Zondag 26/06/2022

Slavenzoon, zanger, filmster,

Op de uitreiking van de Grammy's enkele weken geleden kreeg hij een Lifetime Achievement Award, hoewel hij al 22 jaar dood is. Maar Paul Robesons lifetime was dan ook uitzonderlijk. Deze slavenzoon blonk uit in alles wat hij aanpakte en werd in de jaren veertig de beroemdste Amerikaanse ster ter wereld genoemd. Later werd hij verguisd en op de zwarte lijst gezet vanwege zijn linkse standpunten en zijn sympathie voor de Sovjet-Unie. Vandaag is Robeson voor vele Amerikanen, vooral jongeren, een illustere onbekende. Zijn bewonderaars hopen daar dit jaar verandering in te brengen met honderden manifestaties naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag op 9 april.

Jacqueline Goossens

Robeson is een van de grootste genieën uit de Amerikaanse geschiedenis," zegt tentoonstellingsmaakster Julia Hotton van de New York Historical Society, die voor de gelegenheid uitpakt met de grootste collectie Robeson-memorabilia die ooit werd tentoongesteld. "Robeson was een succesrijke filmacteur, muzikant, zanger, theater-ster, atleet, advocaat en een pionier in de strijd voor raciale en economische gelijkheid." Het is een hele mondvol, maar Robesons prestaties zijn, tegen de historische achtergrond van onbarmhartige en wettelijke discriminatie tegen zwarten, ontegensprekelijk duizelingwekkend.

Hij werd geboren in Princeton, New Jersey, op 9 april 1898. Zijn moeder was lerares. Ze kwam om in een brand toen hij zes jaar oud was. Hij werd opgevoed door zijn vader, een ontsnapte slaaf, die dominee was geworden van de plaatselijke African Methodist Episcopal Church. De jonge Robeson was intelligent en leergierig en was een van de eerste zwarte studenten die werden toegelaten in Rutgers University. Hij was steevast de eerste van zijn klas en schopte het tot de beste college-football-speler van zijn tijd. Verder muntte hij ook uit in basketbal, honkbal en lopen. Hij moest behoorlijk van zich afbijten. Blanke studenten die geen zwarte in hun ploeg wilden "sloegen me in het gezicht, verbrijzelden mijn neus en ontwrichtten mijn schouder," zo schreef hij later. Maar hij liet zich niet intimideren, deelde zelf rake klappen uit en dwong uiteindelijk hun respect af.

Toen Robeson zijn diploma had behaald, verhuisde hij naar New York waar hij in 1920 rechten ging studeren aan de Columbia University. Hij bekostigde zijn studies door te werken als acteur en footballer. Eenmaal afgestudeerd als advocaat raakte hij echter snel uitgeblust door het onophoudelijke racisme. Hij besloot om een carrière te proberen als acteur en zanger. Dat lukte hem en hij werd een van de meest charismatische zwarte artiesten van de Harlem Renaissance. Zowel op het podium als op het scherm had hij enorme uitstraling en zijn wonderlijke bas-baritonstem blijft tot op vandaag legendarisch. Al van jongsaf was hij gefascineerd door de spirituals die hij in de kerk van zijn vader hoorde. Als zanger slaagde hij er in om zwarte spirituals en volksmuziek te verheffen tot een kunstvorm.

In 1925 bood Eugene O'Neill hem de hoofdrol aan in Emperor Jones, een toneelstuk over een zwarte kruier, Brutus Jones, die heerser wordt van een Caraïbisch eiland. In 1933 speelde hij ook de hoofdrol in de verfilming van het stuk. Robeson acteerde in twaalf films. Twee daarvan waren Hollywood-producties, Show Boat (waarin hij het bekende 'Ol'Man River' zingt) en Tales of Manhattan. De rest waren onafhankelijke producties. Robesons filmcarrière liep niet van een leien dakje. In de jaren dertig en veertig deden de grote filmstudio's geen inspanningen om zwarte personages enigszins genuanceerd voor te stellen. Ze waren ofwel slaafse Uncle Toms, hansworsten met uitpuilende ogen, primitieve, wilde Afrikanen of dikke, toegewijde meiden. Robeson probeerde die stereotiepen te doorbreken maar was daar niet altijd even consequent in volgens de auteurs van Paul Robeson: Artist and Citizen, een boek dat zopas werd uitgegeven door Rutgers University naar aanleiding van een multimedia-tentoonstelling over haar oud-student.

Robeson was het meest trots op de film Proud Valley (1939), een zeldzame film die de solidariteit tussen zwarte en blanke arbeiders als thema had. Hij gaf de brui aan acteren in films in 1942, na de verfilming van Tales of Manhattan. De producenten hadden hem verzekerd dat die film een realistische voorstelling van het leven van arme zwarten op het platteland zou zijn, maar volgens Robeson was het eindresultaat de zoveelste stereotiepe voorstelling van de simpele zwarte. Hij was zo kwaad dat hij zelfs ging betogen aan de bioscoop in Los Angeles toen de film in première ging.

Maar hij bewees spoedig dat hij de filmwereld niet nodig had. Een jaar later, in 1943, speelde hij de rol van Othello op Broadway. Zijn vertolking werd een internationale sensatie. Meer dan een half miljoen mensen kwamen er naar kijken. Zelfs het Witte Huis bewierookte hem. Hij werd bevriend met personaliteiten zoals Nehru, Eisenstein, James Joyce en Emma Goldman. Hij kwam op tegen rassenscheiding - tientallen jaren voor de beweging voor zwarte burgerrechten op gang zou komen - trad op voor de Amerikaanse vrijwilligers in de Spaanse Burgeroorlog tegen Franco en hielp Amerikaanse vakbonden in hun strijd voor erkenning. Ondanks zijn beroemdheid ontsnapte hij ondertussen niet aan het diepgewortelde racisme in eigen land. Niet alleen in het Zuiden maar ook in het zogezegd progressievere Noorden werd hem vaak de toegang geweigerd in restaurants en hotels. Als hij er in mocht, moest hij meestal de goederenlift nemen.

Hij sprak regelmatig over hoe anders hij werd behandeld toen hij in 1934 in de Sovjet Unie rondreisde. "Voor het eerst in mijn leven wandelde ik op de aarde met complete waardigheid," zei hij bij zijn terugkeer. Daarna werd hij een enthousiaste bewonderaar van de Sovjet-Unie. Zelfs de bloedbaden die Stalin er aanrichtte, deden hem niet van gedacht veranderen. Robeson is, voor zover men weet, nooit lid geweest van de Communistische Partij. Het FBI begon hem nochtans al vanaf 1941 te schaduwen op verdenking van lidmaatschap. Robeson kreeg steeds meer kritiek voor zijn pro-Russische en andere linkse sympathieën. In 1949 werden zelfs twee van zijn Amerikaanse concerten door racisten gewelddadig onderbroken.

Hij werd, net als zoveel andere Amerikaanse beroemdheden, ondervraagd door het beruchte Congrescomité dat "on-Amerikaanse activiteiten" onderzocht - maar hij weigerde om te zeggen of hij al dan niet lid van de CP was. Als straf werd zijn paspoort in 1956 in beslag genomen.

Doordat zijn naam op de zwarte lijst stond, kon hij bijna nergens optreden; zijn carrière stuikte ineen ondanks de niet aflatende steun van de zwarte Amerikaanse kerken en de zwarte pers. Zijn jaarinkomen - 150.000 dollar in de jaren veertig, toen hij de bestbetaalde Amerikaanse concertzanger was - zakte tot 6.000 dollar. Na veel protest in binnen- en buitenland kreeg hij in 1958 zijn paspoort terug. Datzelfde jaar schreef Robeson zijn autobiografie Here I Stand, maar geen enkele van de gevestigde uitgeverijen was bereid om het boek te publiceren. Na een bijzonder succesvolle concerttournee van drie jaar in Europa en Australië werd hij ziek. Hij bracht de rest van zijn leven door in Harlem, waar hij stierf op 23 januari 1976.

Dat hij een controversiële figuur blijft, bleek dit jaar nog toen de Amerikaanse Post weigerde om hem op te nemen in haar serie postzegels met portretten van beroemde zwarte Amerikanen. Maar er is overigens geen gebrek aan belangstelling voor Robeson dit jaar. Meer dan 100 groepen, in de VS en daarbuiten, hebben tentoonstellingen, filmfestivals, lezingen en publicaties gepland voor het eeuwfeest van zijn geboorte. Op 16 mei is er een Paul Robeson gala-bal in het Waldorf-Astoria Hotel en op 30 november eren Harry Belafonte en Robesons zoon, Paul Robeson Jr., hem met een voorstelling in Carnegie Hall. De afgelopen jaren zijn scholen naar hem genoemd. De eeuwfeesten worden gesteund door beroemdheden als Maya Angelou, Toni Morrison, Brooke Astor en David Rockefeller. Robeson heeft zelfs zijn eigen home page op het Internet (www.motownmagic.com/robeson.html) waar meer dan 150 feestactiviteiten worden geadverteerd. De tijd dat er geen platen van hem meer werden uitgebracht is ook voorbij. Op de homepage staat nu een lijst van 40 cd's die internationaal verkrijgbaar zijn.

Tentoonstelling Paul Robeson: Bearer of a Culture. Tot 12 juli in The New York Historical Society, Two West 77th Street, New York. Paul Robeson: Artist and Citizen, een multi-mediatentoonstelling, tot 31 juli in het Zimmerli Art Museum, Rutgers University, 71 Hamilton Street, New Brunswick, New Jersey.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234