Zaterdag 23/01/2021

Soldaat van het geploeter

In George Orwells dagboeken gaat het over alles behalve het werk aan zijn boeken. Nauwgezet beschrijft hij de ellende van de Britse onderklasse, de bombardementen op Londen en de vorderingen van zijn dwergerwten.

Een politiek dier, noemde zijn vriend en collega Cyril Connolly hem, in een mengeling van spotlust en ontzag: "Hij kon zijn neus niet snuiten zonder te moraliseren over werkomstandigheden in de zakdoekenindustrie."

Wie zich na lezing van George Orwells bijtende satires Animal Farm en Nineteen Eighty-Four mocht afvragen op welke levenservaringen zijn politieke engagement stoelde, werd in 1973 geholpen met de bundel Een olifant omleggen. Een verhelderende keuze uit Orwells essays en beschouwingen (lees het schitterend wrange titelverhaal, een herinnering aan Orwells jonge jaren in koloniaal Birma) met één gevoelig mankement: de door vertaler en samensteller Martin Schouten beoogde selectie uit Orwells dagboeken stuitte op een onwrikbaar veto van diens weduwe.

Brandende kwesties

Eenenveertig jaar later wordt dat gemis ruimschoots goedgemaakt, met het door Nelleke van Maaren samengestelde en vertaalde Dagboeken 1931-1949. Anders dan de jaartallen in de titel wellicht suggereren, vormt de door Van Maaren bijeengebrachte selectie geen chronologisch doorlopend geheel. De notities cirkelen steeds om één brandende kwestie (zijn ervaringen als landarbeider, armoede onder de mijnwerkers, de luchtaanvallen op Londen), waarbij soms sprongen van jaren worden gemaakt.

Het portret dat uit deze selectie oprijst, bevestigt Connolly's gelijk: de literaire wereld lijkt voor Orwell niet te bestaan (zeldzame uitzondering: een sneer naar de katholieke schrijver Chesterton) en dat in deze periode zijn grote bestsellers Animal Farm (1945) en Nineteen Eighty-Four (1949) tot stand komen, moeten we in de toelichting lezen; Orwell refereert er zelf niet of nauwelijks aan. Ook over de dramatische dood van zijn geliefde Eileen, tijdens een onschuldige ingreep op de operatietafel terwijl de schrijver zelf in het buitenland is, lezen we alleen in het commentaar.

Orwells dagboek gaat over wat hem allereerst bezighoudt: maatschappelijke verhoudingen, onrecht, funeste politiek. Dat klinkt als een recept voor onleesbaarheid, maar dat Orwell excelleerde in spitsvondig, humaan en welsprekend proza, mag blijken uit het volgende citaat uit zijn Oorlogsdagboek, geschreven in mei 1941 als de Londense ondergrondse tijdens nachtelijke bombardementen als schuilkelder dient:

'Verbazingwekkende taferelen in de metrostations als je er 's avonds laat doorheen loopt. Wat het meest opvalt, is de schone, normale, huiselijke aanblik die alles nu biedt. Vooral jonge, getrouwde stellen, het soort huiselijke, voorzichtige types [...], samen gezellig onder een roze sprei. En de grote gezinnen die je hier en daar ziet, vader, moeder en een aantal kinderen, met z'n allen op een rijtje als konijnen bij de slager.'

Bijna alles wat Orwell over de oorlogsjaren schrijft, is het citeren waard (zijn afschuw van de oplaaiende sympathie voor Hitlers vijand Stalin: 'die weerzinwekkende moordenaar'). Maar haast nog indrukwekkender zijn de voorafgaande dagboeknotities over de Britse onderklasse.

Koude pens met azijn

In 1936 deed Orwell onderzoek voor de Left Book Club van uitgever Victor Gollancz naar de werkomstandigheden in het noorden van Engeland. Zijn Dagboek van de weg naar Wigan Pier beschrijft het leven van de mijnwerkers in Lancashire en Yorkshire. De uitzichtloze ellende waarvan hij tijdens zijn voettocht verslag doet - als een pionier van de participerende journalistiek - geeft zijn politieke overtuiging een extra duw naar links.

De notities over gammele huisjes 'gehuld in slierten rook' en vroeg-oude bewoners 'met touwkleurig haar, zonder voortanden' zijn effectief omdat Orwell niet lamenteert, maar registreert. Mensonterende armoede was tachtig jaar geleden kennelijk nog zo gewoon in de Britse standenmaatschappij, dat de slachtoffers er zelf weinig bijzonders in zagen, en zo tekent Orwell het ook op, compleet met informatie over het smerige eten ('koude pens met azijn') en rekensommetjes over de ontoereikende inkomsten per gezin.

Daarbij lijken zijn impressies van onder zwarte sintels bedolven mijndorpen merkwaardig veel op Tolkiens horrorland Mordor, met hun alles doordringende zwavelstank en 'angstaanjagende landschappen van afvalheuvels en rook uitbrakende schoorstenen'.

Zebravlees

Lichtelijk onbevredigend is het abrupte slot van sommige dagboekdelen. Op de ontberingen van de oorlogsjaren (april 1941: de poelier verkoopt zebravlees uit de Londense dierentuin) volgt niet de catharsis van de bevrijding, maar een abrupte verhuizing naar het Schotse eiland Jura, waar de geëngageerde schrijver plaats maakt voor een toegewijde tuinier en vogelliefhebber. Dat hij in de eenzaamheid van Jura het leeuwendeel van Nineteen Eighty-Four schrijft, blijft onvermeld.

Ook in het tuinieren is Orwell geen man van het midden. Hij waakt met argusogen over de groei van zijn knollen en rapen, incasseert akelige tegenslagen in de moestuin, en tekent plattegrondjes van de jonge aanplant, zodat we de precieze locatie van zijn kwetsbare appelboompjes kennen.

Dat botanische journaal, geen gering deel van Dagboeken 1931-1949, onderscheidt zich vooral door wat niet aan bod komt. Weinig of niets dus over zijn schrijverschap, een enkele zin over zijn aangenomen zoon Richard, hooguit incidentele informatie over de voortschrijdende tbc.

Anderzijds vormt al dat geschoffel en gewied een metafoor van zijn onverwoestbare doorzettingsvermogen op andere levensterreinen. Terwijl het ruige klimaat op de Hebriden hem tegenslag op tegenslag bezorgt, blijft Orwell onverstoorbaar de vorderingen van zijn dwergerwten noteren en als de storm weer eens alles aan stukken heeft geblazen, blijkt hij ook een slagvaardige klusser.

Een haast symbolische blijk van zijn taaiheid is ook het beknopte relaas van zijn oversteek bij ruwe zee naar het buureilandje Scarba. Als op de terugweg de motor het begeeft, moet Orwell het hele eind roeien. 'Een behoorlijke klus, het duurde zo'n twee uur.' Meteen na dat ene zinnetje boekstaaft hij een niet minder memorabele gebeurtenis: 'Sla gezaaid.'

Tuberculose

Op dezelfde schijnbaar onaangedane wijze houdt Orwell zijn laatste dagen in het ziekenhuis bij. De grote hekelaar van het totalitarisme ('Big Brother is watching you') beschrijft het naderende einde even indrukwekkend als eerder de misère van de mijnwerkers; nauwgezet en zonder grote woorden. De laatste aantekeningen, voor hij op 21 januari 1950 op 46-jarige leeftijd aan tbc bezwijkt: '22.00 temperatuur opnemen; iets te drinken. 22.30 lichten uit.'

George Orwell, Dagboeken 1931-1949, De Arbeiderspers, Privé-domein, 360 p., 35 euro.

Geselecteerd en vertaald door Nelleke van Maaren.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234