Zaterdag 21/09/2019

Klimaatopwarming

‘Sinds ik dit zag, is mijn denken helemaal veranderd’: de Rhônegletsjer, ooit een toeristische topper, ligt op sterven

Vanuit Groenland komen onheilspellende berichten over de ijskap die afsmelt ‘met een tempo dat pas voorzien was voor de jaren 2050-2060’. Ook de met ijs bedekte Alpen lijden onder de opwarming. Eén van de grootste toeristische trekpleisters van de twintigste eeuw was de Rhônegletsjer in Zwitserland. Daarin wordt al 120 jaar een ijsgrot uitgehouwen voor toeristen, ze is door miljoenen mensen bezocht. Maar de grot verkeert in een terminale fase. De gletsjer zelf is nog slechts een stoffelijk overschot. ‘Iedereen die zijn schouders ophaalt voor het klimaat, moet dit zien. Dit is dé les voor de toekomst!’

Deel 1 leest u hier.

Na mijn verblijf in het Oostenrijkse Sölden wacht een treinreis naar Zwitserland. Ik lift naar het station van Oetz, zo’n 40 kilometer. De veertiger die me meeneemt, bevestigt dat dit hele dal, het Oetztal, van het toerisme leeft, hijzelf incluis. Hij plaatst verwarmingsinstallaties en ziet nog overal nieuwe hotels en appartementen gebouwd worden. Daarnaast heeft hij een fietsenwinkel, met verhuur van wel honderd e-bikes. Nu de skiwinter onzeker wordt, is dat dé grote hype van de zomer. “Al die toeristen die thuis op een elektrische fiets rijden, willen dat ook in de bergen doen.” De meeste kabelbanen zijn al voorzien op zo’n fietsentransport, en veel berghutten hebben oplaadpalen, zodat je van berghut naar berghut kunt toeren. Zo’n Hüttentour was vroeger alleen weggelegd voor geoefende bergwandelaars. “Het is een rush, een competitie tussen alle toeristische bergstreken om met een zo groot mogelijk e-bike-aanbod uit te pakken.”

Elektrische fietsers op smalle paadjes, dat moet toch conflicten geven met de tragere wandelaars? Hij knikt. “Dat gebeurt regelmatig, en het zal alleen maar erger worden, tot er een regelgeving komt.”

Hij heeft de knop al omgedraaid. “Ik mikte vroeger met mijn sportwinkel op de skiwinter, maar dat is gedaan. Het sneeuwseizoen wordt almaar korter, met alle nefaste gevolgen van dien. In de weken en weekends dat er sneeuwzekerheid is, staat het hele Oetztal stil: één lange file van wintersporters. In dat toerisme zie ik geen toekomst meer.”

‘Der letzte Schnee’

De trein rijdt via Liechtenstein naar Zwitserland. Het is smoorheet. De bergen pieken in een waas van hitte. Oudere mannen in zwembroek zitten op een bank, de armen breeduit op de rugleuning. In het station van Chur vraag ik inlichtingen aan de infobalie, niet omdat het nodig is, maar om mijn beurt te kunnen afwachten in het met airco gekoelde bureau.

De trein van de Rhätische Bahn vertrekt naar Andermatt. Robuuste locomotief, kloeke rode rijtuigen en de ramen kun je openduwen tot aan je middel. Dat zoiets nog kán en mág! Hier is duidelijk geen EU, hier heerst nog niet die internationale regelzucht qua veiligheid; het graveerplaatje vraagt alleen om het hoofd niet té ver uit het raam te steken. Prachtig, zo’n rijtuig met flapperende gordijnen en lawaai dat aanzwelt tot luid schurend geraas als de trein in een tunnel verdwijnt. Er is ook nog altijd die harmonicasluis tussen twee rijtuigen, met krijsende bodemplaten die heen en weer schuiven. Daar ging je als kind op staan, omdat je daaronder sporen en bielzen zag razen, dat ‘gevaar’ trok je aan. Van overal komt de zomer in de trein waaien: de geur van vlierbloesem, hooi en droge koeienvla.

De ingang van de 'Eisgrotte': al 120 jaar houwen arbeiders elk jaar een tunnel van 100 meter lang in de Rhônegletsjer. ‘Als het zo doorgaat met het klimaat, is het hier binnen tien jaar gedaan.’

Er is vaak maar een enkelspoor, de treinen kruisen elkaar in de stations. Terwijl de rijtuigen naast elkaar schuiven, zwaaien reizigers naar elkaar, ook meisjes van vijftien wuiven, hoe geweldig uncool is dat?

De kleine stations in dit deel van Graubünden zijn in hout en donkere beits, met bloembakken aan de ramen en een emailplaat die exact aangeeft hoe hoog het station boven de zeespiegel gelegen is. Stations met prachtige namen als Sumvitg-Cumpadials en Valendas-Sagogn. Soms is er amper een perron, de reizigers stappen uit op grind en sporen.

De trein stopt in Tavanasa. Dat is het dorp van de schrijver Arno Camenisch (41). Ik heb zijn laatste boek bij me. Der Letzte Schnee (2018) gaat over de klimaatverandering en het wegblijven van de sneeuw. Ik ontdekte Camenisch in de bibliotheek, met drie vertaalde en mooi vormgegeven boekjes uit 2013. Camenisch is de schrijver van het dorpsbestaan, anekdotisch, tragikomisch en in een laconieke verteltrant, met veel spreektaal en lokale uitdrukkingen; hij hanteert dan het Reto-Romaans, een van de vier talen in Zwitserland. De laatste jaren rijst zijn ster, zijn performancelezingen trekken scharen fans. Zijn recente boek over de verdwijnende sneeuw is een dialoog van twee dorpsfiguren die al jaren een kleine skilift bemannen. Camenisch is de schrijver van de vergankelijkheid, in zijn boeken sluiten winkels en postkantoren, vertrekken jongeren naar de stad en sterven mensen onbeholpen, struikelend in een keldergat.

Kalàng-kalàng

Watervallen storten bijna tot tegen de trein. We komen door een gebied met veel kloven en tunnels. De trein fluit keer op keer, het is nog krek dezelfde toon als in de jaren 60. Dat ontroert me. Treinen kunnen dat teweegbrengen. Wij hadden thuis geen auto, nooit één gehad zelfs. De zomervakantie in de bergen was altijd met de trein. Toen nog de nachttrein met compartimenten, schuifdeuren, en ’s avonds de ligbanken van de couchettes die je moest uitklappen. En niet kunnen slapen terwijl moeder zegt: ‘Je móét slapen!’ En vader die de hele nacht zwijgend zijn Davros-sigaretten staat te roken in het gangpad. De duisternis die langs de ramen glijdt met dorpen en kleine straatlichten. De knarsende rails en de grotere stations waar de trein stopt. Thionville. Metz. Mulhouse. Basel. De silhouetten die tussen de sporen lopen, arbeiders met een vreemde taal in de grote stille nacht. Met slagen van een lange hamer controleren ze of de remmen wel los van de wielen zijn. Dat heldere kalàng-kalàng was hét geluid van de naderende vakantie in de bergen. Terwijl ik dit schrijf, rijst het haar op mijn armen. Het zit dus diep: de trein en de bergen.

De bocht aan Hotel Belvédère staat op ontelbare postkaarten en was in 1964 het decor voor een achtervolgingsscène in de Bond-film 'Goldfinger'.

Na de Oberalp-pas, met zijn plakken laat gevallen sneeuw, raak ik in gesprek met drie medereizigsters. Ze zijn zestig à zeventig en komen uit het Fieschertal, in het kanton Wallis. Ik zeg dat ik daar de ijsgrot van de Rhônegletsjer wil bezoeken, en dat ik die als kind al gezien heb in 1965. Toen begon die ijsblauwe grot nog vlak achter de souvenirwinkel. Dat weten zij natuurlijk ook nog. Tot de jaren 80 was het 20 seconden stappen tot aan dat ijs, nu zijn het 20 minuten; die gletsjer blijft maar achteruitgaan! Ze zijn nieuwsgierig. Draag jij ook een Zwitsers zakmes zoals wij? En waar is je vrouw? Zit ze misschien in die grote rugzak? In zo’n gezelschap zit ik.

Op de spoorlijn naar Fiesch ligt Gluringen. Ik vertel over mijn eerste skilessen daar, een reis met de ziekenkas in januari 1970, en hoe een maand later die gruwelijke lawine viel op het vlakbije Reckingen: dertig doden. Ze knikken, het waren bijna allemaal jonge doden. Eén baby overleefde: zijn wieg was bovenop de lawine blijven dobberen. Ze moeten eerder uit de trein dan ik. De laatste van de drie stapt uit in Münster, “daar staan nog houten huizen van honderden jaren oud”, en fijn, hoe we konden babbelen. Ik zie dat ze op het perron blijft staan, ze zoekt mijn raam, ze wuift tot mijn rijtuig geheel verdwenen is.

Vergane glorie

Hotel Park serveert op zomeravonden als deze zijn avondmenu in de tuin. De wind strijkt lauw over de gedekte tafels en langs appelbomen met gekleurde gloeilampen. Onder elk bord ligt de aloude kleurplaat van de omgeving: een plattegrond met de horeca, kabelbanen en natuurlijk sneeuw op alle bergen. Op papier heeft een berg niets te vrezen.

De volgende morgen vertrek ik opnieuw uit het station van Fiesch. De wachtende Japanners op het perron hebben grote theemutsen op hun hoofd, andere reizigers dragen een handdoek over kop en schouders. De hittegolf gaat zijn vierde dag in.

Vanaf het station Oberwald rijdt de gele postautobus naar de Furkapas. PostBus is de openbare busdienst: stipt, comfortabel en met een netwerk tot in afgelegen dorpen. Er is een overstap van 20 minuten in Gletsch, op 1.760 meter hoogte. Gletsch was tot 1980 één van de grootste attracties van het Zwitserse toerisme, omdat je van hier al de bergwand met de Rhônegletsjer kon zien, een enorme gestolde waterval. Goethe, in 1779, en koningin Victoria van Engeland, in 1868, kwamen speciaal tot hier gereisd en hebben lyrisch over die gletsjer geschreven. Dit ijs is immers de bron van de Rhône, die 800 kilometer aflegt naar Lyon, Avignon en de Middellandse Zee.

Tot 1996 zag je vanuit Gletsch nog een glimp van de gletsjer, nu kijk je op een richel van steen en gruis. De gletsjer heeft zich teruggetrokken, heeft daar een groot smeltmeer gevormd, en trekt zich nog elk jaar véle meters terug: 136 meter tussen 2011 en 2016.

Wegens dat zicht op de gletsjer is in Gletsch het monumentale hotel Glacier du Rhône gebouwd, met 320 bedden. In 1860 was het af. En tot in 1970 waren er hotelgasten en personeel genoeg; één knechtje moest alleen maar papiertjes oprapen. Nu zijn er nog 80 bedden en één grote dineerzaal met geweien aan de muur. Dood been hoort bij een oud hotel.

James Bond

De bus vertrekt. Mijn naaste medepassagier denkt dat de gletsjers ooit wel terugkomen, maar dat het misschien nog duizend jaar kan duren. Na een lange zigzag is daar ineens de legendarische bocht naar het Hotel Belvédère. Die bocht staat op ontelbare postkaarten en op miljoenen foto’s. In de jaren 50, 60 en 70 stond er elke zomerdag een colonne toeristen in die bocht. Allemaal wilden ze fotograferen hoe de gletsjer daar tegen de vangrail leek te plakken. In de film Goldfinger (1964) wordt James Bond hier achtervolgd en is dat grote ijspak goed te zien.

Hotel Belvedere (°1882) had tot de eeuwwisseling nog een restaurant dat op de gletsjer uitkeek. In 2013 heeft het zijn statige deuren gesloten en zijn de ramen met planken gebarricadeerd. De gletsjer was dan al even uit het zicht verdwenen.

We zijn op 2.300 meter, een parking vol auto’s, moto’s en mobilhomes, en overal reclame voor de ijsgrot. Er staat dat Hinein ins eisblaue Vergnügen open is van juni tot midden oktober en dat je “nergens in Europa zo dicht bij een gletsjer kunt komen met de auto of met de touringcar”.

Het Hotel Belvédère en de ijsgrot zijn privébezit van de familie Carlen uit Brig, zij hebben het alleenrecht om jaarlijks een ijsgrot uit te houwen. De ijsgrot bestaat al meer dan 120 jaar. De bouw ervan duurt zes weken. Als de arbeiders begin mei met de helikopter landen, ligt er vaak 10 à 15 meter sneeuw. Ze moeten tot op het ijs graven en de tunnelresten van het jaar tevoren vermijden. Elk jaar moeten ze een nieuwe tunnel uithouwen, met kleine graafmachines en grote kettingzagen. Zo’n 350 ton ijs moet uit de gletsjer, voor een tunnel van 100 meter.

IJsdoeken

Het bord ‘ijsgrot’ bij de ingang heeft grote druiperige letters, naar analogie met frisco’s en ijspegels. Dat is nu een bedenkelijke typografie geworden: de drup zit er al in. Maar eerst moet ik nog door de souvenirbazaar. Koeienbellen, sneeuwbollen, schnapsglaasjes, bergkristal: alles is aanwezig. Aan de kassa zit Elsa Carlen, die triomfantelijk zegt dat zij het oudste souvenir is, ze wordt negentig. Het is 9 Zwitserse frank voor een volwassene, 6 frank voor een kind. Niemand krijgt een toegangsbewijs, ze zet streepjes op een blad. Dan stap je door een draaihek en kom je op het bergpad naar de ijsgrot.

In de verte zie je de ingang van de ijsgrot onderaan de gletsjer, waarvan sinds 2014 zo’n 25.000 vierkante meter met doeken is afgedekt. Die moeten het afsmelten afremmen. Geschatte kost: 250.000 euro. Aanvankelijk zaten die zeilen strak op het ijs, nu zijn ijsbulten ontstaan, gehuld in slordige polyesterlappen.

Het ijs in de grot komt van vallende sneeuw uit de tijd toen Bach en Beethoven nog leefden. Vandaag gutst en lekt overal smeltwater. ‘Je hebt een paraplu nodig!’

Ik kom op een ‘goed’ moment. Op het pad lopen twee werkmannen naast een klein elektrisch rupsvoertuig. Daarop twee grote rollen polyesterdoek, in totaal 400 vierkante meter, ze gaan ‘slechte stukken repareren’.

Ik kom uiteenlopende nationaliteiten tegen, zelfs toeristen uit de VS en Kameroen, en al even uiteenlopende reacties. Velen weten niet dat de gletsjer smelt en achteruitgaat, ze vinden het normaal dat je voor zo’n ijsgrot een eindje moet stappen. Dat je in 1995 maar 200 meter moest stappen en dat je in 1980 nog meteen van de souvenirwinkel in de gletsjer kon, wekt algemene verbazing. Nogal wat toeristen weten evenmin dat de gletsjer al jaren met zeilen wordt afgedekt; een Nederlandse familie vindt het “fantastisch dat de eigenaar de gletsjer zo probeert te redden”. Een Zwitsers echtpaar kwam hier de eerste keer in 2011 en komt elk jaar foto’s nemen van wat is afgekalfd. “In de hete zomer van 2018 is hij extreem achteruitgegaan.” Een Frans koppel komt nog één laatste keer kijken. “Als het zo doorgaat met het klimaat, is het hier binnen tien jaar gedaan.”

Lapmiddel

Het is geen makkelijk pad, wat maakt dat de ijsgrot niet bereikbaar is voor rolstoelgebruikers of voor wie slecht te been is. Na 20 minuten kom ik bij de ingang. Ook die is afgedekt met een kap, als een sombere hoodie.

Het zou een wonder der natuur moeten zijn om in ijs van 200 à 300 jaar oud binnen te treden. Dit ijs komt van vallende sneeuw toen Bach en Beethoven nog leefden, dit ijs is van de rococo en de Franse Revolutie!

Zo geheimvol was die ervaring nog in 1965. Je kwam in een azuurblauwe grot, een ijskoude spelonk met een stil gewelf. Nu kom je in een ijshol dat klinkt als een stortbad, overal lekt en gutst water, bezoekers komen na enkele minuten ijlings weer naar buiten: “Je hebt een paraplu nodig!” Er zitten ook gaten in het plafond. Je ziet ingestorte sneeuw, of de blauwe lucht, of erger, je ziet bruinsmerige zeildoeken, vies als uitpuilende ingewanden, en ook die zeilen lekken van het smeltwater. Wandelend naast de druipmuren en op de houten loopplanken heb ik niet het gevoel van een ijsgrot. Ik ervaar een loopgracht, een dodengang.

Bouwvakker Andreas werd klimaatbewust na het zien van de smeltende Rhônegletsjer: ‘Sinds ik dit heb gezien, is mijn denken helemaal veranderd.’

Een Zwitser was hier ook als kind: “Tot tien jaar geleden liep de tunnel uit op een ‘ijssalon’ met een fotograaf in berenpak, die maakte souvenirfoto’s waarbij je tussen twee beren moest poseren.” Nu is er geen einde meer aan de tunnel, de weg is versperd door een instorting.

Op de terugweg spreek ik de Duitser Andreas en de Pool Pjotr, twee bouwvakkers die al maanden in Wallis aan het werk zijn. Andreas was hier vorig jaar voor het eerst, met zijn vrouw, en wat hij zag heeft “zijn denken helemaal veranderd”. Hij was niet zo bezig met het klimaat, maar hij vond het verschrikkelijk toen hij die smeltende gletsjer zag. Iemand had hem de vroegere contouren gewezen, hoe hoog en hoe ver het ijs nog kwam twintig jaar geleden, en dat had hem geschokt, dat immense volume dat weg was. “Wij Duitsers hebben altijd te horen gekregen: trek lessen uit het verleden. Die oorlog en die Holocaust, dat mochten wij nooit vergeten. De laatste jaren gaat men daartegen in: altijd dat omkijken, wij moeten naar de toekomst kijken. Wel, dat ze naar hier komen. Iedereen die zijn schouders ophaalt over de klimaatopwarming, moet dit zien. Dit is dé les voor de toekomst!”

Een Duitse fotografe vindt de gletsjer maar niets, maar die doeken vindt ze “fascinerend: al die tinten wit, grijs en grauw, wunderbar!” Ze is niet de enige. De laatste jaren zijn al meerdere kunstfotografen neergestreken. Ze komen in alle vroegte of met het avondlicht, sommigen kamperen zelfs op de gletsjer. Zij zien geen lapoplossing, geen gletsjer van Spullenhulp, voor hen is het land art, het doet hen denken aan de verpakkingskunstenaar Christo.

Ik drink koffie in de bar waar Urs, de kelner, me in het Nederlands aanspreekt – “Ik heb ooit een Vlaamse vriendin gehad.” Hij opent een zaaltje en daar hangt een prachtige reclameplaat van rond 1900: de gletsjer en het Hotel Belvédère in volle glorie en in een gulden lijst. Zijn keukenhulp schampert: “Ach, Urs, dat verleden is voorbij! Alles smelt hier als een sneeuwman in de zomer! Weet je wie ze naar hier moeten sturen?! Die mensen die zich in ijs laten begraven om binnen honderd jaar weer springlevend te verschijnen; die moeten dat hier maar eens proberen!”

Waardig sterven

Van het weidse hooggebergte kom ik weer in mijn kleine hotelkamer. De goedkoopste van Hotel Park, ik heb er zelf om gevraagd. Voor 50 Zwitserse frank (45 euro) is er het ontbijt, het bed, het wasbakje, het winterlandschapje aan de muur en het uitzicht op de rotonde, waar om halfzes het verkeer op gang komt. Op de gang is er de gemeenschappelijke douche en de gedeelde wc met spartaans toiletpapier. Ook inbegrepen: de sigarettengeur die soms vrijkomt uit het laaghouten plafond. Ik ben de rugzakreiziger van de jaren 70, ik kan nog altijd geen geld uitgeven aan een hotel.

De kerkklok slaat nog laat zijn luide kwartieren. De krekel tsjirpt door het open raam. Ik schiet kersenpitten de nacht in. Korte tik op de geparkeerde auto’s.

Om tien voor zeven luiden de kerkklokken al. Het is warm in de ontbijtzaal, ook al houden de gordijnen de zon buiten. De gedempte stemmen aan de tafels, het scheuren van een zakje suiker, het tikken op een ei, en weer een lange stilte. Waarom zetten ze Radio Eviva niet op? Hét Zwitserse radiostation met jodelgezang, harmonicaverzoeknummers en plechtig gedragen zangkoren. Je hoort een Zwitserland waarvan je niet wist dat het nog bestond.

Een uur later spreek ik Kilian Volken (68) in zijn sportwinkel in Fiesch. Zijn vader en grootvader waren berggidsen, twee broers zijn het ook. De handdruk is stevig, de blik vastberaden: een man die bij elk alpien weertype lastige knopen kan doorhakken. Hij maakt zich druk in de hittegolf van deze week. Gisteren is op de Jungfraujoch (3.454 meter) 19 graden gemeten, terwijl het daar in juni gemiddeld nul graden is. Negentien! Verschrikkelijk!

Volken kent alle gletsjers in de buurt en heeft al meerdere Zwitserse glaciologen begeleid. We praten over de Rhônegletsjer als over iemand met een slepende ziekte die snel achteruitgaat.

Kilian Volken, al 50 jaar berggids en begeleider bij gletsjerexcursies: ‘Het is wrang om te zeggen, maar dat smelten is onze beste reclame.’

De krant Walliser Bote kopte: ‘Laat de gletsjer waardig sterven.’ Dat was ook een oproep op de sociale media.

Volken: “Ik deel die mening. De Rhônegletsjer is op sterven na dood en de eigenaar, Philipp Carlen, gaat die dood nog wat rekken. Hij gaat die ijsgrot afdekken om zijn gewin veilig te stellen. Dat is toch een schande? Het zijn ook geen beschermdoeken, het zijn lijkwaden. Met enkele andere berggidsen zijn we vorig jaar een actie begonnen om die folie te laten verwijderen. Blijkbaar is die Carlen ook advocaat, want hij wilde meteen juridische stappen ondernemen, omdat ‘dat protest hem financiële schade toebracht’.

“Hijzelf brengt klimmers in gevaar, want door die doeken moeten we nu een omweg maken doorheen de gevaarlijke steenslag van de morenen. In september 2018 heeft een bergwandelaar, mét gids, daar nog zijn beide benen gebroken.”

Carlen beweert dat het om cycli gaat: gletsjers krimpen en zetten dan weer uit.

Volken: “Ik zal u zeggen wanneer de gletsjers aangroeiden. De laatste keer was tussen 1978 en 1984, met nefaste gevolgen voor het Fieschertal. Door de ijsaangroei op de Aletschgletsjer brak de gletsjertong al eens af in de Märjelensee. Dat stuwde telkens zoveel water naar het dal dat alles overstroomde, de 74 kilometer van Fiesch tot Sion!

“De bergbewoners zijn altijd beducht geweest voor overstromingen en de aangroei van de gletsjer. In 1678 is hier een jaarlijkse bidprocessie in het leven geroepen en de smeekbede was: ‘Heer God, laat de gletsjers krimpen!’ Die processie bestaat nog, maar sinds de eeuwwisseling begon iets te wringen bij die processiegangers: we moeten in feite voor net het omgekeerde bidden. Mijn broer, die in de politiek zit, is in 2009 tot bij de paus in Rome geraakt. Dat was toen de Duitser Ratzinger, die was van Beieren en die kende iets van bergen. Een jaar later heeft hij de officiële Roomse toelating gegeven dat die eeuwenoude bidprocessie een nieuwe smeekbede kreeg. ‘Heer God, laat de gletsjers weer groeien!’

“Eigenlijk trekken de gletsjers zich terug sinds de jaren 20, maar zo miniem dat het amper opviel: minder dan één meter per jaar. Tot in de jaren 90, dan is het snel beginnen te gaan. Vorig jaar met die hete zomer is de Aletsch (de grootste gletsjer van de Alpen, red.) 38 meter korter geworden. Dat is extreem veel.”

Gletsjers die zo teruglopen, het moet voor sommige bergbewoners haast even ingrijpend zijn alsof onze Noordzee zich in sommige badplaatsen anderhalve kilometer zou terugtrekken. Dat je 20 minuten over brak zand en in onbruik geraakte golfbrekers moet stappen om de eerste golven te kunnen zien. En dat prentkaarten worden verkocht: hoe het vroeger was, tot waar de zee kwam, en dat je zomaar van de zeedijk in zee kon wandelen.

Tussen juni en september bent u bijna dagelijks met klimmers of bergwandelaars onderweg. Spreekt u met hen over de klimaatverandering?

Volken: “Ik moet niets zeggen, iedereen kan het zien. Twintig jaar gelegen volgde je een bergpad en stapte je zonder problemen op de gletsjer. Nu smelten de randen af, je krijgt een kloof in plaats van een makkelijke toegang. Neem de Konkordiahütte, die is gebouwd boven de Aletsch. Aanvankelijk kon je met een ladder, later met een stalen trap tot op het ijs. In 1976 had je 254 trappen omlaag tot aan het ijs, vorig jaar waren het al 520 trappen!

“Heel wat klim- en wandelroutes veranderen daardoor. Neem de wandelkaarten. Vorige eeuw kon je daar tien of twintig jaar op vertrouwen, maar nu! Kijk, dit is de nieuwste kaart van het Binntal-gebied, uitgave 2014, die kaart is nu al achterhaald! Ik ken bergtoppen die je vroeger via een gletsjer moest beklimmen: je had een klimtouw, klimijzers en een ijspriem nodig. Nu kun je daar fluitend omhoogwandelen, zonder touw en ijzers. Geen ijs meer, alleen nog slib en sediment, en dat op 3.000 meter!”

Hoe ervaar je die teloorgang als je met die bergen bent opgegroeid?

Volken: “Bergen, dat zijn valleien, met bossen en alpenweiden en daarboven de kale rotsen en de hoge pieken die in de zomer nog sneeuw en ijs hebben. Een groene basis met een witte kroon, dat is een berg voor mij, maar dat is gedaan. Elk jaar worden de bergen grijzer, grauwer en eentoniger.”

Het lot van de bergen en de gletsjers in zijn regio beroert velen. In 2007 verzamelden zich zeshonderd mensen op de Aletschgletsjer voor een gezamenlijke naaktfoto: het kwetsbare lichaam op de kwetsbare gletsjer. En vorig jaar is op de Aletsch de grootste postkaart ter wereld uitgestrekt: 2.500 vierkante meter met 125.000 kindertekeningen van over de hele wereld die aandacht vroegen voor de klimaatverandering.

Volken zelf merkt de impact op een heel onverwachte manier.

Volken: “De laatste jaren was die Gletscherschmelze doorlopend in de media. Wij berggidsen zagen dat aan met lede ogen. We vreesden dat de mensen geen interesse meer zouden hebben in een gletsjertour. Maar wat zien we de laatste vier jaar? Een stormloop. Nog nooit hebben wij zoveel mensen over de gletsjers gegidst. Alsof de mensen denken: ‘Het is nu of nooit, de gletsjers liggen op sterven en ik wil ze nog één keer zien voor het te laat is.’ Het is wrang om te zeggen, maar dat smelten is onze beste reclame.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234