atmosfeer met weinig begrip en empathie. Dat leverde soms speciale momenten op. Het moment waarop Jef Hoogmartens voor zijn eerste draaidag op de set arriveerde, zal ik nooit vergeten. Hij was te laat en een beetje gestresseerd want hij had op de E40 in de file gestaan. Een half uur nadat hij uit de auto was gestapt, moest hij letterlijk in de modder duiken en onder de prikkeldraad kruipen.

"Af en toe bracht die aanpak ook een vorm van apathie teweeg. Tussen verschillende opnames door hingen die soldaten-acteurs rond in de nagebouwde loopgraven. Soms kletsend, soms voor zich uit starend met een houding van: 'We zullen wel zien wat er straks gaat gebeuren.' Dan zei ik aan de cameraman: 'Draai nog maar een beetje. Dit zijn de gezichten die we nodig hebben;'"

Tegelijk zorgen die jonge acteurs waarschijnlijk ook voor een vitaliteit die je nodig hebt voor een film over frontsoldaten.

"Zo is dat: je heb de zottigheid van die jonge gasten echt wel nodig. Kerels die een rat op hun bajonet steken en daarmee de anderen aan het schrikken brengen. Van de soldaten die in 1914 naar het front trokken, kwamen er veel uit van die stille Vlaamse dorpjes. En plotseling belandden die mannen in een situatie waarin ze ongelofelijk intense dingen beleefden.

"Niet enkel de oorlog, maar ook de eerste keer vrouwen, de eerste keer drank, de eerste keer de zee. Het klinkt aanmatigend, maar ik kan me voorstellen dat er ook een kampsfeer heerste. En dan die camaraderie. Dat moeten ongelofelijke vriendschappen geweest zijn. Vriendschappen die soms letterlijk aan stukken werden geschoten."

Het moet toch een vreemde ervaring geweest zijn. Eerst een uur op de drukke E40 en dan meteen de loopgraven en een oorlog in. Hoe ging u daarmee om?

"Ja, het was raar om van de file in een nagespeelde oorlog te belanden. Steeds weer moest je die klik maken. Maar ik vond het nog veel moeilijker om van de loopgraven naar de moderne wereld terug te keren. Aan het front was het leven veel consistenter en eenvoudiger. Eens je in de loopgraven zit, is je wereld letterlijk begrensd. Daar golden geen verkeersregels en je zat niet voortdurend naar je gsm te kijken.

"En sommige dingen zorgden ervoor dat fictie en werkelijkheid verbazingwekkend op elkaar begonnen lijken. Om slagveldrook te maken, hadden we van die vuurmanden waarop we nat zaagsel strooiden. Dat gaf zo'n heel aparte geur. Langzaam maar zeker waren we aan het verruigen. En dan, na een lange draaidag, terug naar huis: terug naar het heden, de drukte, het verkeer, de telefoons. Terug naar zoveel meer impulsen."

U zei daarnet dat u ook de Vlaamse beweging en de collaboratie in de serie hebt verwerkt. Hoe hebt u dat aangepakt?

"We zijn zo neutraal mogelijk gebleven. Maar ook hier koos ik voor de menselijke aanpak. De Franstalige officieren in de serie zijn geen onmensen. Wanneer ze merken dat enkele boerenpummels niets van hun bevelen begrijpen, doen ze hun best om er enkele zinnen gebrekkig Vlaams tegenaan te gooien. Maar ook de collaboratie behandelden we zonder een oordeel te vellen.

"Philippe Boesman, een van de hoofdpersonages (gespeeld door Wim Opbrouck, KOV) is een bekend Gents gynaecoloog die zich laat overhalen om prof te worden aan de Von Bissunguniversiteit (de onder Duitse impuls opgerichte Vlaamsche Hoogeschool in Gent, KOV). Boesman komt in het foute kamp terecht en we tonen dat ook. Alleen hoop ik dat de kijkers zich kunnen verplaatsen in de tijdsgeest van toen. Want nu weten we dat die oorlog vier jaar geduurd heeft en dat de Duitsers verloren hebben.

"Maar in 1915 was de situatie veel onduidelijker. De Duitsers die Boesman in zijn Gentse herenwoning onderdak verleent, blijken erg gecultiveerd te zijn. Een van hen speelt prachtig Schubert en blijkt alles van wijn te kennen. Het klikt enorm tussen die twee, temeer omdat Boesman na zijn studies geneeskunde een specialisatiejaar in Berlijn had gevolgd. Ze gaan op een bijna hoofse manier met elkaar om. Boesman wordt steevast aangesproken met Herr Doktor. Tja, ik kan me voorstellen dat zo iemand redeneert dat de Duitsers voor altijd zullen blijven en dat het maar beter is om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Is dat collaboratie? Dat is een vraag voor historici, het is niet aan mij om daarover te oordelen."

De serie is nu klaar. Hoe is het voor u en de acteurs om dit project los te laten?

"Wel, ik hoor van verschillende acteurs dat ze het er moeilijk mee hebben. Als regisseur kon ik natuurlijk op een veel tragere en zachtere manier afscheid nemen. Na de draaidagen was er nog een hele periode van monteren en nazorg, waarbij ik opnieuw met fantastische mensen kon samenwerken: mijn vaste monteur Joris Brouwers, componist Jef Neve. In Vlaamse Velden heeft me als regisseur verrijkt. Ik zie dit echt als mijn middeleeuwse meesterproef.

"De moeilijkheidsfactoren waren echt op de spits gedreven. Om dit tot een goed einde te brengen, moesten we al onze kunde aanwenden. Als regisseur maar ook als mens heeft me dat gesterkt. Voor mij komt dit op een moment dat ik de stap wil zetten naar mijn eerste langspeelfilm. Niet dat ik dat altijd als een ultiem streven beschouwde, maar met het boek Vele hemels boven de zevende van Griet op de Beeck heb ik een onderwerp gevonden dat ik echt de moeite vind om te verfilmen."

Van de Groote Oorlog naar het intieme boek van Griet op de Beeck, dat lijkt een enorme stap.

"Het boek van Griet heeft me geraakt. Het is een verhaal van hoop. De hoop dat je als mens je eigen zelfverwaarlozing kunt tegenhouden, dat het mogelijk is om het beste in zelf naar buiten te laten komen, de hoop om je schaduwkanten naar het licht te keren. Zo veel mensen worstelen daar mee, zo veel mensen kunnen zich in dit verhaal herkennen. Dit verhaal gaat over de durf om je leven te veranderen. Uiteraard is de verfilming van Griets boek een abrupte breuk met een project over de Groote Oorlog. Maar dat vind ik ook goed. Tegelijk zal die langspeelfilm familie zijn van mijn vorige werk. Iets wat ik nooit wil verliezen is die milde blik. Misschien omdat ik met een milde blik het scherpst zie."

De eerste aflevering van In Vlaamse Velden wordt morgen uitgezonden om 21.20 uur op Eén.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234