Maandag 21/06/2021

RECENSIE

Sigur Rós in Vorst: bombastisch, breekbaar en briljant

Sigur Rós, bombastisch, breekbaar én briljant in Vorst Beeld Photo News
Sigur Rós, bombastisch, breekbaar én briljant in VorstBeeld Photo News

Een drummer in bloot bovenlijf, Jónsi die met zijn gitaar de eerste rijen opzocht en een oorsplijtend volume: Sigur Rós dompelde vorst onder in snoeiharde schoonheid.

We hebben ze nooit begrepen, mensen die Sigur Rós bestempelen als ambient of zelfs new age. Hoe kun je in godsnaam ontspannen op muziek die voortdurend op barsten staat? Ook zondag in Vorst was de verstilling snel doorbroken. Het nieuwe ‘Á’ en ‘Ekki Múkk’ (uit Valtari, hun kalmste plaat) openden het concert nog ingetogen met behoedzame drums, rustgevend geruis en zachte klanken uit het natuurfenomeen dat Jonsí’s keelgat is.

Maar in ‘Glósóli’ en vooral ‘E-Bow’ verstoorden gitaarnoise en een overstuurde bas abrupt de idylle. Het was alsof we – pas op: IJsland-clichés! – door een mistig vulkanisch landschap wandelden en plots door een geiser twee meter in de lucht werden gekegeld.

Nee, Sigur Rós gunde zijn fans niet veel rust. Alleen in de eerste helft – de band speelde twee sets van een uur met een pauze ertussen – was de sfeer soms sacraal te noemen. Zo hadden ‘Dauðalagið’ en ‘Fljótavík’ weinig nodig om te betoveren: een eenzame piano, een korrel in Jonsí’s castratenstem en een paar goed gemikte drumslagen.

Al even magisch en minimalistisch maar effectief oogde het podium tijdens die nummers: gele staaflampen tegen een blauwige achtergrond – denk hier gerust aan het noorderlicht – en spots die flikkerden als de gensters boven een kampvuur.

Onheilspellend gehijg

De laatste plaat van de IJslanders kwam alweer uit in 2013 – sindsdien is de band herleid tot een trio – en tijdens deze ‘Evening with Sigur Rós’ in Vorst bracht de band dan ook vooral een soort greatest hits. Toch kregen we ook vier nieuwe songs te horen die, op opener ‘Á’ na, bijeengepakt zaten in het midden van de show.

Wat opviel? Het treurige walsje ‘Niður’ deed ondanks de vervormde stemsamples en het onheilspellende gehijg meteen vertrouwd aan. En ook ‘Varða’ had alles in zich om een Sigur Rós-klassieker te worden: een bloedmooie melodie en Jonsí die klanken zong waar je niets van begreep, maar waar je met je eigen verbeelding toch woorden op kon plakken die naar je keel grepen.

De grootste verrassing zat wel in ‘Óveður’, ook nieuw en het eerste nummer van de tweede set. Achter een gerasterd scherm bleek het driekoppige Sigur Rós drums en gitaar ingeruild te hebben voor allerhande apparatuur. En hun karakteristieke sound voor iets wat het midden hield tussen Third van Portishead, de krakende elektronica van Fennesz en de industrial van Nine Inch Nails.

Zulke elektronische accenten plaatste Sigur Rós wat later ook in ‘Vaka’ uit de plaat (): niet alleen werd Jonsí’s stem gesampled en verdubbeld, je hoorde ook ijl gerinkel en vaag gesuis dat aan Boards of Canada deed denken. Beide songs boden een prachtige mix van nieuwe technologie en klassieke schoonheid, net als de projectie achter de band tijdens ‘Óveður’: het gezicht van Jonsí als een kruising tussen het spijkerhoofd van Hellraiser en de met pijlen beschoten martelaar Sint-Sebastiaan.

Exploderende Melkweg

Halverwege het ronduit schitterende ‘Sæglópur’, dat op ‘Óveður’ volgde, greep de band weer naar zijn vertrouwde instrumenten en scheurde Jonsí alles aan flarden met zijn strijkstok – op de achtergrond leek intussen de Melkweg te exploderen. Al even verzengend was ‘Ný Batterí’, de oudste song op de setlist, maar hij klonk nog even fris als toen we hem voor het eerst hoorden, in 2000 op Pukkelpop.

Ook het silhouet van Jonsí was nog even herkenbaar als toen: dat kuifje, die lange armen met de mouwen van zijn trui tot halfweg zijn handen, dat slungelige lijf dat vaak gebogen over de gitaar hangt, handen die zich aan de gitaarhals vast lijken te klampen.

Zeventien jaar later is Sigur Rós nog altijd even onaards en uniek, ook al zijn ze in al die tijd natuurlijk een stuk extraverter geworden. Het slottrio songs deed zelfs ronduit verschroeiend aan: ‘Festival’ was My Bloody Valentine dat zich aan middeleeuwse kerkmuziek waagde, ‘Kveikur’ stak – opnieuw – Nine Inch Nails naar de kroon en eeuwige setsluiter ‘Popplagið’ sloeg de bodem onder onze voeten weg.

Sigur Rós verzoende extremen in Vorst: de band klonk tegelijk bombastisch (de noise, de mokerdrums) en breekbaar (de engelenzang van Jonsí, het gletsjertempo van de basgitaar), maar bovenal briljant.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234