Vrijdag 23/04/2021

Sjors en de rebellenclub

Lucebert en de Vijftigers

Johan Vandenbroucke

"ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af en ik val en ik ruis en ik zing"

In 1955, het jaar van zijn vijfde bundel, Alfabel, was Luceberts kleine, mooie, ritselende revolutie eigenlijk al grotendeels afgedraaid. De in oktober 1954 verschenen, door Paul Rodenko samengestelde bloemlezing Nieuwe griffels schone leien was een ongemeen succes geworden. De eerste druk (10.000 exemplaren) was na twee maanden uitverkocht en er volgde herdruk op herdruk. De relletjes waren voorbij, de beledigingen verstomd; de Vijftigers waren de norm van de Nederlandse poëzie geworden.

De beweging van Vijftig was de balorigste vernieuwing uit de Nederlandse literatuur. Een nieuwe taal, wars van alle conventies, volgens theoreticus Paul Rodenko "een poëzie, die openstaat voor alle zintuigen, die aan de totale persoonlijkheid appelleert". Overigens verwees de term 'experimentelen' in eerste instantie niet naar 'experiment', maar naar 'expérience': ervaring, proefondervindelijkheid. In 'het proefondervindelijk gedicht' schreef Lucebert: "de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij/ daarom de proefondervindelijke poëzie is een zee/ aan de mond van al die rivieren/ die wij eens namen gaven als/ dada (dat geen naam is)/".

Over de Vijftigers kan beschouwend en theoretiserend geschreven worden, gelardeerd met citaten uit de vele programmatische gedichten, niet het minst die van Lucebert. Zijn 'Verdediging van de 50-ers' (uit 1949) was bijvoorbeeld een regelrechte oorlogsverklaring aan de vroegere poëzie: "uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen".

Maar de revolutie van de Vijftigers kan ook beschreven worden als het anekdotische verhaal van een haast toevallig bijeenklittend vriendengroepje dat in de armoedige naoorlogse jaren plezier en plannen maakte. Het soms nostalgische verhaal van "alle dagen feest" (Remco Campert) is me naderhand liever geworden dan veel theoretisch gewauwel over manifesten. Net als de lichtvoetige anekdote, bijvoorbeeld in de stijl van Campert, me liever is geworden dan het associatieve woordgebral van Lucebert in veel van zijn gedichten.

Ooit was dat anders. Lucebert was mijn initiatie tot de moderne poëzie, een jeugdidool. Hij bracht me bij hoe opwindend poëzie kon zijn; al begreep ik als scholier niet alles, ik voelde het intuïtief wel aan. Z'n associatieve rijkdom, z'n pulserende ritme, z'n gedrevenheid. Lucebert overdonderde en haalde overhoop. J. Bernlef heeft uitgedrukt hoe ik het toen voelde: "Ik denk niet dat ik het allemaal precies begreep, maar ik vond het verpletterend mooi."

Nu, herlezend met de rimpels van de tijd, denk ik al te vaak: ietwat opgezwollen, zelfs oubollig en gechargeerd. Al blijven er wel enkele verzen die ik graag onsterfelijk zou willen zien worden: "er is een grote norse neger in mij neergedaald", "het lied heeft het eeuwige leven", "alles van waarde is weerloos" (al tijdelijk vereeuwigd als reclameslogan op het dak van een verzekeringsmaatschappij in Rotterdam),

"Ik denk dat een god het is Viool spelend op mijn strot"

Lucebert was de balsturigste van de Vijftigers. Hij slaagde erin "een grimmige nuchterheid te verenigen met dichterlijke dronkenschap" (Aad Nuis). Zijn poëzie was "een agressief met taal smijten, zoals een Karel Appel met verf smeet, vanuit de complete radeloosheid, vanuit de totale absurditeit, over alle grenzen van het taalkundig toelaatbare heen, spelend met taal zonder de regels te willen kennen" (Herman de Coninck). Hij schreef, in zijn krachtigste verzen, op een onnavolgbare wijze virtuoos: "ja we gaan woest bier drinken in een mors huis/ gaan langzaam uitlopen als een gouden regen/ in een glinsterend springmatras". "Vanaf zijn eerste optreden is de positie van Lucebert onder de Vijftigers onbetwist, schrijft R.L.K. Fokkema in 'Het komplot der Vijftigers': "Zij erkennen hem als een groot dichter en gunnen hem bij manifestaties een leidende rol." Volgens Rudy Kousbroek kwam dat door zijn "onaantastbare" authenticiteit: "Lucebert was de enige die de indruk maakte van volstrekte ernst, zijn gedrag was het gedrag van iemand voor wie poëzie niet iets facultatiefs is."

Gerrit Kouwenaar herinnert zich het gevoel na het eerste gedicht van Lucebert dat hij en zijn vrienden lazen: "Wij waren daar zeer van onder de indruk (...) Zijn poëzie was wat ons voor ogen schemerde als een mogelijkheid; wat je met poëzie kon doen. Zo direct. Zo opgewonden. Zo vertederend en ontroerend."

Gerrit Kouwenaar ("We zagen Lucebert onmiddellijk als een soort opperhoofd"), Remco Campert, Jan Elburg, Bert Schierbeek ("Lucebert is een capita aparte. Hij schreef een gedicht en het was onmiddellijk goed. Hij had geniale trekken"), Hans Andreus en Rudy Kousbroek zijn heel stellig als het gaat over de uitstraling van de jonge Lucebert. Ook Hugo Claus, de enige Vlaming van het gezelschap, herinnert het zich, zij met de hem eigen distantie: "Lucebert was toen de god, de man die alles kon, die de regels doorbrak. Terwijl hij zich weer beriep op Arp en Hölderlin. Voor de meeste mensen was hij zeer imponerend." (Lucebert, terugblikkend: "zo heb ik dat zelf nooit gevoeld. Ik heb mezelf überhaupt nooit zo als aanvoerder of leider van een club gezien.")

Hoewel hij tussen 1965 en 1980 geen poëzie publiceerde ("de dichter is dood, leve de schilder"), werd Lucebert vrijwel algemeen beschouwd als de grootste naoorlogse Nederlandse dichter. Opmerkelijk was dat hij, anders dan bijvoorbeeld Kouwenaar of Campert, geen echte navolgers had of school maakte. Daarvoor was, volgens criticus Rob Schouten, "zijn licht (van zon en bliksemschicht) kennelijk te verblindend". Een mening die gedeeld wordt door bentgenoten als Campert ("Lucebert kon je niet nadoen. Zijn invloed was veel te sterk") en Kousbroek: "De weinige navolgers die hij had zijn ook allemaal roemloos ten onder gegaan. Hij was een profeet, iemand die stemmen hoort."

In de jaren voor zijn dood in 1994 werden hij en de andere Vijftigers vaak gevraagd om een terugblik. "Iets als Pietje Bell en de rebellenclub," stelde Lucebert in Hotel Atonaal van Hans Keller; in Door het puinstof heen van H.J.A. Hofland en Tom Rooduijn vond Gerrit Kouwenaar het dan weer "een beetje Sjors en de Rebellenclub: het zat heel diep, maar tegelijkertijd was het een ontzettend aardige, vrolijke tijd." Daarmee was Lucebert het eens: "Het was een en al pret en plezier. We hebben allemaal zeer aangename herinneringen aan die periode. (...) Het was feest, feest... En weinig graven en dik doen, geen sprake van moeilijke theorieën ontwerpen."

Het werk van Lucebert verscheen bij De Bezige Bij. De rubriek 'De jaren' verschijnt in 1999 wekelijks. In 52 weken tijd brengen wij een selectie van de opmerkelijkste boeken tussen 1945 en nu. 'De jaren' is afwisselend gewijd aan de Nederlandstalige en anderstalige letteren.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234