Dinsdag 02/06/2020
Annelies Verbeke: ‘Ofwel bewonderen mensen me, ofwel willen ze me vernietigen.’

InterviewAnnelies Verbeke

‘Soms heb je het weer: iemand die jou, een vrouw, behandelt als een zesjarige’: Annelies Verbeke over haar kinderboek

Annelies Verbeke: ‘Ofwel bewonderen mensen me, ofwel willen ze me vernietigen.’Beeld Illias Teirlinck

Als kind verzon ze al sprookjes. Nu heeft de Gentse schrijfster Annelies Verbeke (44) met Patrick haar eerste kinderboek uit. Over waarheid, leugens en alles daartussenin. Tijd voor een gesprek over haar eigen kindertijd en het nu. ‘Gepest worden, dat zijn zo van die valse noten die je je hele leven meedraagt.’

“Oké, maar wanneer schrijf je nu eens een kinderboek?”, vroegen haar pluskinderen, telkens als Annelies Verbeke weer met een roman of verhalenbundel kwam aanzetten. En kijk, met Patrick levert de gelauwerde schrijfster nu haar eerste, filosofische kinderboek af, voor lezers vanaf 8 jaar. Met als rode draad een van haar geliefkoosde thema’s: wat is de waarheid? En wie heeft haar in pacht?

Met een roodgestifte glimlach en een dampende kop thee ontvangt Annelies Verbeke ons in haar werkruimte in Gentbrugge. Wat ooit een bouwvallig huisje was, volgestouwd met rommel van de vorige eigenaars, is nu een schrijfcocon met zicht op de tuin, de geur van een kachel, en de boeken netjes geordend op hun schap. Hier staat haar chaise longue – haar favoriete leesplek. Hier tikte ze, na verschillende brainstormsessies met kinderen, Patrick bij elkaar. “Niet dat ik vanuit mezelf zo’n drang voelde om een kinderboek te maken”, wuift ze weg. “Eigenlijk heb ik dit vooral voor mijn pluskinderen gedaan. Ik dacht: als ik het ooit doe, dan moet het nu. Anders zijn ze zelf geen kind meer.” (lachje)

BIO

• geboren op 6 februari 1976, woont in Gentbrugge • studeerde Germaanse talen (UGent) • debuteerde in 2003 met de internationale bestseller Slaap • haar werk verschijnt in 22 landen • verschillende boeken werden al bekroond • tien jaar samen met haar partner, plusmama van twee kinderen • brengt nu haar eerste kinderboek uit, Patrick

In Patrick maken we kennis met drie kinderen, onder wie Katinka. Haar hoofd zit vol fantasie. Was fantaseren ook voor u belangrijk?

“Als kind schreef ik al sprookjes, vaak over reuzen en dwergen. Niet dat ik zo’n schrijver ben die altijd al geschreven heeft. Maar dat genieten van de fantasie, zoals bij Katinka, dat herken ik zeker. Wat ik evengoed herken, zoals bij Mauro in dit verhaal, is om helemaal op te gaan in iets. En dan die enorme teleurstelling als het niet waar blijkt te zijn. Dat heb ik nu nog.”

Verhalen verzinnen als kind: was dat een soort vlucht uit de realiteit?

“Het was eerder een plezier dan een vlucht, denk ik. Later, als volwassene, heb ik wel ingezien dat er zeker ook een aspect meespeelt van ‘de dingen ordenen’. Dat het schrijven me daar wel in helpt: indrukken, gedachten en gevoelens ordenen, prikkels verwerken. Ik voel dat ook. Als ik een tijdje niet schrijf, word ik heel onrustig.”

We lezen hoe Katinka in haar hoofd van alles tot leven wekt, zoals haar verzonnen aap Patrick. Hebt u ooit zo’n imaginair vriendje gehad?

(lachje) “Nee, maar ik wilde het in dit boek graag over liegen hebben. En als het over liegen gaat, moet ik altijd terugdenken aan een meisje uit mijn klas. Zij ging zo hard op in haar eigen leugens. Zo maakte ze me ooit wijs dat ze thuis een paard had, Black Beauty. Ze vertelde dat ze jockey was en aan allerlei wedstrijden deelnam. Ik was daar een en al bewondering voor.

‘Mijn vader vond het spijtig dat ik geen half jaar later, toen hij in Amerika woonde, geboren was. Dan had ik ooit president kunnen worden.’Beeld Illias Teirlinck

“Tot ze op een dag bij ons thuis kwam spelen, en mijn vader haar papa feliciteerde: dat het toch wel fantastisch was wat zijn dochter al allemaal had bereikt. Maar die papa viel compleet uit de lucht, en zij stortte zich tegen hem aan, die schaamte was zo extreem. Ineens had ik het door: haar verhaal was niet waar.

“Een bijzonder rare ervaring was dat. Want dat paard – en die hele film daarover – had maandenlang in mijn hoofd bestaan. Dat die ‘werkelijkheid’ plots wegviel vond ik heel bizar.”

Wat is echt, wat onecht? Het lijkt een vraag die u erg bezighoudt. Eerder publiceerde u al een verhalenbundel met als titel Veronderstellingen.

“Toen ik die bundel schreef, besefte ik: dáár ben ik dus de hele tijd mee bezig, met hoe we tot op zekere hoogte allemaal in een soort fictie leven. Het interessante is ook welke rol we onszelf daarin aanmeten. Meestal zijn we de held, soms het slachtoffer, maar zelden de dader.

“We zijn constant aan het interpreteren en maken zo ons verhaal over de werkelijkheid. Verhalen die vaak niet met elkaar stroken. Het zou ook een gekke wereld zijn mochten we dat niet doen. Politieke partijen, bijvoorbeeld, zouden er al niet zijn.”

Is dat ook wat we massaal doen op sociale media: een personage maken van onszelf, met enkel datgene wat we willen tonen?

“We hadden dat al vóór de sociale media, denk ik. Maar nu wordt dat nog versterkt. Dat maakt dat we sterk verschillende personae kunnen hebben: eentje voor de buitenwereld, en een die daarachter zit. Denk maar aan de privéaccounts op Instagram, een soort dark web waar tienermeisjes die zichzelf mutileren elkaar vinden. Schrijnend hoe zij er dan, voor de rest van de buitenwereld, wel nog andere accounts op nahouden, waar alles happy is. Daar worden die twee gezichten echt op scherp gesteld.”

Het is geen toeval dat Mira op de eerste bladzijden van Patrick voor straf haar smartphone moet afgeven? U hebt het niet zo voor sociale media?

“Ik dacht: hop, nu kan ik die kinderen andere dingen laten doen. Anders zitten die personages misschien het hele boek door te scrollen. (lacht) Maar het klopt, ik maak me er wel zorgen over dat de kinderen in mijn omgeving zo veel met sociale media bezig zijn. Dat is zo leeg, niet?

‘Dat ik plots van mijn pen kon leven, heeft destijds voor veel na-ijver gezorgd.’Beeld Illias Teirlinck

“Eerlijk gezegd, ik ben blij dat daar in mijn kindertijd nog geen sprake van was. Neem nu pesten. Dat was er altijd al. Maar als dat cyberpesten er ook nog eens bij komt, dan stopt het niet meer aan de schoolpoort.”

Hebt u zelf kwalijke ervaringen gehad met pesten?

“Ja, ik ben wel gepest. In het derde en vierde leerjaar, later ook nog in het eerste middelbaar. Ik heb een beetje een eigenaardig uiterlijk, door mijn witte huid. Dat komt doordat ik vitiligo heb, een auto-immuunaandoening waarbij je huid pigment verliest. Zelf heb ik daar volledig vrede mee, ik heb het ook nooit lelijk gevonden. Het is alleen lastig in de zomer, want ik verbrand onmiddellijk. Dus dan ben ik constant in de weer met factor 50.” (lachje)

Maar u werd daar dus op aangepakt?

“Ik heb altijd al een rare status gehad, als kind, en nu nog. Ofwel hebben mensen een enorme bewondering voor mij, ofwel willen ze mij vernietigen. Dat is nogal op scherp gesteld, maar zo is het.

“Nu, dat pesten is nooit fysiek geworden. Ze hebben me nooit met tape vastgebonden of van die gruwelijke toestanden. Maar verbaal hakte het er wel in. Ik herinner me nog zo’n moment waarop ik in de auto zat te wenen. Ik had het aan mijn moeder verteld, en zij wilde in precieze bewoordingen horen wat ze tegen mij hadden gezegd, maar ik wilde het niet herhalen.” (kijkt weg)

Klinkt heftig. Hield u, net zoals Mira, een dagboek bij om de dingen los te laten?

“Van mijn achtste tot mijn achttiende heb ik dagboeken geschreven. Een ervan had, net zoals dat van Mira, een groot stopbord op de kaft.” (lacht)

Hebt u die dagboeken later nog herlezen?

“Een jaar of vijf geleden heb ik dat eens gedaan, dat was wel speciaal. Heel confronterend ook. Want er zijn ook dingen die ik daar niet in neergeschreven heb, maar die ik wel onthouden heb als belangrijk in mijn leven. Dingen die me erg pijn hebben gedaan, maar waarvan ik nu moest vaststellen dat ik ze zelfs in mijn dagboek niet heb aangeraakt.”

Zoals dat pesten?

(knikt) “Dat kwam inderdaad maar weinig aan bod, heel weinig. Pas op, over het algemeen had ik wel een vrij goede en zorgeloze jeugd. Maar dat pesten, dat zijn zo van die valse noten die je toch je hele leven meedraagt.

“Wat ook opmerkelijk is: ik herinner me nog twee kinderen die me op de lagere school hard hebben aangepakt, maar die nu – oprecht – op de schooltijd terugkijken alsof wij de beste vrienden waren. Vreemd, toch? Ook weer zo’n voorbeeld van hoe mensen voortdurend hun eigen verhaal schrijven, en zichzelf daarin zelden als dader zien.”

‘Ik geniet er wel van, zo thuis met de pluskinderen. En ik ben er ook beter in dan ik had gedacht.’Beeld Illias Teirlinck

In Patrick geeft u ook mee dat geloven niet hetzelfde is als weten. Hebt u ooit geloofd in wat we niet kunnen weten?

“Tegenwoordig hechten we veel belang aan wat we wetenschappelijk kunnen benaderen. Deels treed ik dat wel bij. Maar tegelijk zie je in de westerse wereld een soort onttovering, waarbij de wetenschap ook haast een religie wordt – en dus een zekere engheid in zich draagt. Die onttovering vind ik wel jammer.”

U komt uit een katholiek nest?

“Nee, helemaal niet. Mijn ouders waren atheïsten. Maar van mijn zesde tot mijn negende heb ik wel een behoorlijk intense katholieke periode doorgemaakt. (lacht) Ik vond die Bijbelverhalen zo fascinerend dat ik elk weekend in mijn eentje naar de kerk ging. Ik voélde dat ook echt: hoe God in mijn hartje zat.” (maakt zich vrolijk)

Hoe bent u dan van uw geloof gevallen?

“Dat weet ik nog heel goed. Dat kwam door mijn juf. Toen ik haar vertelde dat ik voor één keer niet naar de kerk was gegaan, maar naar een kapel, schudde ze haar hoofd. ‘Dat is toch niet hetzelfde’, keurde ze af. Toen dacht ik: als het zo zit, laat het dan maar vallen.”

In wat voor gezin bent u eigenlijk opgegroeid?

“Voor mijn zestiende was dat een heel gelukkig gezin. Daarna liep er van alles mis en zijn mijn ouders gescheiden.

“Ik heb altijd jonge ouders gehad, ze waren pas 23 toen ze mij kregen. Ze kwamen allebei uit het arbeidersmilieu, maar mijn vader was erg ambitieus en klom op tot jurist. Thuis hadden we boeken in overvloed, dus mijn leeshonger raakte goed gestild. Mijn broer en ik kregen ook best veel zelfstandigheid.

“Echt gek hoe ouders nu vaak vrij nemen als hun kinderen examens hebben. Dat was ondenkbaar bij ons.”

Klopt het dat uw vader u graag Amerikaans president had zien worden?

“Juist, ja. Ik was zes maanden toen we tijdelijk naar Michigan verhuisden. Mijn vader had een beurs gekregen om er een jaar lang te studeren. Hij vond het spijtig dat ik geen half jaar later, op Amerikaanse bodem, geboren was. Dan had ik kunnen meedingen naar het presidentschap. (gniffelt)

“Of hij trots is op wat ik nu doe? Zeker, en mijn moeder ook. Niet dat ze er van bij het begin erg in geloofden. Toen ik mijn debuut Slaap aan het schrijven was, en ik geen andere grote toekomstplannen had, weerklonk er op de achtergrond toch een steeds grotere bezorgdheid: ‘Wat is die hier nu eigenlijk aan het doen?’ Dus ze zijn wellicht heel opgelucht dat het toch goed gekomen is.”

'Staat er één lastige dronkenlap aan de toog, dan weten mijn vriend, die Senegalese roots heeft, en ik al: oké, die komt straks aan onze tafel lallen.'Beeld Illias Teirlinck

U hebt uw nieuwe boek opgedragen aan uw twee ‘cadeaukinderen’. Hoe is het voor u om plusmama te zijn?

“We hebben een heel bijzondere band: ik zie hen graag, en zij mij. Mijn vriend en ik zijn tien jaar samen, dus ik ben zogoed als altijd in hun leven geweest. Wat toch ook anders is dan wanneer je pas pluskinderen krijgt als ze al puberen.

“Je moet natuurlijk wel altijd blijven beseffen dat jij niet de ouder bent. In die zin is het een rol waar niet te veel ego bij mag komen kijken. Ook al kan ik bij bepaalde beslissingen mijn mening zeggen, ik weet dat ik niet de doorslag zal geven. Dat is aan de ouders. Maar gelukkig gaat dat goed, we zitten tot nog toe op zowat dezelfde golflengte.”

Hebt u ooit zelf een kinderwens gehad?

“Ik heb veel vrouwen horen praten over die drang om moeder te worden, op een manier die ik zelf nooit heb gevoeld. Ik heb nooit die lichamelijke wens gehad om zwanger te zijn. Toen ik vooraan in de dertig was, kwam die vraag er natuurlijk wel: ‘En, kinderen?’ Mijn toenmalige vriend zag dat niet zitten. Waarop ik wel even gedacht heb: ‘Hey, maar wat als ik er wel wil?’ Uiteindelijk is die relatie afgesprongen. En eerlijk waar, ik was blij dat we samen geen kinderen hadden. Anders blijf je toch eeuwig met elkaar verbonden, en dat had mij geen deugd gedaan.

“Zoals het nu is, met de pluskinderen, is het voor mij de geknipte situatie. Ik ben niet zo iemand met de grote moederdrang, maar ik geniet er wel van. En ik ben er ook beter in dan ik had gedacht.”

Hebt u ooit het gevoel gehad dat u een keuze moest maken: schrijven of moederen? Want kinderen nemen, net als schrijven, toch veel mentale ruimte in.

“Dat kan wel meegespeeld hebben. Weet je, als ik een koppel zie waarbij beide partners een topjob hebben én dan nog eens vier kinderen, dan denk ik soms: waarom? Je kunt het dan toch onmogelijk allemaal goed doen? Of je kunt dat wel, maar dan is er werkelijk niks anders meer.

“Dat is een vraag die je je wel mag stellen, vind ik: als mijn carrière zo’n noodzaak is, moét ik dan ook dat gezinsleven hebben? Mensen willen heel vaak én-én. Daar heb ik nooit veel last van gehad. Ik heb altijd beseft: ik ben geen supervrouw, ik ga niet proberen om voor het totaalpakket te gaan. Al valt dat schrijven zeker te rijmen nu met de pluskinderen, en met mijn relatie.”

'Het pesten is nooit fysiek geworden. Ze hebben me nooit met tape vastgebonden of van die gruwelijke toestanden. Maar verbaal hakte het er wel in.'

Over uw vriend gesproken: hij heeft Senegalese roots. Voor het toneelstuk Daar gaan we weer putte u onder meer uit uw ervaring als partner van een zwarte man. Komt racisme harder bij u binnen, sinds jullie relatie?

“Zeker, en ik merk het ook sneller op. Onlangs zat ik op de trein met drie jonge mensen rondom mij. Zegt een van hen, wijzend op een man drie zitjes verder: ‘Eikes, daar zit ne neger.’ Ik gruwel er opnieuw van nu ik het vertel. Ik voelde toen zo’n zwaarte in mij afdalen. Die praat ging alleen maar verder, en ik voelde mij echt onwel worden. Op een bepaald moment ben ik opgestaan: ‘Mag ik er even door? Want ik wálg van jullie racisme.’ Tja, dan schrikken ze natuurlijk.”

Reageert u altijd zo heftig?

“Niet altijd, zeker niet bij familie en vrienden. Want op den duur word je dan de ‘doordrammer’, en dan hebben je woorden ook geen effect meer. Het is een evenwicht vinden: wanneer hou ik me in, wanneer spring ik erop? Maar soms is het zó stuitend. Ik was onlangs op een familiefeest, mijn pluskinderen waren ook mee. Een oudere nicht, die ik niet vaak zie, vroeg dolenthousiast: ‘En, spreken ze al Nederlands?’ (rolt met haar ogen) Ik heb haar vraag toen gewoon herhaald, op een toon van: besef je nu eigenlijk wel wat je zegt?”

Uw pluskinderen vangen dus weleens opmerkingen. Hoe zit dat bij uw vriend?

“Hij leidt een weinig sociaal leven, precies omdat het altijd iets is. Staat er één lastige dronkenlap aan de toog, dan weten wij al: oké, die komt straks aan onze tafel lallen. Maar waar ik me nog het meeste aan erger, is dat anderen er altijd van uitgaan dat hij minder verstandig is, of minder kennis heeft. Dat uit zich soms heel terloops, vaak onbewust.

“Zo hadden we hier thuis eens een etentje, en het ging over sterrenkunde. Planeten, de ruimte: dat is nu echt een onderwerp waar mijn vriend veel over afweet. Maar toch porde een van onze gasten hem plots aan: ‘Sorry hoor, kerel, dat we het de hele tijd hierover hebben.’ Alsof mijn vriend niet wist waarover we spraken. Dat is dus ook zo’n moment waarop ik er dan niet op inga. Want het is een fijne avond, je wilt niet dat de sfeer omslaat. Maar die dingen, zoals intellectuele intimidatie, zijn dus dagelijkse kost.”

‘Racisme en seksisme zijn één pot nat’, stelt u. Merkt u dat ook zelf, die intellectuele intimidatie?

“Absoluut. Reacties als: ‘Tiens, heb jíj dat boek gelezen?’ Of het ongeloof: ‘Kun jij dáárover mee praten?’ En dan zwijg ik nog over de dubbele standaarden.”

'Mijn jongste was helemaal mee met het verhaal. ‘Ik ben tróts op jou’, zei ze me achteraf. Dat was een van de grootste complimenten die ik ooit heb gekregen.'Beeld Illias Teirlinck

Dubbele standaarden: wat bedoelt u?

“De manier waarop we dezelfde zaken anders benoemen. Een man is rusteloos, een vrouw hysterisch. Je zag dat ook bij de Amerikaanse presidentskandidaten Elizabeth Warren en Bernie Sanders. Twee mensen met een gelijklopende, academische aanpak. Sanders is dan de man met ongelooflijk veel dossierkennis. Terwijl Elizabeth Warren als een droge dossiervreetster wordt weggezet.

“Dat is die dubbele standaard, en dat gaat over machtsstructuren. Die machtsverhoudingen maken veel uit. Want ze bepalen wiens verhaal telt, wie recht van spreken heeft, en wie geloofwaardig is dan wel gek wordt verklaard.”

Dat doet ook denken aan #MeToo. U zegt: ‘Als ik één probleem had met die beweging, dan wel dat ze vooral focuste op lichamelijke zaken, zoals aanranding of ongewenste intimiteiten.’

“Pas op, mij zul je niet horen zeggen dat seksuele intimidatie niet gebeurt, of dat die verhalen overdreven zijn. Ook dat zijn kwalijke gevolgen van die machtsstructuren. Maar het is zoveel méér.

“Het was ook voor mij een lange weg om me daar bewust van te worden. Ik heb mezelf er ook op betrapt dat ik eerder naar boeken van mannen greep. Maar dan moet je je ook afvragen: hoe komt dat? Ha ja, omdat de volledige canon haast uit mannen bestaat. En hoe komt dat? Omdat vrouwen niet de kans kregen om die boeken te schrijven. Of, als ze het wel deden, in de psychiatrie werden gestopt zodra het succes te groot werd.”

U noemt zichzelf een feministe, een woord dat nogal wat invullingen kent. Wat betekent het voor u?

“Precies zoals het in het woordenboek staat: dat je gelooft in gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Ik vind het stuitend dat iemand zich in dat opzicht geen feminist zou noemen. Ik hoor dat nochtans vaak: ‘Ik ben geen feministe, hoor.’ Maar voor die vrouwen kleeft daar altijd iets aan vast als mannenhaat of beha’s verbranden. Allemaal zaken waar ik dus ook niks mee heb. Want ik ken evengoed feministische mannen. En ik draag graag beha’s. Ik heb er geen enkele behoefte aan die op de brandstapel te gooien.” (lacht)

Beeld Illias Teirlinck

U was 27 toen u debuteerde en doorbrak met Slaap. Was het knokken om uw plaats in de literaire wereld in te nemen?

(knikt heftig) “Zo kun je het wel zeggen. Dat ik plots van mijn pen kon leven, heeft voor veel naijver gezorgd. Sommigen maakten mij duidelijk dat ik vooral niet moest denken dat ik iets kon. Dat alle succes er kwam omdat ik vrouw ben, of sympathiek.

“Die minachting soms (schudt het hoofd). Tijdens mijn allereerste interview ooit, met een publiek erbij, vroeg de journalist: ‘Wie zijn uw epigonen?’ Ik zat met mijn mond vol tanden. Ik dacht: wat bedoelt die man in ’s hemelsnaam? Mijn boek was nog maar twee weken uit, hoe kon ik nu al navolgers hebben? Waarop die man doodleuk zei: ‘Oh ja, dat zal een te moeilijk woordje zijn, zeker? Ik bedoel: wie zijn uw grote voorbeelden?’ Kortom: hij kende zelf de betekenis van dat woord niet, maar zat mij wel te vernederen en te betuttelen voor een heel publiek.

“Dat zijn zo van die dingen waarvan ik zeker weet: dít zullen mijn mannelijke collega’s nooit meemaken. Nooit. Oké, ook voor hen is de literaire wereld soms een krabbenmand. Maar zoiets overkomt alleen vrouwen.”

Intussen zijn we een tiental boeken later. Is dat al veranderd?

“Dat betert. Maar soms, out of the blue, is het daar weer: iemand die je behandelt als een zesjarige of als een licht geretardeerd persoon. Dat blijft voorvallen, en het irriteert mij steeds meer. Al voel ik soms vooral medelijden: ‘Ocharme, zielenpoot toch.’” (lachje)

U schrijft romans, korte verhalen, theaterstukken. Nu ook een kinderboek. Hebt u die afwisseling nodig?

(knikt heftig) “In mijn prille jeugd zat ik ook al in bandjes. Ik vond het toen al bijzonder om samen met anderen iets te maken, zoals nu met het acteurscollectief Wunderbaum, of andere gezelschappen. Dat aspect van mijn schrijverschap – om af en toe met andere kindjes buiten te spelen – zou ik niet graag missen. Maar als ik dan te lang in groep heb gewerkt, wil ik ook wel terug naar helemaal alleen.”

Uw artistieke hart ligt bij het korte verhaal. Vanwaar die voorliefde?

“Ik hou van de intensiteit ervan, en ook van de verhalenbundel. Voor mij is zo’n bundel niet zomaar een rist bij elkaar gescharrelde verhalen die je nog in je lade had liggen. Ze vormen een eenheid, draaien om een gemeenschappelijk thema.

“Begin ik aan een roman, dan weet ik dat ik me op een pad begeef dat ik anderhalf jaar lang zal moeten bewandelen. Als een schaapherder die zijn kudde al die tijd in dezelfde richting moet krijgen. Bij korte verhalen is dat een andere, vrijere manier van schrijven. Korte verhalen doen ook meer hun zin, daar durf ik ook meer het verhaal laten bepalen wat er nog komt. Stel dat het mislukt, dan is dat nog geen leven vergooid.” (lacht)

Toch blijft het genre in onze contreien ondergewaardeerd. Je zou nochtans denken: een kort verhaal leest lekker vlotjes weg, in tijden waarin alles zo snel moet?

“Een kritiek die ik weleens hoor is: dan zit je juist in het verhaal, dan is het alweer gedaan. Tja! Korte verhalen vragen vaak wel een grotere bereidheid van de lezer om ergens in mee te stappen. Bij een roman kom je er dikwijls rustig in: waar speelt het verhaal zich af? Hoe zit het personage zo’n beetje in elkaar? Bij korte verhalen is dat vaak niet het geval: je valt in medias res, baf, iemands leven binnen en je moet maar mee.

“Al is het vooral een kwestie van onbekend maakt onbemind, denk ik. Kijk naar Japan, naar het Midden-Oosten. Daar genieten korte verhalen zelfs een hogere status dan romans.”

Mist u dat dan niet, die status?

(blaast) “Goh, status. Zodra je daarop hard begint door te denken, is het nooit goed. Ik wil die korte verhalen vooral zo goed mogelijk schrijven, daar ligt mijn verantwoordelijkheid.”

En dan nu ook dat kinderboek. Wat vinden uw pluskinderen er nu eigenlijk van?

“Wel, mijn jongste was helemaal mee met het verhaal. ‘Ik ben tróts op jou’, zei ze me achteraf. (Glundert) Dat was een van de grootste complimenten die ik ooit heb gekregen. Echt zalig. Dat maakt dat het voor mij nu al niet meer stuk kan, wat er ook over het boek gezegd en geschreven wordt.”

Annelies Verbeke, 'Patrick', Querido, 88 p., 9,99 euro. 8+ jaar.Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234