Woensdag 07/12/2022

Sofie van moll Overpelt

arel en Anita Van Moll zijn negenentwintig jaar getrouwd, werken allebei bij de Christelijke Mutualiteit en wonen op vier meter van de Oude Markt van Overpelt, diep in Limburg. Tijdens het schooljaar moet hier wellicht een beetje leven te bespeuren zijn, met een grote school langs het plein, maar nu, op een woensdagmiddag in juli, vind je er niets dan rust. Totale rust. De zon brandt verschroeiend hard op de gevels van de huizen, waarvan stuk voor stuk de rolluiken naar beneden zijn. Geen mens wandelt over het plein. Geen kinderen te bespeuren. Soms, om de tien minuten, passeert een fietser. Geruisloos. En als je goed luistert, hoor je in de verte een paar mannen aan een gebouw timmeren. Dit is de desolaatheid van een Vlaams dorp dat zijn siësta houdt wanneer het peloton in de Tour de France de achtervolging op een paar koplopers heeft ingezet.

Het is niet altijd zo geweest, herinnert Sofie Van Moll (26) zich. Sofie was presentatrice van De bedenkers, Hartelijke groeten aan iedereen en Goeie vrijdag, en is momenteel elke ochtend op MNM te horen. Ze groeide op in het gezellige rijhuis naast het pleintje waarop ze uren heeft gespeeld en waarnaar ze nu nog af en toe terugkeert, wanneer ze aan wat kalmte toe is.

Op het balkon boven het koertje van het ouderlijk huis wijst ze naar het plein en naar een paar appartementsblokken naast de deur. “Dat was vroeger ons voetbalveld”, vertelt ze. “Het was een grote wei waarop mijn vader twee goals gemaakt had met materiaal dat hij in de Gamma had gekocht. Het plein is nu een mooie parking in kasseien geworden, maar het is niet meer zoals vroeger. Toen lag dat vol met kapotte stenen waarin perfecte knikkergaten zaten. We knikkerden en rolschaatsten op dat plein, terwijl je daar nu niemand meer ziet. Waarschijnlijk zitten alle kinderen nu achter hun tv of computer.

“Mijn vriendin en ik hebben, toen we een jaar of twaalf waren, zelf een jeugdbeweging opgericht. Die heette ‘Het Pleintje’ en was voor alle kinderen die rond het plein woonden. Wij waren de leidsters en we begonnen met mijn neefje en nichtje en haar broertje en zusje. We hadden dus vier leden. Maar na verloop van tijd waren er dat achttien! Met die groep organiseerden we allerlei activiteiten op het plein. Een grote show of een tombola, waarmee we centjes verdienden. Dan konden we ijsjes gaan kopen. En als het circus kwam, stond dat ook op dat plein. De beesten stonden in de wei hiernaast. Dan gingen we spuwen naar de lama’s tot ze terug spuwden. En de mensen van het circus kwamen elektriciteit en water bij ons halen, omdat wij vooraan een kraantje en een stopcontact hadden. Daarom werden mijn broer Gust en ik altijd uit het publiek gehaald als iemand een slang rond zijn nek mocht houden.”

Sofie wijst naar nog een huis, zo’n twintig meter verder, waar haar jeugdvriendin woonde. “Vanuit onze kamers konden we elkaar zien. ’s Nachts schenen we naar elkaar met een zaklamp. We hadden codes afgesproken, zoals morse. Hier aan de muur hing een fluitje. Daarop blies ons mama heel luid als ze mijn broer en mij nodig had. Eén keer hard fluiten was komen eten. Een heel lang signaal betekende dat het tijd was om te gaan slapen.”

Wat is je oudste jeugdherinnering?

“Dat weet ik niet meer. Mijn mama heeft me verteld dat ik als enig meisje vaak niet mocht meespelen met de jongens in de zandbak. Daarom heb ik eens heel hard gebeten in de rug van Erik, mijn buurjongen, die meteen naar zijn papa moest lopen, want die was dokter. Als ik nog eens niet mocht meespelen riep ik: ‘Pas op, of ik bijt.’”

Werd je streng opgevoed?

“We wisten wat kon en wat niet. Als ik bij vriendjes thuis was, hoorde ik die kinderen wel eens roepen tegen hun ouders. Dat had ik nooit gedurfd. Mijn ouders waren altijd minder kwaad als mijn broer en ik voor elkaar opkwamen. Toen ik op internaat ging, ben ik sigaretjes beginnen te roken. Mijn broer wist dat en liet ook vaak doorschemeren dat hij dat wist. Toen mijn ouders dat ontdekten, waren ze enorm kwaad. Ze vroegen aan mijn broer of hij dat wist. Mijn broer zei: ‘Ik weet dat al lang’. Het feit dat hij daarover niets had verklapt zorgde ervoor dat ik geen straf kreeg.

“Mijn broer mocht ook langer uitgaan dan ik, maar hij had eens te veel gedronken. We gingen samen naar huis en ik zorgde ervoor dat we goed thuiskwamen. Omdat we voor elkaar opkwamen, kreeg hij geen straf omdat hij te veel gedronken had en ik niet omdat ik te laat thuis was. Als ik toch eens straf kreeg, dan mocht ik niet in een boek lezen, dan moest het licht uit in mijn kamer. Ik las vaak en graag. Als mijn broer straf kreeg, dan moest hij een boek lezen. Ik zou best blij zijn als ik later twee kinderen heb zoals wij.”

Mama Anita: “Ze heeft wel eens haar eigen rapport ondertekend, maar verder gingen de guitenstreken niet. We gaven hen genoeg vrijheid, zodat ze wisten tot hoe ver ze konden gaan. Ik geef altijd het voorbeeld van een hoopje zand dat je in je handpalm legt. Knijp je de hand toe, dan valt het zand eruit. Hou je de hand open, dan blijft het liggen.”

Sofie: “Ik kon ook zeer goed stil en alleen bezig zijn. Dan haalde ik alle kleren uit mijn kleerkast, vouwde ik die netjes naast elkaar op en deed ik alsof ik een winkeljuffrouw was. Of ik verkleedde me, legde mijn haar in een kuif en playbackte alleen in mijn kamer, voor de spiegel, met het wc-rolletje als microfoon. Toen ik klein was, droomde ik er eens van om frituuruitbaatster te worden. Dan was ik een hele middag bezig met frieten en frikandellen van papier te knippen. Ik legde die in Tupperware-potjes alsof ze in de koelkast van een frituur lagen. Ik deed gewoon alsof ik een frituur had.”

Toneelspelen zat er al vroeg in?

“Ja. Als de juffrouw in de klas wilde opruimen, dan zette ze mij in de poppenkast en dan hield ik de klas een kwartier bezig (lacht).”

Had jij als kind helden?

“Mario Cipollini en Frank Vandenbroucke. Dat waren de flamboyante mannen die de koers kleurden. In mijn kamer hing een poster van Cipollini die tijdens de Tour de France van kop tot teen in het geel over de meet kwam. Daarvoor kreeg hij dan een boete van de Tourorganisatie. Rock-’n-roll op de fiets. Frank Vandenbroucke heb ik ontmoet tijdens De bedenkers. Nico Mattan kwam naar de studio met een idee en ik wist dat Frank zou meekomen. Daar was ik verschrikkelijk zenuwachtig voor, maar ik heb met hem pinten gedronken en gelachen. Vanaf de eerste seconde klikte het. Hij had beloofd dat hij de week erna opnieuw zou komen, maar hij was er niet. Ik heb er ook van afgezien toen hij gestorven was. Daar had ik echt pijn van in mijn hart. Ik dacht: ‘Dit had nooit gemogen.’ Hij was mijn held. En wat een coureur!”

Hoe waren Gust en jij als broer en zus?

“Kat en hond. Ik haatte hem en hij haatte mij. We deden niets anders dan elkaar pesten. Als ik later thuis kwam van school had hij de deur op slot gedaan, zodat ik niet meer binnen kon. We speelden vaak ‘vechtertje’. Een van ons moest dan plat op zijn bed liggen en dan sprong de andere erop en vochten we. Heel hard. Tot we écht pijn hadden. Als er nog één stuk taart over was dat verdeeld moest worden, zeiden we: ‘Jij deelt. Ik kies eerst.’ Als er één stuk groter was dan lekte ik daar heel snel aan, omdat ik wist dat Gust het dan niet meer wilde. We hadden speelgoedtelefoons waarmee we elkaar vanuit onze kamer konden bellen. Daarmee belden we elkaar ’s nachts wakker. Als Gust huizen in elkaar knutselde met Lego, liet ik die vallen, waarop hij de haren van mijn Barbiepoppen knipte. We gunden elkaar niets. Toen ik op mijn dertiende op internaat ging in Leuven zijn we elkaar beginnen missen. Nu zijn we de beste vrienden. Twee handen op één buik. Hij weet alles van mij en ik weet alles van hem.”

Kreeg je steun van je ouders toen je al op je dertiende op internaat wilde om in Leuven aan het Lemmensinstituut te studeren?

“Ja. Ze waren niet zoals de meeste ouders die gezegd zouden hebben: ‘Haal eerst maar een normaal diploma’. Het enige wat ze zeiden was: ‘Als je het doet, dan moet je het afmaken.’ Ik begon namelijk nogal vaak iets wat ik niet volhield. Toen ik notenleer volgde, was ik al gestopt na één jaar omdat ik de juf niet kon hebben. En zij mij niet. Maar vanaf mijn vijfde volgde ik al dictie en later voordracht en toneel. Mijn ouders zullen ook wel gezien hebben dat ik op die momenten het gelukkigst was.”

Mama Anita: “Die eerste ochtend vertrok zij naar het Lemmensinstituut met de glimlach, alsof ze op kamp ging, terwijl ik stond te huilen. Later is Gust ook vertrokken. Wij hadden heel snel het legenestsyndroom. Natuurlijk vind je dat als ouder jammer, maar als je ziet dat je kinderen gelukkig zijn, dan leer je daarmee omgaan. Sofie had te veel energie voor Overpelt. Ze moest die ergens kwijt. Het Lemmensinstituut, dat was zingen en dansen en toneel spelen. Echt iets voor haar.”

Schrok het jou niet af om van Overpelt naar Leuven te gaan, toen je amper dertien was?

“Neen. Ik was telkens blij als ik op vrijdag naar huis mocht, maar als ik ’s maandags vertrok voelde dat elke week opnieuw alsof ik voor vijf dagen op kamp ging. Ik kwam daar in een groep van elf mensen terecht, die allemaal hielden van woord en taal en toneel en boeken. Allemaal mensen zoals ik. Plots mocht ik een mening hebben over wat ik mooi vond. En we klikten aaneen. Niemand viel uit de boot. Alsof ik in het paradijs terechtkwam, terwijl ik in Overpelt altijd de vreemde eend in de bijt was. We werden ook allemaal snel een beetje familie. En ik werd daar ook heel zelfstandig. Je leert hoe je voor jezelf moet zorgen. Ik was daar graag. Let wel, we werden daar zéér streng opgevoed. Pas vanaf het vijfde middelbaar mochten we één avond per week weg, van acht tot halftien. En we zaten niet in het centrum van Leuven. Daarom deelden we met vier een taxi naar de Oude Markt, waar we één cocktail konden drinken. Daarna moesten we alweer terug.”

Als je dan tijdens het weekend naar huis kwam, had je dan het gevoel dat je tijdens de week in een andere wereld leefde?

“Ja. En ik merkte ook dat veel vrienden wegvielen. Ik had een ruime vriendenkring, maar ik voelde bij veel mensen dat het ‘uit het oog, uit het hart’ was. Nog altijd heb ik vier heel goede vriendinnen in Overpelt, waarmee ik in de weekends van alles deed. Maar bij al de rest was het niet veel anders meer dan ‘hallo’.”

Verlies je ook niet veel vrienden als je in de showbizzwereld terechtkomt?

“In het begin heb ik het daar heel moeilijk mee gehad. Als je een programma maakt, dan werk je met een groep mensen voor een lange periode nauw samen. Zeg maar zeven op zeven en bijna vierentwintig op vierentwintig. Dat wordt in korte tijd een hechte vriendengroep. Na zo’n periode van twee à drie maanden was het dan afgelopen. Ik dacht dan: ‘Volgende week zullen we barbecueën en de week erop gaan we dit of dat doen.’ Dat gebeurde niet, terwijl ik dacht dat ik vrienden voor het leven had gevonden. Daarna volgde een zwart gat. Nu kan ik daar beter mee omgaan.”

Je bent altijd de jongste geweest in die producties. Heb je het er nu moeilijk mee als je mensen ziet die jonger zijn dan jij en die doorbreken op radio of TV?

“Neen. Wat ik wel heb, is dat ik me snel kwaad kan maken op iemand die commentaar geeft op jonge mensen. Ook al ken ik ze niet, altijd wil ik voor hen opkomen en duidelijk maken dat die mensen misschien lang niet altijd goed begeleid geweest zijn. Dat was destijds bij mij ook zo. Dan denk ik: ‘Ho, niet aankomen! Die mensen zijn jong.’ Hoor mij bezig. Ik ben ook jong. Ik ben zesentwintig. Maar ik ben volgend jaar wel al tien jaar aan het werk.”

Denk je: ‘Ik heb veel geluk gehad’? Of: ‘Ik heb het toch maar mooi afgedwongen?’

“In het begin heb ik alleszins geluk gehad. Ik wilde eigenlijk een jaar meereizen met Up With People. Ik heb daarvoor alles in orde gebracht en het zat er ook echt aan te komen, maar toen ging die organisatie failliet. Op dat moment liep er een spotje van Ketnet dat wrappers zocht, maar ik had toen ook net mijn ingangsexamen in Maastricht gedaan. Voor ik het goed en wel besefte, begon ik op allebei die plaatsen. Op Ketnet heb ik me rot geamuseerd en ik ben ook trots op wat we daar gedaan hebben. Ik vind het jammer dat Ketnet nooit meegerekend wordt, terwijl daar zulke toffe dingen worden gemaakt. Op de Nacht van de televisiesterren denk ik: ‘Waar is de televisiester voor beste kinderprogramma?’ Televisie maken voor kinderen wordt te veel onderschat. Kinderen zijn vaak kritischer dan volwassenen.”

Wat heb je geleerd van Bart Peeters toen je met hem De bedenkers presenteerde?

“Dat je een programma maakt met iedereen van het team en dat je altijd tegen iedereen vriendelijk moet zijn. Vroeger kwam ik heel schuchter binnen en zei ik: ‘Hallo, ik ben Sofie.’ Ik had op Ketnet namelijk ook altijd gepresenteerd had met niemand anders in de studio dan één cameraman. Dat was bovendien mijn beste vriend.”

Zijn er nog mensen met wie je graag eens zou werken of die je zou willen ontmoeten?

“(ogen gaan open) Met de acteur Benicio Del Toro.”

Niet alleen om mee te praten?

“Om eens een scène mee op te nemen (lacht).”

Voel je je een meisje van 26 of een vrouw van 26?

“Laatst zei iemand tegen mij: ‘Sofie, jij bent een meisje dat af en toe een vrouw kan zijn.’ Dat vond ik een compliment. Ik zit hier nu in een los rokje en een T-shirt en mijn haar in de war, en ik ben vaak nog een kwajongen, maar ik geniet er ook van om een uur in de schminkkamer te zitten voor opnames en hoge hakken aan te doen en een mooie jurk. Ik hoop dat het ooit zal veranderen en dat ik dan een vrouw word die af en toe een meisje kan zijn.”

Hoeveel echte vrienden heb je?

“Zes. Dat zijn mijn magische zes. Ze zijn allemaal afzonderlijk vrienden van mij, verder kennen ze elkaar niet. En ze zijn ook allemaal totaal anders. Ze zien elkaar nooit, behalve wanneer het mijn verjaardag is. En dan vind ik het fantastisch om te zien hoe het ook onder hen klikt. Als ik aan iets denk wat ik wil doen, dan weet ik ook meteen met wie van hen ik dat wil doen. Zo ga ik elk jaar met dezelfde vriendin op reis.”

Hoe reizen jullie?

“Met de rugzak. We zijn in Peru, Bolivië, Costa Rica, Maleisië, Bali en Zuid-Afrika geweest. We doen dat altijd vier weken tijdens de winter, want dan hebben we het allebei wat rustiger. Dan backpacken we, met acht mensen in een kamer in een jeugdherberg.”

Is dat vakantie voor jou?

“(luid) Jaaaaa! Al ben ik altijd wel meer moe als ik terugkeer dan wanneer ik vertrek. We proberen ook altijd veel te veel te doen als we ergens zijn, omdat we dan denken: ‘We zijn hier nu toch, dus kunnen we het maar beter doen.’ In die vier weken is er misschien één dag waarop we een vakantiedag nemen en uitslapen en op het strand liggen.”

Denk je soms niet: ik ben te vroeg begonnen met werken?

“Soms wel. Als ik veel vrienden verloren heb, dan kwam dat ook omdat ik zo vroeg werkte. Ik ben nooit echt op stap geweest. Toen ik zeventien was, moest ik op zondagochtend om zes uur in de schminkkamer in Brussel zitten. Ik heb nooit een echt studentenleven gehad. Ik heb de Toneelacademie in Maastricht gevolgd. Op Koninginnedag ging iedereen uit en moest ik gaan werken voor Ketnet. Tijdens de eerste twee jaar dat ik werkte heb ik in totaal zeven vrije dagen gehad. En niet na elkaar. Maar ik heb er ook geen spijt van en ik zou het ook niet anders gedaan hebben. Ik ben zo gelukkig als ik terugdenk aan wat ik de voorbije tien jaar heb mogen doen. Ik voel ook dat ik steeds meer vertrouwen krijg en zo steeds meer kan groeien in mijn vak. Ik ben iemand die echt heel graag heel goed wil worden in presenteren. Ik weet dat ik nog veel moet leren, en ik ben ook niet snel tevreden, maar ik heb ook al ontdekt dat tv-maken een metier is dat je kunt leren. Ik ben nu ook steeds vaker van begin tot einde bij een programma betrokken. Ik volg alle redactievergaderingen, in plaats van twee uur voor opname aan te komen en het scenario te bekijken. Televisie maken vind ik minstens even leuk als presenteren. Als er iets is wat ik meer wil doen, dan is het dat wel.”

Wat wil je nog meer doen?

“Ik wil ook wel mama worden. Ik heb altijd gedacht dat ik heel vroeg moeder zou zijn. Veel mensen zeggen: ‘Ik wil eerst geleefd hebben.’ Dat gevoel heb ik nooit gehad. Het probleem is dat je daarvoor met twee moet zijn. En dat kan nog even duren.”

Zie je rond je veel mensen met kinderen?

“Ja, plots begint dat. Ik zie steeds meer vriendinnen met kinderen. Dat is leuk, want dan kan ik al beginnen oefenen.”

Om kinderen te krijgen?

“(lacht) Ja. Maar ook om moedertje te spelen. Een vriendin is pas bevallen van een zoontje en na vijf dagen duwde ze hem al in mijn armen en moest ik hem een nieuwe pamper aandoen. Ik droom daar ook van, maar het zal wel komen wanneer het zal komen.”

Vind je het vervelend dat je nu alleen bent?

“Neen. Ik heb daar geen moeite mee. Ik heb een lange relatie achter de rug met Jenne (Decleir, acteur en zoon van Jan Decleir, BDC), maar die is anderhalf jaar geleden geëindigd. Daarna heb ik nog een korte relatie gehad, die het ook niet bleek te zijn. Met twee zijn is leuk, maar ik ben nu ook gelukkig. Als je zo hard werkt als ik, is alleen zijn misschien beter. Ik hoef morgen geen lief te hebben. En het komt wel. Ik maak me daar geen zorgen over.”

Een zomer lang gaat Zeno mensen opzoeken in hun ‘zomernest’. Een plek waar ze ontsnappen aan de waan van de dag, waar ze nest maken in de zomer. Vandaag deel 2: Sofie Van Moll, tv- en radiopresentatrice in ‘haar’ Overpelt.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234