Vrijdag 27/01/2023

Sociaal kapitaal in de Bloemenlaan

De Vlaamse Ardennen door 'Hollandse' ogen

Een ploeg van de Universiteit van Amsterdam streek de voorbije week neer in de Vlaamse Ardennen. Studenten interviewden er tweehonderd inwoners over 'maatschappelijke ongelijkheid en sociale samenhang'. Ze leerden er de Belg kennen zoals hij is: gesloten, soms welwillend, vaak zuurzoet. 'Euh, denkt er iemand in de zaal ook nog positief over de toekomst?' 'Ja, ik! Maar ik ben dan ook de buurtwerker.' Fragmentopname van een sociaal experiment. Door FILIP ROGIERS / Foto's FILIP CLAUS

- Niet aanbellen na zonsondergang.

- Geef je eigen telefoonnummer niet aan de respondenten.

- Vertrouw op je gevoel. Wanneer je je niet veilig voelt, vermijd dan de situatie of ga weg als dat mogelijk is.

(Schriftelijke richtlijnen voor de Nederlandse student op veldbezoek)

De wijk Stookt in Ronse wordt wel eens de Far West genoemd. Ruig volk, altijd rood geweest. Net zoals de aangrenzende wijk Scheldekouter, die deze week door de Nederlandse onderzoekers abusievelijk tot 't Stookt werd gerekend. Moet je niet doen, in zo'n kleine gemeenschap. Dat ontdekten de vorsers al snel toen ze woensdagavond in wijkcentrum 't Wijksken volk optrommelden voor een groepsgesprek over de tevredenheid van de bewoners met hun leefomgeving. Alle opgedaagde autochtonen (acht) gaven de vorsers die de avond zouden leiden vooraf een lesje in zéér lokale sociale geografie.

"Kijk, dit hier is de Scheldekouter. Dat daar, aan de overkant, is 't Stookt. Dat is niet hetzelfde hé", probeert de een. "Nou, prima, zetten we dat even recht op ons papier", zegt de projectbegeleidster. Maar zo kom je daar niet mee weg in Vlaanderen. Daar hoort een woordje uitleg bij, of twee.

"Ik zal het anders zeggen", zegt de ander het anders. "Zoals in 't Stookt zelf zijn niet alleen de gebouwen blokken, de straten en de wijken zijn dat ook. En de mensen. Elke straat en elke wijk is een wereld op zijn eigen. Het volk daar hangt samen. 't Is te zeggen, het hing samen. Maar vandaag niet meer hé."

Opluchting op de Nederlandse gezichten, want daarvoor - vandaag hangt het niet meer samen - zijn ze uit Amsterdam afgezakt. Projectleider Frans Thissen is een goede collega van de Vlaamse vorser Christian Kesteloot, die de Atlas van de achtergestelde buurten op zijn naam heeft staan. In de jaren negentig werd achterstelling nog bijna exclusief met steden geassocieerd. Al wie toen in de Wetstraat ook geld vroeg voor plattelandsarmoede was een tjeef. Intussen zijn ook sociale vorsers erachter dat er buiten de stad, veelal tussen de groene plooien van centrumsteden zoals Ronse of Eeklo, behoorlijk wat verdoken miserie bestaat.

Sociale geografen, zoals Kesteloot, Thissen of diens in 2006 jong gestorven KU Leuvencollega Henk Meert, hebben een bijzondere fascinatie voor de cocktail van oorzaken die leefbaarheid en/of kansarmoede in wijken uitmaken: kwaliteit en prijzen van huisvesting, ruimtelijke ordening, sociaaleconomisch beleid, demografie. Trek aan één touwtje en het hele gebouw komt mee.

Frans Thissen zelf doet daaromtrent al sinds 1987 onderzoek. Na Zeeland ontdekte hij West-Vlaanderen. Eerst stortte hij zich op het gebied tussen Schelde en Leie, vervolgens deed hij in opdracht van de provincie een onderzoek naar de betrokkenheid van jongeren in de Westhoek. En toen ontdekte Thissen de Vlaamse Ardennen en vooral Ronse: aaibaar en toch ruw, stad en platteland rug aan rug, autochtonen en allochtonen, nouveaux riches en paupers, grootstedelijke problemen en recreatiegebied. Kortom, een natte droom voor sociale geografen, één groot openluchtlabo.

"Na de Westhoek zwerfde ik op een gegeven moment nog dieper jullie land in", vertelt Thissen in een zaaltje van jeugdherberg De Fiertel met magnifiek uitzicht op een van de heuvels rond Ronse. "Ik fietste hier gedurende twee dagen rond en dacht: 'Goh, wat een interessant gebied.' En toen las ik in De Morgen ook een artikel over hoe etnische groepen uit Brussel naar Ronse verhuizen. Die mix van stedelijkheid en platteland maakt deze streek heel bijzonder."

Ronse is Vlaanderens meest achteruitgeschoven stad. Het ligt in een plooi op de grens van drie provincies, Oost- en West-Vlaanderen en Henegouwen, en twee landen, België en Frankrijk. Een 'moeilijk geval' voor de Belgische wetgever die in 1963 de taalgrens wilde vastleggen. Ronse is de grootste faciliteitengemeente van België. Om de verfransing geen vrij spel te geven, werd de stad in de jaren zeventig buiten de fusie gehouden: anders zouden die deelgemeenten ook verfransen en aan één olievlek, Brussel, had Vlaanderen wel genoeg.

Daardoor bleef Ronse een eiland. Structureel gehandicapt door zijn ligging, niet interessant voor bedrijven die just in time willen leveren. De stad wordt niet voor niets wel eens de terminus van Vlaanderen genoemd. Wat bleef, was de oude industrie, vooral textiel. Maar ook die motor sputtert nu.

Demografisch is Ronse en omstreken een tweestromenland. De autochtone bevolking vergrijst, de inwijking is duaal: jonge tweeverdieners uit het Gentse zoeken en vinden hier een betaalbaar plekje in de groene rand, allochtonen en leefloners worden uit het Brusselse of Henegouwen vaak doorgestuurd naar deze stad, waar ze zich dankzij de faciliteiten in het Frans uit de slag kunnen trekken. Ronse is alles: een beetje Gent, Brussel en Charleroi tegelijkertijd.

Op alle kansarmoede-indicatoren scoort Ronse slecht: veel kinderen geboren in kansarme gezinnen, werkloosheid, leefloners, allochtonen, slechte woningen... Maar net zo goed scoort het ommeland, de Vlaamse Ardennen, uitstekend op alle feelgoodcriteria van dagjesmensen, wielertoeristen, groenfanaten en huisje-tuintje-Vlamingen.

"De plekken waar je de grootste marginaliteit vindt onder de oorspronkelijke bewoners", weet Thissen, "zijn tegelijkertijd de plekken die de inwijkeling zo aantrekken: buitengebied, groen, ideaal voor de realisatie van de wensdroom van de bemiddelde, jonge gezinnen. Het is een situatie waar arm en rijk naast elkaar leven zonder ook maar iets met elkaar te maken te hebben. Je ziet omgebouwde hoeves, soms moderne architectonische ontwerpen midden in dat op en top Vlaamse landschap, en om de hoek zit de verdoken armoede."

"Het Muziekbos is traditioneel een goudrandje. Of kijk hier door het raam, dat straatje ginder op de heuvel", wijst Thissen naar buiten. "Dat landschap wordt opgegeten door villa's. Althans dat lijkt toch zo voor iemand met een Hollandse bril op. Wij Nederlanders zijn een beetje ordenaars. Bij ons is alles nogal uniform. We vinden de kwaliteit van het publieke domein heel belangrijk. Wat ik en mijn studenten hier merken, is dat Vlamingen meer oog hebben voor hun privédomein."

Of hoe een Nederlandse prof in één zinnetje essentie én drama van de Vlaamse ruimtelijke ordening weet te vatten.

Ronse en ommeland is veel van alles, geconcentreerd op een kleine kluit. De studenten van professor Thissen wisten soms niet wat ze zagen de voorbije week.

- We doen onze huisbezoeken met de fiets. Knap lastig hoor, al die heuveltjes.

- Bizar zicht, links zie je rijke villa's, verderop staan oude huisjes te verkrotten.

- Dit zag ik nooit in Nederland: de koeltoren van een energiecentrale in de stad!

Ook de taalkundige potpourri van deze streek is soms verwarrend voor onze noorderburen. Thissen heeft in zijn ploeg een vijftal studenten die een aardig mondje Frans praten, en de uitgebreide interviewformulieren zijn ook in het Frans beschikbaar, maar net zoals voor de Verenigde Naties of de Raad van Europa zijn de finesses van de communautaire context soms iets te ingewikkeld voor de vorsers.

"Het leek ons logisch om de Franstalige inwoners vooraf een brief in het Frans te schrijven", zegt Thissen. "Zo hebben we het ook tussen Schelde en Leie gedaan, waar je kleinere faciliteitengemeenten hebt zoals Spiere-Helkijn. Daar maakte de gemeente er geen punt van. Maar ja, daar is de schaal dan ook zo klein dat de gemeente perfect weet wie welke taal op welk adres spreekt. In Ronse ligt dat anders. Hier sturen ze alle papieren consequent in het Nederlands. Onderaan staat er dan: version française disponible."

Ronse is daar natuurlijk wettelijk toe verplicht. De circulaire-Peeters, nietwaar? Frans Thissen kent het wel, maar toch blijft het vreemd voor een buitenstaander. "Het is toch een beetje ingegeven door het idee dat het hier Vlaanderen is en, nou ja, niet dat multiculturele?"

Het kan nog ingewikkelder. In Ronse/Renaix is, zoals overal elders op de Belgische taalgrens, de belgitude veel grilliger maar ook sappiger dan de 'etnisch zuivere' tweedeling Frans/Nederlands laat vermoeden. Beeld u de lichte verwarring in die zich meester maakt van een Nederlandse student die geconfronteerd wordt met volgend tafereel: een Franstalige Ronsenaar begrijpt het 'Hollands' van de ondervrager niet, luistert met open mond naar de ondervrager, die het dan maar met school-Frans probeert, en vraagt vervolgens in het platste Vlaamse dialect aan zijn of haar buur om een vertaling in datzelfde dialect. Allo?! Qu'est-ce que je vous?

- Wat hebben we hier? Huis in de Bloemenlaan. Vind je 't onaantrekkelijk?

- Beetje wel. Het huis zelf niet, maar er ligt een bedrijfsterrein achter.

- Niet zo ongebruikelijk.

- Deze wijk hier noemen ze de meers. Is dat de naam van de wijk? Die staat niet op de kaart.

- Nee nee, meersen, zo noemen Vlamingen uiterwaarden, gebied aan de rivier.

Berchem, deelgemeente van Kluisbergen. Het oude gemeentehuis is een van de drie uitvalsbasissen voor Thissens ploeg. Vier studenten waaien er binnen en overlopen met hun prof de oogst van de dag. Thissen geeft zijn studenten nu en dan wat duiding bij de antwoorden die ze verzamelden op het zestien pagina's tellende interviewformulier.

Frans Thissen kent zijn pappenheimers, ook de Vlaamse. "Hier hebben we een vrouwelijke bediende. Ze is getrouwd met een arbeider. Interessant. Bij Kesteloot is dat een achterstellingsfactor, maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Geen vrijwilligerswerk, bijna niemand hier. Een beetje verenigingsleven, niet katholiek. Lezen geen dagblad. Maar hé, ze kijken wel naar de publieke zenders. Dat is in de studie van Mark Elchardus een kenmerk voor mensen die iets meer vertrouwen hebben in de overheid. Deze hier: geen pc, gaat niet mee in internettijden."

Bij de antwoorden op de vragen 23, 65 en 66 spitst Thissen de oren. Die gaan over het magische 'sociaal kapitaal'. Vraag 23 vraagt de geïnterviewde of hij/zij en/of de buurtgenoten iets zouden ondernemen wanneer: a) jongeren luidruchtig rondhangen op straat, b) mensen rommel of afval gooien waar het niet hoort, c) bij een oudere alleenstaande bewoner twee dagen lang de gordijnen dicht blijven, d) het vermoeden bestaat dat een kind thuis mogelijk wordt mishandeld, e) de gemeente een plan ontwikkelt dat schadelijk is voor het dorp, f) een gebouw lang leegstaat en verloedert.

Antwoorden uit een interview in een wijk met doorzonwoningen, in Etikhove. "Als ze met een brommer achter de deur lawaai maken? Jazeker, dan gaan we het vriendelijk vragen." "Afval? Melden we zeker!" "De bejaarde overbuur? Daar letten we op." "Een kind dat mogelijks mishandeld wordt? Oei. (stilte) We hebben hier gelukkig nog geen drama's meegemaakt. Dat is delicaat hé?" Op e) en f) volgt opnieuw een volmondige blijk van burgerzin.

Vraag 65 vraagt of de geïnterviewde "de meeste mensen" wel te vertrouwen vindt, "of vindt u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen?" Thissen tegen een van zijn studenten: "Let op de link hier: kijkt naar commerciële televisie en antwoordt op de vertrouwensvraag: 'Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn.' Er is niet noodzakelijk een oorzakelijk verband, maar het is vaak wel dezelfde groep. Er zit een patroon in."

Middels vraag 66 wordt het politiek-maatschappelijke zelfbeeld getest. Of hij/zij vindt dat de gemeente rekening houdt met de belangen van de burger? Of "worden de echte besluiten toch in Brussel genomen?" En wat ze vinden van de stelling: "Als burger ben je overgeleverd aan de willekeur van de overheid."

In de wijk met de doorzonwoningen zijn ze daar genuanceerd in. Het leven is daar goed, de antwoorden zijn sociaal wenselijk. Alleen de echtgenoten werken soms te lang en te veel, maar dat moet: het huis dient afbetaald. Maar stel de vraag in de buitenwijken van Ronse en we weten weer waarom er in dit land ooit zwarte zondagen waren.

- De politieke ommekeer, mevrouw.

- Ja, en vindt u dat nou positief of negatief?

- Negatief.

-Oké. (pauze) En wat bedoelt u precies met die politieke ommekeer?

- Ha, dat het VB hier alles heeft ingepalmd.

Tuinwijk Scheldekouter, woensdagavond. Als onderdeel van het onderzoek heeft Thissens ploeg enkele groepsgesprekken voorzien. Lokale antennes zoals buurtwerkers hebben die mee georganiseerd. Er stelt zich een probleem, want het zijn - zeker in een sociale woonwijk als Scheldekouter - vooral ouderen die erop afkomen, terwijl Thissen mikte op de leeftijdsgroep 25 tot 45. Heeft hij meteen een dijk van een antwoord op zijn onderzoeksvraag: vooral in een wijk als deze zijn het hoofdzakelijk ouderen die nog een beetje de sociale cohesie opzoeken. Om dan vervolgens in koor het gebrek eraan te betreuren.

Contact, of het gebrek daaraan: het vormt al snel een van de hoofdlijnen in het groepsgesprek, waarbij allochtonen de hoofdrol spelen, zij het als de grote afwezigen.

- Ik woon alleen als vrouw met allochtonen boven, onder en naast mij. En het is niet dat ik geen contact wil, maar zij willen het niet.

- Met sommigen heb je wel contact, anderen mijden u en doen alsof ge een vreemde zijt.

- Gisterenavond kwam ik op het speelpleintje met mijn hond. Daar was een allochtoon koppel met kindjes, en die waren toch vriendelijk. De kindjes mochten de hond zelfs aaien.

- Met de vreemden heb ik weinig contact. Ze zijn vriendelijk tegen ons gelijk wij tegen hen, maar om nu te zeggen dat ge er een babbeltje mee slaat, nee, dat ook niet. Goeiedag en salut, dat is het.

- Ik mag niet klagen. Soms komen ze vragen of ze mijn boodschappen moeten doen.

- Ik mag niet klagen van de buren. Het zijn Belgen.

- Burenhulp? 't Is hier ieder voor zichzelf. En als ge klaagt over het zwerfvuil, zijt gij precies de ambetanterik.

Op gele kleefbriefjes hebben de bewoners neergeschreven wat ze positief en negatief vinden aan hun buurt. Geen buurtwinkels. Nachtlawaai. Verloedering. Veroudering. Passeren verder nog de revue: alle andere indicatoren waarmee je in de jaren negentig op de lijst van het Sociaal Impuls Fonds terechtkwam. En het is nog waar ook. Het is geen geschenk om hier te moeten wonen. Mensen maken er het beste van. De verhalen kraken soms als oude platen. En toch is het geen ongezellige avond. Voor de Ronsenaren die naar 't Wijksken zijn afgezakt is dit Nederlandse onderzoek vooral nog eens een gelegenheid om in het wijkcentrum te kouten bij een koffie.

Dat wijkcentrum, zo horen we die avond meer dan eens, is de enige ontmoetingsplek die er in de buurt nog over is. U kent het verhaal: cafés, winkels en superettes gingen dicht, autochtone bevolking veroudert, jonge allochtonen en leefloners nemen de lege plekken in. Spanning op de lijn, soms ook mooie verhalen.

Niet bijzonder veel vanavond, dat is waar. Of er iemand een goed oog heeft op hoe het verder moet met deze wijk? Het wordt heel stil rond de tafel. "Nou... euh, denkt er iemand in de zaal ook nog positief over de toekomst?" "Ja, ik! (stiller) Maar ik ben dan ook de buurtwerker hé."

Bij het verlaten van de zaal komen twee studenten ons ongerust achterna gelopen. Dat de avond niet echt representatief was. Dat ze jongere inwoners hadden verwacht. En, welja, iets meer positivo. We stellen onze noorderburen gerust, maar laten ze tegelijk ook een tikkeltje in verwarring achter. Dat dit best wél representatief is, zeggen we. Dat het geen ramp is, dat we Vlaanderen kennen. In ons hoofd speelt een liedje uit de jaren tachtig. 'Bah bah Bloemenbuurt!' Van Ab van der Laak (alias Wim de Bie) and the Dixo Wankers (te zien op YouTube). Maar dat ging dan over Nederland.

Professor Frans Thissen:

Wij Nederlanders zijn een beetje ordenaars. Bij ons is alles nogal uniform. We vinden de kwaliteit van het publieke domein heel belangrijk. Wat ik en mijn studenten hier merken, is dat Vlamingen meer oog hebben voor hun privédomein

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234