Zaterdag 19/06/2021

Smetteloze huizen, troebel verleden

De man stierf in zijn zwembroek vijftig jaar geleden. Maar dat is een voetnoot in het rijk gevulde leven van Le Corbusier. Verguisd door fans van fermettes, met een troebel oorlogsverleden, en nog altijd relevant.

Vanuit mijn slaapkamer in Parijs zie ik in de verte de Eiffeltoren. En van op mijn terras op de achtste verdieping kijk ik binnen bij twee illustere buren: Maison La Roche en Maison Jeanneret, van architecten Le Corbusier en neef Pierre Jeanneret.

Ik heb een jaar gestaard naar stellingen en schilders en verfpotten met talloos veel varianten gebroken wit. Maar sinds enkele weken ziet alles er weer uit zoals in 1925, het geboortejaar van mijn grootvader, toen de Zwitserse kunstverzamelaar Raoul La Roche en de broer van Le Corbusier, Albert Jeanneret, erin trokken.

De twee woningen vormen van buiten gezien één geheel. Ze staan in het midden van een blok oude herenhuizen, verborgen voor buitenstaanders. Discreet, maar niet echt bescheiden.

Achter de twee woningen, precies in het midden, rijst een torenhoge pijnboom, de enige boom in mijn onmiddellijk gezichtsveld die 's winters groen blijft. En daarachter fonkelen 's avonds de lichtjes van voetbalstadion Parc des Princes, soms, als de wind in de juiste richting blaast, vergezeld van het gejuich en gebral van de supporters van PSG - het is een mooi uitzicht.

Tijd ver vooruit

Maison Jeanneret verstrekt sinds 1970 onderdak aan de Fondation Le Corbusier, de stichting die het nalatenschap van de architect beheert, en het gebouw destijds heeft gekocht met de opbrengst van een schilderij van Picasso uit zijn privécollectie. Maison La Roche, door de eigenaar geschonken aan Le Corbusier in 1959 (de man had geen erfgenamen), is een goedbewaarde museumwoning. Het is er voor altijd 1925. Of 2025. Want Le Corbusier was zijn tijd ver vooruit. Misschien zaait hij daarom nog altijd tweedracht, ook 50 jaar na zijn dood.

Op het wandelpad voor Maison La Roche staan elke dag enthousiaste groepjes architectuurtoeristen, met of zonder selfiesticks, bedevaartgangers in het walhalla van het modernisme.

Maar elders wordt Le Corbusier nog altijd heftig verfoeid: voor de aanhangers van fermettes, kastelen en andere vormen van traditionele bouwkunst, heeft de architect het moderne appartementenblok op zijn geweten en dus de verwoesting van de beschaafde wereld met iedereen zijn eigen huisje en tuintje.

Le Corbusier, geboren als Charles-Edouard Jeanneret-Gris in 1887, groeide op in Zwitserland. Zijn vader was horlogemaker. Nadat hij op zijn 19de al een eerste woning bouwde, Villa Favet, studeerde hij in de vroege jaren 1910 bij de Duitse architect Peter Behrens. In die periode leerde hij Ludwig Mies van der Rohe kennen, en Walter Gropius, voorname collega's. Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ruilde Jeanneret Berlijn in voor Parijs, en Behrens voor de broers Perret, pioniers inzake gewapend beton (na de Tweede Wereldoorlog ontwierp de in Elsene geboren Auguste Perret een nieuw stadscentrum voor het platgebombardeerde Le Havre). De jonge architect hoopte na het einde van de Grote Oorlog zijn in Duitsland gevormde visie op stedenbouw en architectuur in Frankrijk te kunnen toepassen (tevergeefs), en begon daarom anno 1917 zijn eigen bureau in Parijs. Maar dat hield Corbusier niet lang uit. Na enkele maanden besloot hij zich volledig te wijden aan zijn andere passie, de schilderkunst (hij deed naar eigen zeggen aan purisme, een zachtere vorm van kubisme), en aan een tijdschrift L'Esprit nouveau, dat hij begon met schilder Amédée Ozenfant en dichter Paul Dermée. Het blad, dat verscheen van 1920 tot 1925, leunde politiek dicht aan bij de ideeën van dokter Pierre Winter, chef van de Parti fasciste révolutionnaire, en een goede vriend van de architect (ze begonnen samen een ander blad, Plans, waarin volgens historici de antisemitische ideeën van de nazi's werden verdedigd).

In L'Esprit nouveau doopte Charles-Edouard Jeanneret zichzelf Le Corbusier. Het pseudoniem, waarmee hij verschillende artikels signeerde, was een verbastering van de naam van zijn grootvader, Lecorbésier.

Witte dozen, affaires en tonnen ambitie

In 1922 lonkte de architectuur opnieuw. Le Corbusier opende een studio met zijn neef Pierre Jeanneret in Rue de Sèvres. Nog geen jaar later publiceerde hij zijn eerste echt belangrijke boek, Vers une architecture. Het duo bouwt in die periode hoofdzakelijk privéwoningen, witte dozen, puur en minimalistisch - Maison La Roche en Maison Jeanneret behoren tot de vroegste voorbeelden.

In de Parijse banlieue verrezen de wereldberoemd geworden Villa Savoye (in Poissy) en de veel minder bekende Villa Stein (in Garches). Hij streek ook neer in Antwerpen, met Maison Guiette, uit 1926, een ontwerp met typisch Belgische dimensies - heel diep, met een façade van zes meter breed en een trap die verwijst naar de jakobsladder uit Charlie Chaplins The Kid.

Het radicale modernisme van Le Corbusier en Jeanneret was niet feilloos. Pierre en Eugénie Savoye moesten met een rechtszaak dreigen voor Le Corbusier ook maar iets ondernam tegen de waterlekken in hun witte blokkendoos.

In 1930 werd Le Corbusier Fransman. Datzelfde jaar trouwde hij met Yvonne Gallis, een model uit Monaco, 8 jaar na hun eerste ontmoeting. Er was ook een stormachtige affaire met het in bananenrokjes gehulde musicalfenomeen Josephine Baker, die hij op een schip met bestemming Buenos Aires had leren kennen (de danseres reisde in het gezelschap van haar echtgenoot), en een lange, buitenechtelijke relatie met een Zweedse.

Yvonne verbood haar man om aan tafel over architectuur te praten, en ze had soms haar eigen idee over het modernisme. Toen Le Corbusier in 1933 een glazen duplex bouwde op het dak van hun appartement, klaagde ze dat ze gek werd van al dat licht. De nochtans zeer vooruitstrevende bidet die haar man in de slaapkamer installeerde, vond ze ook maar niets.

In het midden van de jaren 30 was Le Corbusier een beroemd architect, met tonnen ambitie. Hij reisde de wereld rond, op zoek naar grote projecten. De architect geraakte uitgekeken op privéwoningen. Hij wilde steden bouwen, liefst ex nihilo, uit het niets. Op zijn tafel hertekende hij Algiers, Genève, Moskou, Parijs, Stockholm, en de Antwerpse Linkeroever. Maar het bleef bij plannen. Hij tracht projecten te slijten aan Stalin en aan Mussolini, die hij bewonderde. "Het spektakel dat Italië thans biedt, kondigt de imminente dageraad aan van de moderne geest", schreef hij, eerder archaïsch voor een modernist, in een brief aan zijn moeder. Het enthousiasme was niet wederzijds. Mussolini, die om politieke redenen Italiaanse architecten verkoos, had geen enkele interesse in de plannen van de Fransman voor een nieuwe Ethiopische hoofdstad.

Grote schoonmaak in Europa

In 1940 verbrak Le Corbusier zijn samenwerking met Jeanneret. Hij schaarde zich achter maarschalk Pétain, leider van bezet Frankrijk, en verklaarde zich verheugd over wat hij "de grote schoonmaak" van het nazisme noemde. "Als hij oprecht is," schreef de architect aan zijn moeder, "kan Hitler zijn leven bekronen met een grandioos project, de herinrichting van Europa."

Le Corbusier volgde Pétain naar Vichy, de tijdelijke hoofdstad van Frankrijk. Hij werd er raadgever inzake urbanisme auprès du gouvernement en publiceerde in die functie publicaties, waaronder La charte d'Athènes. In die tekst pleitte hij voor functionele steden, waarin verschillende activiteiten in verschillende zones zouden worden ondergebracht, met aparte, duidelijk onderscheiden gebieden voor wonen, werken, winkelen en entertainment, groen en industrie.

De flirt met Pétain duurde tot 1942. Zijn belangrijkste project, een stedenbouwkundig plan voor Algiers, werd geweigerd, en hij keerde terug naar Parijs, waar hij in 1943 consultant werd van Alexis Carrel, de theoreticus van het eugenetica (wetenschap naar alle factoren waardoor de erfelijke eigenschappen van de mens verbeterd kunnen worden, red.), en begon met de Assemblée des constructeurs pour la rénovation architecturale, kwestie van de naoorlogse reconstructie alvast voor te bereiden. Le Corbusier kon nochtans niet meer dan enkele troostprijzen in de wacht slepen, stadsplannen voor Saint-Dié, Saint-Gaudens en La Rochelle.

Na de oorlog stelde Le Corbusier zich voor als een slachtoffer van het pétainisme. En dat lukte wonderwel, dankzij de steun van de machtige minister van Cultuur, André Malraux, die hem beschouwde als de grootste architect van de 20ste eeuw.

Hij kon voortaan de woonfabrieken bouwen waarvan hij al sinds de jaren 20 droomde. En zijn Charte d'Athènes werd wereldwijd een bijbel voor urbanisten.

En toch. Le Corbusier was "een man met totalitaire dromen en een cynisme van gewapend beton", volgens historicus Xavier de Jarcy in een recent boek over de duistere kant van de architect, Le Corbusier, un fascisme français.

Woonmachine

De architect maakte zijn sterkste werk in de laatste 20 jaar van zijn leven, te beginnen met de Unité d'habitation van Marseille. Dat in 1952 voltooide appartementsgebouw was een woonmachine, een verticale stad op betonnen stelten, met behalve fantastische duplexappartementen ook een eigen winkelstraat, een kleutertuin, een turnzaal en een looptrack op het dak. Het was bedoeld als een gebouw voor mensen met doorsnee inkomens, maar dat lukte alleen dankzij hevige subsidies. Het blijft een fantastisch gebouw, al is de winkelstraat nu grotendeels gevuld met architectuurstudio's (de Casino-superette is al jaren dicht, maar er is tegenwoordig wel een goede brasserie, en een hotel). Le Corbusier bouwde gelijkaardige blokken in Rezé-les-Nantes, Briey-en-Fôret, Firminy en Berlijn.

Dan waren er nog de kapel Notre Dame du Haut in Ronchamp en het klooster van La Tourette in Eveux, twee brutalistische meesterwerken. Hij tekende kleinschalige projecten, zoals het paviljoen van Philips voor Expo 58 in Brussel (het zogeheten Poème electronique, in samenwerking met componist Edgard Varèse), en grootschalige, zoals Chandigarh, de Punjaabse hoofdstad die hij ontwierp in opdracht van de Indiase autoriteiten, opnieuw samen met neef Pierre Jeanneret. De werken sleepten aan tot in 1985, 20 jaar na zijn dood.

Extroverte, dominante macho

Hij overleed op wandelafstand van wat misschien zijn meest intieme ontwerp was, Le Cabanon, een hut van 366 bij 366 centimeter, 226 centimeter hoog, die hij circa 1950 voor zichzelf installeerde op een rots in Roquebrune-Cap-Martin. Een piepkleine, in Corsica geprefabriceerde leefruimte zonder veel comfort.

Een eigenaardig zelfingekeerd project voor een doorgaans zo extroverte, dominante macho. Zo nijdig was hij op het modernistische huis E-1027 van Eileen Gray in Roquebrune dat hij eind van de jaren 30 de maagdelijk witte muren bekladde met fresco's en op die manier, volgens Gray, die er toen niet meer woonde, de ziel van de woning vernielde. Er bestaan foto's van Le Corbusier in het huis, naakt, penseel in de hand, triomfantelijke blik in de ogen. Het huis is onlangs gerenoveerd, muurschilderijen inbegrepen (een recente verfilming van het leven van Gray, The Price of Desire, focust onder meer op de strijd tussen de twee architecten).

Le Corbusier overleed in zee en zwembroek, op 27 augustus 1965, aan een hartstilstand, ter hoogte van Cap Martin. Hij ligt begraven met uitzicht op het azuurblauw van de Méditerranée, naast Yvonne, onder een door hemzelf ontworpen betonnen grafsteen. Zelfs zijn laatste rustplaats had de architect op zijn tafel uitgetekend, volledig in de lijn van zijn leven.

Tentoongesteld

De Fondation Le Corbusier stelt in de kunstgalerie van Maison La Roche, zestien werken van hedendaagse kunstenaars tentoon, onder de titel Re-Corbusier (nog tot 6 juli).

Fondation Le Corbusier, square du Docteur Blanche, zestiende arrondissement, fondationlecorbusier.fr

Tot 23 mei loopt in de Studio Willy Rizzo een kleine tentoonstelling met portretten van Le Corbusier door de legendarische Franse fotograaf. Rizzo en Le Corbusier leerden elkaar kennen in 1953, en de architect poseerde regelmatig voor hem.

Studio Willy Rizzo, rue de Verneuil 12, zevende arrondissement, willyrizzo.com

Het Parijs van Le Corbusier

Toen ik pas in Parijs woonde, fietste ik bijna elke week naar Le Corbusiers Parijse hoofdkwartier voor het Leger des Heils, het in Mondriaan-kleuren geschilderde Cité de Refuge (Rue Cantagrel 12, in het dertiende arrondissement). De liefdadigheidsorganisatie had daar behalve 500 bedden voor daklozen ook een enorme tweedehandszaak, waar je altijd wel een afgedankt kledingstuk, een grammofoonplaat of meubel kon vinden voor relatief weinig geld - ik herinner me, circa 1997, een paar lederhosen dat ik na lang twijfelen toch maar heb laten liggen. De zonovergoten, enorme winkel werd meer dan 10 jaar geleden gesloten, en in die tijd is de hele buurt onherkenbaar veranderd (de legendarische, mysterieuze Rue Watt, onder de spoorpartijen van station Paris Austerlitz, ligt om de hoek, volledig gemassacreerd). De Cité de Refuge, dat momenteel in de steigers staat voor renovatiewerken, ontvangt nog altijd daklozen. Het Asile Flottant, een in 1921 door Le Corbusier ingericht schip voor daklozen, dobbert nog altijd op de Seine.

Maison Planeix (boulevard Massena 24bis) bevindt zich op wandelafstand van Cité de Refuge. Le Corbusier en Jeanneret bouwden de asymetrische atelierwoning in 1927 voor beeldhouwer Antonin Planeix (te bezichtigen op afspraak). In het veertiende arrondissement, een korte tramrit verder, bevinden zich het Maison Atelier Ozenfant, ontworpen in 1922 (avenue Reille 53, niet toegankelijk voor publiek), en twee gebouwen in de Cité Universitaire, een park met studentenresidenties van een pak legendarische architecten. Le Corbusier tekende het Pavillon Suisse (1933), en het Maison du Brésil (1957, in samenwerking met de Braziliaanse architect Lucio Costa), twee van Le Corbusiers spectaculairste gebouwen in Parijs. Cité Universitaire is 's zomers ook perfect voor een picknick.

Maison La Roche en Maison Jeanneret liggen half verborgen aan het eind van een steeg (Square du Docteur Blanche 10, zestiende arrondissement). Maison La Roche, een van de vroegste voorbeelden van de architectuurprincipes van Le Corbusier, dient als museumwoning. Niet ver daarvandaan bevindt zich ook het Appartement Atelier Le Corbusier, de studio en privévertrekken van de architect, uit 1931 (op de zevende verdieping van Rue Nungesser et Coli 24, zestiende arrondissement, alleen open op zaterdag, praktische info en reservatie op de website van de Fondation Le Corbusier, fondationlecorbusier.fr).

In Boulogne, net voorbij de Parijse stadsgrenzen, staan twee huizen van Le Corbusier, Villa Cook en Maison Ternisien, beide uit 1926. Nog verder in de banlieue bouwde Le Corbusier de Villa Stein-de-Monzie (in Garches, 1927) en Villa Savoye (in Poissy, 1929). De laatste is mooi gerestaureerd, en toegankelijk (een korte rit met RER of voorstadstrein). Maison Jaoul, in Neuilly-sur-Seine, dateert van 1952 en is een mooi voorbeeld van de latere, meer brutalistische stijl van Le Corbusier.

De meubels van Le Corbusier

"We borduren hier geen kussens", zou Le Corbusier hebben gezegd toen designer Charlotte Perriand onaangekondigd bij de architect kwam solliciteren. Maar in 1927 wierf hij Perriand toch aan als interieurarchitect en meubelontwerper voor zijn praktijk. Ze bleef er 10 jaar op de loonlijst. In 1929 ontwierpen Le Corbusier, Perriand en Pierre Jeanneret (zijn neef, en naar verluidt ook de minnaar van Perriand) een reeks iconisch geworden stoelen - bedoeld voor het vier jaar eerder voltooide Maison La Roche in Parijs, de fauteuilsLC1enLC2 Grand Confort, de chaise longue LC4en de draaistoel LC7.

Veel later, in 1964, ondertekenden de drie ontwerpers een exclusiviteitscontract met de Italiaanse fabrikant Cassina voor de productie van het meubilair. Een jaar later, precies een halve eeuw geleden, werd de LC-collectie gelanceerd, en die is nog altijd in productie. In 2015 zijn de stoelen technologisch geavanceerder - ze worden niet langer artisanaal vervaardigd, maar industrieel (de staalstructuur wordt niet langer gelast, maar geplooid, en de kussens zitten comfortabeler). Sinds eind vorig jaar wordt ook een milieuvriendelijker, minder giftig chroom gebruikt, en biologisch leder, alsook een simili-leder met minder impact op het leefmilieu. Onlangs werd het kleurenpalet lichtjes gewijzigd, op basis van de analyses van de originele meubels in privécollecties en archieven. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de overeenkomst zijn de LC-meubels verkrijgbaar in miniatuurversie, uitgevoerd met dezelfde leders en kleuren als de originelen.

De negentigste verjaardag van Maison La Roche wordt gevierd met een bijzondere editie van de LC2, in negentig exemplaren (bruingelakte staalstructuur, zachtere, met dons gevulde kussens en tabakskleur). De tafel LC6, ook van 1929, maar destijds ontworpen voor het Salon d'Automne, is nu verkrijgbaar met nieuwe afwerkingen - een tafelblad in wit Carrara-marmer of zwartgelakt glas met soft touch-vernis.

Cassina bracht voor de gelegenheid ook een reeks door Le Corbusier geïnspireerde tafeltjes uit van de Spaanse designers Jaime Hayon.

De lampen van Perriand en Le Corbusier zijn sinds enkele jaren ook opnieuw verkrijgbaar, bij fabrikant Nemo Lighting.

De mens van Le Corbusier

Le Corbusier hield van orde en hiërarchie. Hij was ervan overtuigd dat alles meetbaar is - gevoelens inbegrepen. In zijn architectuur combineerde hij mathematica met mensenmaat. "De menselijke diersoort bouwt geometrische cellen," vond hij, "net als bijvoorbeeld bijen."

De proporties van Le Corbusiers gebouwen zijn uitgedokterd met het mensenlichaam in gedachten. In 1943 bedacht hij daarvoor de Modulor, een meetsysteem gebaseerd op de lengte van een doorsnee man: 183 centimeter, en 226 centimeter als diezelfde man zijn armen uitstrekt, plafondwaarts. 'Mesures de l'homme', de grote overzichtstentoonstelling van het
Centre Pompidou in Parijs - er zijn meer dan 300 schaalmodellen, ontwerpen, schilderijen en foto's te zien - gebruikt Le
Corbusiers fascinatie voor het mensenlichaam als rode draad. Tot 3 augustus.

centrepompidou.fr

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234