Vrijdag 06/12/2019

Sire, er zijn geen redenaars meer!

De grote thema's uit de klassieke literatuur

Onze huisclassicus rijgt in deze Kort Klassiek de Grote Thema's aan elkaar: de tragedie, gladiatorenspelen, retorica, Cicero, Caesar, Alexander de Grote. Allemaal politiek, zal blijken.

TRAGISCH BOEKJE

Jan Hendrik

van den Berg

De tragedie.

Waardoor en waartoe.

Metabletisch onderzoek

Pelckmans/Klement, Kapellen/Kampen,

120 p., 18,90 euro.

In zijn nieuwste 'metabletische studie' vraagt de befaamde doctor medicus J.H. van den Berg (1914) zich af waarom de tragedie volgens hem "drie periodes van grote bloei heeft gekend: tijdens de Griekse Oudheid, in de vierde eeuw voor Christus, en tijdens de Engelse en Franse zeventiende eeuw". Zelfs als je een eind wilt meegaan in zijn grote-verbanden-hypothese - de tragedie moest in die drie periodes onlustgevoelens vanwege een "insnijdend nationaal gevaar" verzachten door de kleinere onlustgevoelens die ze wekt - is dit een tenenkrullend product. Van den Berg brengt zijn stellingen aan door op schoolboekachtige wijze gegevens op te sommen, in een irritant en gedateerd opa-vertelt-en-weidt-daarbij-graag-eens-uit-stijltje. Bij het bekende gegeven 'opmonteren door lijden' lees ik: "Ik herinner mij een oude huisarts die, toen een vrouw bij de bevalling hard schreeuwde, haar een flinke klap op de billen gaf. Met succes." Het kan nog erger. Bij een gelaatsanalyse van Racine: "Een schrander, zelfingenomen 'kind' is Racine. Geen man om met je juist volwassen dochter alleen te laten." Elders speelt Van den Berg dat hij zojuist in het antieke Athene een tragedieopvoering bijwoonde en in gesprek treedt met een medetoeschouwster. Living history! Om zijn stellingen hard te maken volstaan vervolgens enkele bladzijden. De strategie is bekend: je vertelt eerst de feiten die in je kraam passen en trekt er de vooraf vaststaande conclusie uit. Speculatief reductionisme, zoiets. Uit zijn bibliografie blijkt ten overvloede dat Van den Berg niet bij is met het moderne onderzoek. Voor ook maar een primitieve redactie was er ter uitgeverij blijkbaar geen geld meer. Onbegonnen werk? Zo komt het dat Van den Berg het aldoor over "de vierde eeuw" heeft als bloeiperiode van de Griekse tragedie, terwijl hij "vijfde eeuw" bedoelt. Ach. De Leuvense rector André Oosterlinck pleegde het voorwoord, "en wat voor een voorwoord", aldus de kinderlijk blije Van den Berg, die in zijn slotzin en in de lijn van zijn hoofdhypothese een eventueel nieuw tijdperk van tragedies voorspelt, "wanneer de islamisering van Europa het bestaan van de westerse volken bedreigt. Of het zover komt, weet niemand."

SPEKTAKELGEDICHTEN Martialis Spektakel in het Colosseum Bezorgd, vertaald en toegelicht

door Vincent Hunink

Uitgeverij P, Leuven, 40 p., 12 euro.

Er werd in Rome veel meer (goedkoop) theater gespeeld dan dat er (dure) gladiatorenshows werden gegeven. Maar in de jaren zeventig deed keizer Vespasianus een politieke meesterzet. Midden in het paleiselijke Gouden Huis van zijn voorganger Nero liet hij in Rome het amfitheater optrekken dat we sinds de Middeleeuwen als 'het Colosseum' kennen. Een imposant reuzenei, een ongeëvenaard symbool van een nieuwe tijd, een stenen veroordeling van de gehate Nero én een manier om een geliefd amusementsspektakel, dat bovendien dienstdeed als propaganda voor de keizer, permanent midden in de Eeuwige Stad te brengen: de gladiatorenspelen. Vespasianus bekostigde de werken met middelen uit zijn oorlog tegen de joden en liet het amfitheater vermoedelijk door joodse krijgsgevangenen optrekken. Bouwtijd: tien jaar. In 80 werd de kolos ingehuldigd. De openingsfeesten duurden honderd dagen. De Spaans-Romeinse dichter Martialis, die vooral als vuilspuiter bekendstaat, speelde in dat jaar 80 stads- en staatsdichter en maakte bij de gigantische openingsspelen een bundel waarin hij zich van een andere kant laat zien: als hielenlikker van keizer Titus, de zoon van Vespasianus. Er resten nog zo'n dertig gedichtjes van dat boek over het spektakel in "het nieuwe wereldwonder", waarmee Martialis zich in de gunst van de imperator vleide. Onder meer dankzij z'n boekje weten we dat gladiatoren soms verplicht werden mythologische figuren na te bootsen in hun gevecht op leven en dood, zoals ene Laureolus die als Prometheus aan een rots werd vastgeketend en door een Schotse beer verscheurd: "Zijn lichaam werd een bloedende hoop/ flarden: levend, ja, maar mens niet meer". Martialis, die ook het meest huiveringwekkende droog en geamuseerd beschrijft, concentreert zich in zijn poëtische vignetten, retorische variaties op een thema, vooral op de gevechten tussen mensen en dieren, het klassieke ochtendspektakel van een dagje Colosseum. Hij evoceert ook de 'zeegevechten', een onderdeel van de honderddagenpremière.

Vincent Hunink vertaalde en schreef een gebald nawoord voor dit tweetalige boekje dat, zoals gewoonlijk, mooi verzorgd werd uitgegeven door het Leuvense P.

ORGIEËN VAN WREEDHEID Fik Meijer Gladiatoren.

Volksvermaak in het Colosseum

Athenaeum-Polak & Van Gennep,

Amsterdam, 253 p., 19,95 euro.

Het druk nagebootste Colosseum is het logische decor voor het centrale hoofdstuk van alweer een nieuw boek van oud-historicus-popularisator Fik Meijer, auteur van onder meer het succesvolle Keizers sterven niet in bed. Nu pakt Meijer de Romeinse gladiatorenspelen aan, zo'n onderwerp waar je als historicus geacht wordt een standpunt over in te nemen. Vaak wordt het verfoeilijke fenomeen afgedaan als iets wat ons onherroepelijk van de Romeinen scheidt. Anderen zoeken (min of meer rationele en 'eeuwig-menselijke') verklaringen. Meijer behoort tot de tweede soort, maar verwacht van hem geen grote theorieën: de shows etaleerden de macht van de keizer, zelfs over de dierenwereld; de Romeinen zagen er een substituut in van hun oorlogscultuur; slaven, krijgsgevangenen en terdoodveroordeelden waren in de Oudheid sowieso négligeable; het was een manier om 'de mensen' (jaja, toen waren ze er ook al) bezig te houden en als keizerlijk politicus aan je te binden... Het is hard zoeken naar Romeinen die het spektakel ronduit afkeuren, tot sarcast Tacitus en later christelijke auteurs ertegen tekeergaan. Serieuze lieden als Cicero hadden hun bedenkingen maar bewonderden ook de moed en de heroïsche prestaties van gladiatoren. Je leest bij Meijer schokkende zinnen: "De meeste gladiatoren stierven tussen hun twintigste en dertigste levensjaar", "Slachtoffers van de middagexecuties werden met een vleeshaak de arena uit getrokken", "Het afmaken van duizenden dieren per show, en dat enkele eeuwen achtereen, heeft ertoe geleid dat sommige diersoorten in bepaalde regio's volledig zijn uitgeroeid"... Hij schreef een bijzonder leesbaar boek waarin hij de oorsprong, de toenemende populariteit en schaalvergroting van het bloederige fenomeen schetst, antieke auteurs aan het woord laat, populaire misvattingen rechtzet en de bekende feiten en anekdoten vertelt: over het liefdesleven van gladiatoren, de opstand van gladiator-slaaf Spartacus, inhalige impresario's, gladiatrices, topgladiatoren, zenuwachtige olifanten, hooggeplaatsten en keizers die als 'gladiator' optraden etc. Onvermijdelijk wemelt zo'n overzicht van de 'misschien's en 'het lijkt erop dat'. Als het over demografische, psychologische en sociologische gegevens gaat, zijn er altijd gapende lacunes in onze kennis van de Oudheid.

Begin en eind van Meijers boek zijn dunnetjes: in zijn poging tot 'vergoelijkende verklaring' somt hij vormen van geweld op die we van na de Romeinen kennen, van de middeleeuwse duels en openbare terechtstellingen op markten en in stadia tot hedendaagse stierengevechten, de onvermijdelijke computerspelletjes, boksmatchen en de films van Quentin Tarantino... Boodschap: geweld is des mensen. Zo wordt een historicus wel erg hard een opsommer van een contextloos zootje feiten. En aan het eind gaat Meijer in op de films Spartacus en natuurlijk Gladiator. Als je het dan over het moderne beeld van de gladiator wilt hebben, moet je toch even iets over strips melden. De publicaties van de Leuvense academicus Herbert Verreth (onder meer in het blad Kleio) hebben over gladiatoren in films en strips meer te vertellen. Maar Meijers boek is voor scenaristen en stripauteurs alvast verplichte lectuur.

VROEGER WAS HET BETER

Tacitus

Tegen het verval van de retorica

Vertaald door Vincent Hunink,

ingeleid door Piet Gerbrandy

Historische Uitgeverij, Groningen,

116 p., 22,95 euro.

Cicero

De ideale redenaar

Vertaald en toegelicht door H.W.A.

Van Rooijen-Dijkman & A.D. Leeman

Athenaeum-Polak & Van Gennep,

Amsterdam, 324 p., 13,95 euro.

Om de topvijf van populairste Vlaamse politici te halen helpt het dat je je moers taal maltraiteert. Leer ze mij kennen, de taalbeulen, de Berten, Steves, Hermannen en Jean-Lucen. Politiek is voor wie haar soms geweld aandoet. Er wordt dan ook met enige verbijstering gereageerd als een vaderlands bewindvoerder een taalgewijs vlekkeloze oratie van enige lengte debiteert met zowaar een begin, midden en eind, en met een zeker gebruik van als literair aangeschreven middelen, zoals Paul Van Grembergen vorig jaar in de Gentse Vooruit deed. Het zou in het Rome van Cicero (106-43) geen waar geweest zijn, als we tenminste de theoretici van de retoriek, onder wie Cicero zelf, mogen geloven. Daar werd je pas politicus-met-enige-kans-op-succes als je eerst deftig had leren spreken. In een min of meer directe en zowat medialoze 'democratie' was je anders kansloos. Voor deze en andere lieden schreef Cicero het omvattende boek De ideale redenaar, dat in 1989 door Hetty van Rooijen-Dijkman en Anton Leeman werd vertaald en nu als paperback opnieuw werd uitgegeven.

Een dikke eeuw later stelt Tacitus de cultuurhistorische vraag waarom het in zijn tijd slecht gaat met de redekunst. Sire, er zijn geen redenaars meer. Zoals Cicero doet hij dat in een geënsceneerd gesprek, sinds Plato het uitgelezen genre om diverse standpunten aan het woord te laten. Het vindt plaats onder Vespasianus. Hoe fundamenteel retoriek was voor het wezen van de antieke high society blijkt uit de vragen die tijdens het dispuut rijzen en die Piet Gerbrandy aan het eind van de inleiding op het dispuut opsomt: "Is een streng en centraal bestuurde staat te verkiezen boven een rommelige democratie? Moeten er in het openbaar debat concessies gedaan worden aan de algemene behoefte aan amusement? Hoe moeten we het onderwijs organiseren? Zijn ouders en scholen niet veel te gemakzuchtig? En welke maatschappelijke rol heeft de literatuur te vervullen?" Plus: wat is maatschappelijk nut, succes? Kortom, hoe moet je leven?

Vincent Hunink (1962) vertaalde Tegen het verval van de retorica. Hunink groeit gestaag uit tot een van de meest productieve vertalers van Griekse en Latijnse teksten ooit in het Nederlands. Dat is voor een jonge academicus vandaag geen evidente prestatie. Bovendien kiest hij lang niet altijd voor Bekende Teksten en verantwoordt hij consequent zijn vertalingen. Waar blijft die Nijhoff-prijs? Even uitgebreid als de vertaling is in dit bijzonder mooi uitgegeven boekje de uitstekende inleiding door Gerbrandy, vertaler van Quintilianus' omvangrijke De opleiding tot redenaar, dat in dezelfde tijd als Tacitus' werkje is geschreven. Met Cicero, Quintilianus en Tacitus zijn nu de belangrijkste werken over Romeinse retoriek in Nederlandse vertaling beschikbaar. Toeval?

TROEBELEN IN ROME

Randall Lesaffer

Politicus en pleiter.

Cicero in turbulent Rome

Davidsfonds, Leuven, 199 p.,

19,95 euro.

Cicero's leven valt samen met een chaotische tijd vol coups, burgeroorlog, politieke moorden, standentwisten, corruptie, populisme en al wat daar verder bij hoort. Het heeft hem zijn kop gekost maar het leverde hem eerst zijn blijvende moments de gloire op. Het onderwerp komt in Tacitus' gesprek van hierboven aan bod: "Cicero was een groot redenaar in een gevaarlijke tijd. Crisis en spanning zijn ideaal voor de bloei van de kunst van het wel spreken; rust, orde en een eenmansstaat werken verdovend." Is het verhaal van Romes crisiseeuw meer dan dat van een wereldrijk met een waterhoofd in zware politieke troebelen? Waarom zou je van dat ingewikkelde verhaal als niet-historicus kennis moeten nemen? Mogelijk antwoord: omdat het een politieke thriller met maffia-allures is die zich afspeelt aan de machotop van een wereldrijk en waarover we bijzonder goed zijn ingelicht, onder meer door hoofdrolspelers als Caesar en Cicero. Randall Lesaffer, jurist en historicus, neemt de figuur van Cicero, republikein en opportunist tot in de kist, als uitgangspunt voor een van de zeldzame Nederlandse studies over de periode. Het is cursus-geschiedenisachtig zwoegen in het begin (namen! functies! data!) en we hebben de catchpartij Cicero-Catilina en aan het eind enkele processen met Cicero als pleiter nodig om in deze gedegen, open maar weinig bezielend geschreven studie een levend verhaal te krijgen. Ook Lesaffer eindigt met "één les voor onze eigen tijd en onze democratie: als het volk, de maatschappelijke elites en de politieke klasse van elkaar vervreemden, staat de deur naar de dictatuur open".

GENERALISSIMUS CAESAR

Gaius Julius Caesar

Burgeroorlog

Vertaald, ingeleid en toegelicht door

H.W.A. van Rooijen-Dijkman

Athenaeum-Polak & Van Gennep,

Amsterdam, 347 p., 14,95 euro.

Net zoals het te onzent veel befaamdere Gallische Oorlog (enkele jaren geleden vertaald door Vincent Hunink) is Caesars Burgeroorlog, over zijn post-Gallische jaren 49-48, een tendentieus stuk oorlogsverslaggeving. Het is een beetje alsof Bush himself zijn Irakverhaal zou opschrijven en dat voor dé waarheid laten doorgaan. Er is minstens één verschil: Caesar kon schrijven. Burgeroorlog is nu voor het eerst sinds een eeuw of drie in het Nederlands vertaald. Het gaat over de machtsstrijd van Caesar tegen Pompejus, het laatste obstakel op zijn weg naar de militaire dictatuur, en het is geschreven door een vooruitziend man die zijn versie van de feiten geschiedenis wilde doen worden. Gelukkig hebben we nog wat andere bronnen om te laten zien hoe Caesar ook hier weer die feiten flink manipuleert. Ik, in tegenstelling tot de auteur militair-tactisch een volmaakte nul, zet mij met de gepaste tegenzin aan dit soort Luc De Vos-geschriften vol belegeringen, legioenen, vlootbewegingen en slachtoffers, voer voor (militaire) historici. Maar zie: schrijver-politicus Caesar brengt er zoveel vaart (de vertaalster zij geprezen!) en literaire spanningselementen in dat hij een mens in zijn verhaal meesleurt. Dat begint als de generalissimus bijna ongemerkt de teerling werpt en de Rubicon oversteekt, waardoor hij Italië binnentrekt, en het eindigt in Alexandrië na de dood van Pompejus en voor Caesar iets met Cleopatra zal hebben. Maar dan zijn we er in deze vertaling nog niet: mensen uit Caesars entourage voegden er nog een flink vervolg aan toe over de jaren 48 tot 45. (Maar weer geen Cleopatra...) Die extra stukken helpen om het contrast aan te geven tussen goed en minder goed schrijven.

DE RAZENDE ALEXANDER

Manfred F.R. Kets de Vries & Elisabet Engellau

Het leiderschap van Alexander de Grote

Nieuwezijds, Amsterdam, 188 p.,

19,95 euro.

Het onnavolgbare voorbeeld voor wereldveroveraars en alleenheersers is sinds de jaren 320 voor onze tijdrekening Alexander de Grote, die mensen van allerlei slag blijft fascineren. Dokters buigen zich in hun vaktijdschriften over de mogelijke doodsoorzaak van de 33-jarige Alexander in Babylon, psychiaters zetten hem op de lijst van Bekende Wereldburgers met een bipolaire stoornis. Het echtpaar Kets de Vries-Engellau, beiden actief als consultants en coaches voor topmanagers, bekijkt nu de psychodynamica en leiderschapsstijl van de Macedoniër, een uitmuntend "manager van betekenis" en "image marketeer avant la lettre", maar ook lijdend aan "cyclothymie, een neiging tot radicale stemmingswisselingen" en "narcistische razernij". Alexanders kwalen zijn bekend maar krijgen nu een eigentijds etiket. Wat hier gebeurt, is een hachelijke onderneming, omdat alle bronnen van lang na Alexander zijn en hij al bij leven voorwerp was van mythen en urban legends. Kets de Vries-Engellau weten dat wel, maar ze leggen tegelijk een stuitende stelligheid aan de dag die ongepast is bij zoveel historische onzekerheid: zo hebben ze een glasheldere beschrijving van Alexanders 'thuissituatie' nodig om hier en daar een 'afwijking' te verklaren, en die komt er dan ook. En van wie schrijft dat "oudermoord in het oude Griekenland een gangbare praktijk was" en dat het economische stelsel van na Alexanders regeerperiode tot "de Industriële Revolutie van de negentiende eeuw vrijwel onveranderd standhield", weet ik niet of het historische besef altijd even reuzengroot is. Aan het eind komen 'Alexanders' lessen in leiderschap: "Zorg voor een meeslepende visie", "Wees een rolmodel voor uitmuntendheid", "Investeer in opleiding en ontwikkeling", etc. Waar lazen we dat nog? Nooit gedacht van die dekselse Alexander! En toch bevat dit boekje dankzij de psychologische invalshoek en ondanks de weggemoffelde speculaties ook de typisch oog-openende bladzijden van als kenners zich op andermans terrein wagen. Bijzonder voorzichtig te lezen, samen met de Alexander-bio's van Robin Lane Fox en Peter Green en de intro Alexander the Great door Richard Stoneman. De kleine Macedoniër blijft beroeren.

Patrick de Rynck

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234