Vrijdag 17/09/2021

Soldaten uit het veldleger van de kunst

Heel zeventiende-eeuws Europa zocht ernaar. Of het nu oesters, konijnen, bloemen of perziken waren, het maakte niet uit. Als ze maar uit de Nederlanden kwamen. En als ze maar nep waren. De schilders uit onze contreien beschikten blijkbaar over het geheime recept dat een stilleven net echt maakte. Uit collecties van over de hele wereld bracht het Rijksmuseum in Amsterdam zeventig van die topwerken bijeen in een verbluffende tentoonstelling.

Rudy Pieters

Kadaverkunst. Het woord bestaat niet, maar het was wat mij te binnen schoot toen ik de tentoonstelling binnenkwam en er, voor ik het goed en wel besefte, oog in oog stond met een bijna levensgrote gevilde kalfskop. Letterlijk oog in oog, want midden in de bloederige massa leek het rechteroog mij verwijtend aan te staren. En daar hield het niet op. De kop lag in een vleeskraam dat een schilderij met monumentale afmetingen vulde. Waar je ook keek, je zag stukken van beesten hangen en liggen, al dan niet in gevilde toestand. De directheid waarmee het dode, rode vlees aan de toeschouwer werd aangeboden, was bijna obsceen.

Met dit overdonderende 'Vleeskraam bij een herberg' uit 1551 legde de Amsterdammer Pieter Aertsen (1507/1508-1575) de kiem voor het stilleven in de Nederlanden. Op het doek vertelt hij ook nog een bijbels verhaaltje, een scène uit de vlucht naar Egypte, maar dat heeft hij zo ver naar de achtergrond verbannen dat Maria en zoon tot figuranten zijn gedegradeerd. Door een opening in de wand van het kraam kunnen we hen nog net zien, tussen een varkenskop en een karkas door. Waar het Aertsen werkelijk om te doen was, waren de vleeswaren op de voorgrond. Hij wilde tonen hoe kunstig hij ze kon schikken en hoe echt hij ze kon schilderen.

De volgende eeuw zouden zijn collega's niet genoeg krijgen van dit soort arrangementen. Duizenden zijn er geschilderd. Het begeleidende verhaaltje was toen volledig verdwenen: als achtergrond diende nu een onbestemde ruimte, waardoor alle aandacht naar de voorgrond ging, meestal een tafel waarop alles zorgvuldig geëtaleerd en uitgelicht werd. De meest uiteenlopende materialen zo vereeuwigd, van de licht behaarde schil van perziken tot het ongelooide leer van zadeltassen, van precieus blinkende zilverbekers tot fraaie hoornvormige schelpen, van dun gesneden citroenschijfjes tot dikke boeken met verfomfaaide bladzijden, van geel-rood gestreepte tulpen tot verse in moten gehakte haringen.

Sommige taferelen zijn overweldigend door hun overdaad; hele culinaire orgieën zijn in het Rijksmuseum te zien. Andere composities blinken juist uit in soberheid, met het takje kruisbessen van de Middelburger Adriaen Coorte (1642-1719) als meest ontwapenende voorbeeld. Eén eigenschap hadden al die voorwerpen gemeen: ze waren levenloos. Voor de bekers, schalen en boeken was dat evident. Maar als bloem, vrucht of dier kwam je er alleen maar in als je geplukt, geoogst of genekt was. En wat te denken van de mens, die in vanitas- en andere stillevens alleen maar zijn schedel mocht afvaardigen? We zeiden het al: kadaverkunst.

Het stilleven stond er helemaal rond het begin van de zeventiende eeuw, een gevolg van een steeds verder schrijdende specialisering in de schilderkunst. De ene schilder was zich op landschappen of stadsgezichten gaan toeleggen, de andere bekwaamde zich in portretten, een derde maakte van historiestukken zijn handelsmerk. De stillevenschilder was het buitenbeentje. In de andere genres was de kunstenaar aan zijn onderwerp of opdrachtgever gebonden. De stillevenschilder niet. Hij werkte meestal op eigen initiatief en penseelde wat hij wilde. "Meer dan alle andere kunstenaars hield de stillevenschilder zich bezig met de imitatie van materialen in het platte vlak en hij lijkt daarbij een grotere vrijheid te hebben genoten dan de meeste van zijn kunstbroeders", zegt Wouter Kloek, hoofd van de afdeling schilderijen van het Rijksmuseum. "De stillevenschilder, zo lijkt, stelde zichzelf een taak, bepaalde zelf welke uitdaging hij aanging. Hoewel er ook stillevens in opdracht werden geschilderd bepaalde bij de meeste stillevens de kunstenaar zelf het onderwerp en de moeilijkheidsgraad ervan."

In de noordelijke en zuidelijke Nederlanden - de titel van de tentoonstelling, Het Nederlandse Stilleven, is wat misleidend - heeft die vrijheid tot een ongekende bloei van het genre geleid, met hoogtepunten die internationaal nog altijd als onovertroffen gelden. De hoge kwaliteit werd door een groot aantal schilders bereikt, ook al zeggen de meeste namen ons nu niet veel meer. De tentoonstelling toont werk van vijftig schilders. In hun onderlinge concurrentiestrijd zochten ze naar steeds moeilijker materialen en naar technieken om die materialen steeds beter te imiteren.

Het resultaat was een superieure, bijna wellustige beheersing van de stofuitdrukking. Met alleen maar verf slaagden ze erin het wittige grijs van zilver van het blauwige grijs van tin te onderscheiden, om de ene kruisbes minder doorschijnend te maken dan de andere, of om het licht op een dorstverwekkende wijze in een glas schuimend bier te laten spelen. "De zeventiende-eeuwse stillevenschilders beschikten blijkbaar over technische mogelijkheden die voor velen bereikbaar waren, maar waarvan de magische sleutel in de loop der tijd verloren is gegaan", zegt Kloek. (Over de technische trukendoos van de stillevenschilder loopt een kleine, parallelle tentoonstelling in het hoofdgebouw van het Rijksmuseum, gebaseerd op restauratieonderzoek op enkele stillevenschilderijen.)

Wie de magische sleutel bezat, leek de voorwerpen tot leven te kunnen brengen, net zoals Aertsen het dode kalfsoog had doen terugkijken. Een van de vele schitterende voorbeelden op de tentoonstelling is van Willem Heda (1593/1594-1680). Voor een zware beenham heeft hij een bord geplaatst met daarop een plakje ham. "Heda is erin geslaagd het stuk beenham zo'n volume mee te geven dat het gewicht als het ware voelbaar is; je zou er iemand een flinke klap mee kunnen verkopen", zegt Kloek. "Het plakje daarentegen heeft geen enkele stevigheid en zal, tussen duim en wijsvinger opgepakt, slap naar beneden hangen."

Het verlangen de materialen levensecht te schilderen dreef sommige kunstenaars nog een stap verder. De toeschouwer moest niet alleen de indruk krijgen, hij moest ook geloven dat de voorwerpen echt waren, een effect dat we sinds de 19de eeuw met trompe-l'oeil aanduiden. Van die illusionistische schilderijen, die bijna experimenten zijn, bestonden minstens drie types in de zeventiende eeuw. Je had de nepvoorwerpen. De Antwerpenaar Cornelius Gijsbrechts (werkzaam 1659-1675) beeldde bijvoorbeeld de achterkant van een schilderij af, waardoor je de neiging bekruipt het om te draaien. Het werk zou niet misstaan in een museum voor hedendaagse kunst. Een tweede categorie waren de valse doorkijkjes. In Londen, bij de secretaris van de hertog van York, hing zo'n levensgroot perspectiefstuk van Samuel van Hoogstraten (1626- 1678) uit Dordrecht, een leerling van Rembrandt. Het wekte de illusie dat de toeschouwer voor een deuropening stond en op een opeenvolging van kamers uitkeek.

In het Rijksmuseum is enkel de derde soort vertegenwoordigd, omdat die het meest verwant is aan het klassieke stilleven. Het zijn composities van voorwerpen die op een plat oppervlak zijn aangebracht, op een kastdeur bijvoorbeeld, of een brievenrek of houten paneel. Hun belangrijkste kenmerk is de ondiepe ruimte, waardoor voorwerpen uit het schilderij lijken te komen. In het conventionele schilderij is het schilderijoppervlak 'onzichtbaar' door de perspectiefwerking (de suggestie van diepte). In dit soort trompe-l'oeilwerken verdwijnt het schilderijoppervlak niet, omdat het schijnbaar samenvalt met bijvoorbeeld het kastdeurtje of het paneel waarop de voorwerpen zijn bevestigd. Gijsbrechts schilderde verschillende van die kabinetdeurtjes. De paperassen die hij erop vastmaakte bevatten, zoals zo vaak in dit soort trompe-l'oeils, allerlei toespelingen op de actualiteit. En natuurlijk op de schilder zelf - met zijn doortraptheid had hij tenslotte de krachtmeting met de kijker gewonnen.

Het is opvallend hoe de auteurs van invloedrijke kunsttheoretische geschriften uit die tijd maar minnetjes deden over het stilleven. Karel Van Mander (1548-1606), die de opkomst van het genre meemaakte, noemde stillevens 'beuzelingen'. Voor natuurimitaties als stillevens en portretten was geen bijzondere intellectuele arbeid nodig, vond hij; in de historieschilderkunst daarentegen kon de artiest kon wel 'gheest' tonen. Dezelfde geringschatting bij Gerard de Lairesse (1641-1711), die stillevens typisch iets voor vrouwen en 'zwakke geesten' noemde.

Aanvankelijk stond het stilleven nog op gelijke voet met andere 'lage' onderwerpen zoals portretten, maar in de tweede helft van de zeventiende eeuw werden ze helemaal naar de achterste bank van de klas verwezen. Die ideeën kwamen van de Franse académiciens en werden in de Nederlanden geïmporteerd door Samuel van Hoogstraten, nochtans zelf een meester in het trompe-l'oeil. In zijn Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst plaatste hij de 'gedenkwaerdichste Historien' bovenaan, de stukken waarin de mens de hoofdrol speelt, ook de portretten. Daarna kwamen onder meer de landschappen, marines en architectuurstukken. En helemaal onderaan bevond zich "al wat onder de naam van stil leven begreepen". Bovenaan de weldenkende mens, onderaan de zielloze natuur. Hoe laag die laagste trede wel was, verduidelijkte Van Hoogstraten met een militaire metafoor die aan duidelijkheid niets te wensen overliet. De kunstenaars die zich met stillevens inlieten waren de "gemeene Soldaten in het veltleger van de konst".

Maar het waren wel populaire soldaten. Al van bij het begin was er een groot koperspubliek voor hun werk. De meesten werkten voor de lokale markt, de topschilders waren tot ver buiten de grenzen gegeerd, tot in de hoogste kringen. Cornelius Gijsbrechts bijvoorbeeld werkte voor de Deense koning Christiaan V, de in Kortrijk geboren Roelant Saverij (1578-1639) voor Rudolf II, de keizer van het Heilig Roomse Rijk, en Jan Brueghel (1568-1625), zoon van de beroemde Pieter Bruegel, voor de Milanese kardinaal Borromeo. De uitzonderlijk hoge kwaliteit is het stilleven uit de Nederlanden wellicht fataal geworden in het begin van de achttiende eeuw. "Waarschijnlijk", zegt Wouter Kloek, "heeft de roep om topkwaliteit uiteindelijk het aantal schilders dat de uitdaging aandurfde, verminderd en is het stilleven aldus aan zijn eigen succes ten onder gegaan."

Het Nederlandse Stilleven 1550-1720 loopt tot 19 september in de Zuidvleugel van het Rijksmuseum, Hobbemastraat 19, Amsterdam. Dagelijks open van 10 tot 19 uur. Entree: 15 gulden. De catalogus kost 65 gulden. Het Rijksmuseum maakte de tentoonstelling samen met The Cleveland Museum of Art, waar de werken van 31 oktober tot 9 januari te zien zullen zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234