Zondag 05/12/2021

Sjiitisch Woodstock kan Amerikaanse nachtmerrie worden

'Hoessein, we zullen uw lijden nooit vergeten.' Het is niet meteen de strijdvaardigste slogan, maar geloof me: wanneer hij uit de mond van tienduizenden sjiieten tegelijk klinkt, en als die zich ook nog eens voortdurend op de borst kloppen of met ijzeren kettingen op hun rug slaan, dan is het knap indrukwekkend. Na verschillende dagen zijn vele sjiitische borsten in Kerbala rood van het kloppen en zijn vele sjiitische kelen hees geschreeuwd, maar voorlopig is er geen houden aan. Het is dan ook vijfentwintig jaar geleden dat de Iraakse sjiieten hun sjiiet-zijn nog zo openlijk hebben kunnen uitschreeuwen.

Kerbala

Van onze correspondent in Irak

Gert Van Langendonck

Kerbala, 75 kilometer ten zuiden van Bagdad, is samen met het vlakbij gelegen Najaf de heiligste plaats voor de sjiitische moslims, niet alleen die van Irak maar ook voor de sjiieten in Iran, Syrië, Libanon en Saoedi-Arabië. Het is een prettig ogend stadje, met in het midden twee enorme moskeeën met gouden koepels en kleurrijke mozaïekpatronen. Het zijn de schrijnen van Hoessein en zijn broer Abbas. In Najaf staat er nog zo'n schrijn, dat van Hoesseins vader Ali.

Het zou ons te ver leiden om het hele verhaal uit te leggen. Laten we ermee volstaan dat ze alle drie een martelaarsdood zijn gestorven in de zevende eeuw na Christus, toen de strijd over de opvolging van de profeet Mohammed in alle hevigheid woedde tussen wat later de soenieten en de sjiieten zouden worden. En dat het sjiitische reveil sinds de val van Saddam Hoessein een wespennest is waar de Amerikanen nog een hoop last mee kunnen krijgen.

"Onder Saddam werden wij vervolgd als we de ashura wilden beleven. Nu zijn we eindelijk vrij om onze religie ten volle uit te oefenen." Bahaa al-Tama, een grappig klein mannetje met een zwart kleed en een groen hoedje, is een verantwoordelijke van het schrijn van Hoessein. Hij staat ons te woord nadat wij ongelovigen bij hoge uitzondering toegang hebben gekregen tot het heiligste der heiligen in het sjiietendom. "Dit zijn voor ons de gelukkigste dagen uit ons leven", zegt hij. "Velen zijn gestorven omdat ze in weerwil van Saddam Hoesseins verbod toch stiekem langs velden en wegen Kerbala probeerden te bereiken. Maar vandaag kan iedereen, mannen, vrouwen en kinderen, meedoen."

De ashura duurt veertig dagen maar het hoogtepunt is de arbaiin, de pelgrimstocht naar Kerbala op de veertigste dag na de dood van Hoessein. Sinds vorige week vrijdag zijn ze met honderdduizend onderweg uit alle uithoeken van Irak waar er sjiieten wonen. Langs de weg, zo wil de traditie, krijgen ze eten en water van omwonenden. Op maandagavond, aan de vooravond van de veertigste dag, heeft Kerbala iets weg van een rockfestival. Straten en portieken liggen afgeladen vol met mensen die er hun tijdelijke slaapplaats hebben gemaakt. Er worden souvenirs en versnaperingen verkocht. Het is allemaal erg gemoedelijk. En toch is dit een nachtmerriescenario voor de mensen van het Pentagon en het State Department die achter de schermen het nieuwe politieke Irak aan het uittekenen zijn. Want wie sjiieten zegt, die zegt Iran, fanatieke, anti-Amerikaanse mullahs en islamitische regeringen en rechtspraak.

"Amerika vergist zich als het bang is voor de Iraakse sjiieten", zegt Mahmood Majeed Ghani, de imam van de Al-Rasoel-moskee in Bagdad, die we in het gewoel rond het Hoessein-schrijn aan zijn mouw trekken. "Irak is Iran niet, en de sjiieten van Irak zijn niet de sjiieten van Iran. Zolang wij onze religieuze rechten kunnen uitoefenen, hoeven wij geen islamitische regering. Kijk rondom u: er zijn hier miljoenen mensen, in een land zonder regering en ordediensten, en alles verloopt rustig. Zijn dit mensen om bang voor te zijn?"

De imam heeft gelijk als hij zegt dat deze dag voor de sjiieten in de eerste plaats een religieuze belevenis is. En de slogans op de spandoeken zijn ook uitsluitend van religieuze aard. Met uitzondering dan van de twee Engelstalige spandoeken die ten behoeve van de westerse media zijn opgehangen. Een ervan zegt: "De revolutie van imam Hoessein was een schreeuw in het aanzien van de onderdrukkers." Een subtiele waarschuwing is dat aan het adres van de Amerikanen dat ze de sjiieten beter niet links kunnen laten liggen, zoals Saddam Hoessein, het Iraakse koningshuis, de Britse kolonisator en het Ottomaanse rijk vóór hen gedaan hebben. Het kan ook minder subtiel, zoals we uit de mond van een sjiitische bedevaarder op de weg naar Kerbala konden optekenen: "De Amerikanen hebben ons bevrijd van Saddam Hoessein, maar nu moeten ze terug naar huis gaan. En als ze dat niet snel genoeg doen, dan zullen we hen vermoorden, een voor een."

Het is niet verwonderlijk dat de Iraakse sjiieten enige achterdocht koesteren tegen de Amerikanen. Kerbala was een van de plaatsen waar ze in 1991, op verzoek van president George Bush sr., in opstand kwamen tegen Saddam Hoessein. In Kerbala hielden ze het negentien dagen uit tegen de Iraakse troepen. Maar toen de beloofde Amerikaanse steun uitbleef, stortte de Iraakse intifada ineen. Saddams wraak was verschrikkelijk. Hij stuurde zijn tanks naar Najaf en Kerbala en liet ze de sjiitische heiligdommen beschieten. In Najaf alleen vielen veertienhonderd doden. De schattingen van het totaal aantal doden loopt uiteen van vijftigduizend tot driehonderdduizend.

Sindsdien hebben verschillende historici gezegd dat de Amerikanen de sjiieten en Koerden niet alleen aan hun lot hebben overgelaten, maar dat ze de opstand mee hebben doen mislukken, door eenheden van de Republikeinse Garde door hun linies te laten passeren, en door de opstandelingen wapens te ontzeggen. De reden, zo wordt vermoed, is de angst in Washington dat in Bagdad een regime op Iraanse leest aan de macht zou komen.

Sadiq Mussa, een lid van de ordedienst aan het schrijn van Abbas, vertaalt het gevoel van heel veel Irakezen. "Het maakt allemaal deel uit van een groot spel, en wij sjiieten zijn bang dat we opnieuw het slachtoffer zullen worden van dat spel." Achter zijn schouder heeft iemand een poster opgehangen met een foto van Ali Jasem Mohamed Hoessein, vermist sinds de intifada van 1991. "Iedereen in Kerbala heeft op de ene of de andere manier meegedaan met de intifada. Ontelbare mensen zijn vermist sindsdien", zegt Mussa.

Het is dus met diep wederzijds wantrouwen dat de Iraakse sjiieten en de Amerikanen tegenover elkaar staan. Vandaag in Kerbala zijn er geen Amerikanen te bekennen en zijn de sjiieten nog volop aan het genieten van hun herwonnen religieuze vrijheid. Maar dat de sjiieten ook een politieke factor zijn, staat buiten kijf. De man die Bush sr. twaalf jaar geleden koste wat het kost van de macht wilde houden, ayatollah Mohammed Bakr Al-Hakim, is vandaag opnieuw van de partij. Al-Hakim, de spirituele leider van de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI), een gewapende Iraakse verzetsbeweging met hoofdkwartier in Teheran, heeft de sjiieten vorige week tijdens het vrijdaggebed opgeroepen om massaal naar Kerbala af te zakken om uiting te geven aan hun verzet tegen de buitenlandse bezetters.

Imam Mahmood Majeed Ghani mag dan zeggen dat "Al-Hakim niet voor de Iraakse sjiieten spreekt" en dat grootayatollah Ali Sistani in Najaf "de enige autoriteit is die spreekt voor de sjiieten in de hele wereld", maar ook in Najaf zijn er kapers op de kust. Moqtada Al-Sadr, de 22-jarige zoon van de in 1991 vermoorde imam Mohamed Sadiq Al-Sadr, werpt zich op als een jong en radicaal alternatief voor de tachtigjarige Sistani. Najaf is dezer dagen een gevaarlijke plaats. Vorige week werd Abdul Majid al-Khoei, een pro-Amerikaanse sjiitische geestelijke die door de VS-troepen werd binnengebracht, er vermoord. En gewapende bendes belegerden er gedurende enkele dagen de woning van grootayatollah Sistani.

Ali Al-Shamary, een sjiiet uit Basra die in 1991 naar de VS uitweek wegens zijn deelname aan de intifada en nog maar pas naar Irak is teruggekeerd, drukt het als volgt uit bij het aanschouwen van het schrijn van Hoessein: "Ziehier dertienhonderd jaar sjiitische geschiedenis. Dit is waar de Amerikanen in hun broek voor doen."

'Amerikanen doen het in hun broek voor sjiitische geschiedenis'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234