Zondag 28/11/2021

Shanghaihet trotse, hongerige hart van China

Ik heb al twintig jaar iets met deze stad, zij het niets eenduidigs. Mijn gevoelens voor dit evenzeer arrogant als dynamisch oord fladderden altijd al alle richtingen uit, maar verdwijnen deden ze nooitEr waren veel dingen die we hier voor het eerst deden: een prostituee spelen in een Chinese film bijvoorbeeld. Het werd de zedigste hoerenrol uit de filmgeschiedenisMevrouw Shi houdt lachend mijn hand in de hare en gebaart me binnen te komen. 'Ik word oud, kind, maar jij, jij bent niet veranderd'Meijun, 48: Het gros van de zekerheden is ons ontnomen. Nu hebben we deadlines en stress, we moeten bijblijven, competitief zijn en ons voortdurend bewijzen. We moeten almaar meer verdienen

Een kwart van 's werelds kranen nam Shanghai onder handen, de stad waar ik een jaar van mijn leven achterliet. Haar dichtbevolkte, oude hart werd verbrijzeld, haar geschiedenis geaborteerd. En toch, hoe meer mijn Shanghai veranderde, hoe meer het zichzelf bleef. Door Catherine Vuylsteke Foto's Jimmy kets pagina 62

Hoewel verhalen over Shanghai meestal gaan over weergaloze transformatie, bewierookt of betreurd, verandert het oord in mijn hoofd nauwelijks. Of beter: hoe meer Shanghai verandert, hoe meer de stad zichzelf wordt - China's trotse, hongerige hart, zijn meest onverzadigbare metropool. Een soort New York eigenlijk, waar de ambitieuzen en de wanhopigen hun kans wagen, inzettend op de belofte van potentieel fortuin.

Het is nu zichtbaar zo, maar vroeger gold het evengoed. Beijingren ai guo, Shanghairen mai guo, Guangzhouren chu guo ('de Pekinezen houden van hun land, de Shanghainezen verkopen het en de Kantonezen verlaten het') is een veelzeggend rijmpje dat ze ons twintig jaar geleden al leerden.

En kijk naar de jaren twintig, dertig van de vorige eeuw, toen Shanghai de Hoer van Azië werd genoemd. Om haar vele ondeugden was dat, maar ook wegens het schaamteloze materialisme dat er domineerde.

Men beweert dat Shanghai zichzelf nu niet meer herkent, en sommigen zien de stad zelfs als een soort laboratorium voor de gehele mensheid. Een waar is uitgeprobeerd hoeveel afbraak en constructie in ijltempo onze soort wel kan hebben, en welke records gebroken worden als je, zoals midden tot eind jaren negentig, meer dan een kwart van alle kranen ter wereld op één plek laat werken.

Aan de feiten kan moeilijk worden gewrikt. Iets meer dan de helft van Shanghais huidige gebouwen verrees in de laatste twintig jaar en het aantal wolkenkrabbers in de stad explodeerde van minder dan 500 in 1995 tot tien keer zoveel nu. Er werd voor 30 miljard dollar aan buitenlands kapitaal geïnvesteerd en de basisinfrastructuur kreeg een financiële injectie van maar liefst 25 miljard dollar. Er zijn drie keer zoveel wegen als vroeger en in zijn pas verschenen Building Shanghai becijfert Edward Denison dat er zo'n 16,2 miljoen vierkante meter accommodatie bij kwam, meer dan in heel China werd gebouwd in de eerste dertig jaar na de communistische machtsovername.

Er werden metrolijnen aangelegd en gigantische bruggen gebouwd over de Huangpurivier. Boven en tussen de gebouwen verschenen cyclopische linten van asfalt, ringwegen die alle uithoeken van de stad met elkaar verbinden en waarop het onderhand toch alweer filerijden is op de meeste uren van de dag.

Tegelijk zagen meer dan twee miljoen mensen de sloophamer inbeuken op de veelal krappe kamers in de centrale oude wijken, die ze decennialang als hun thuis hadden beschouwd. Noodgedwongen vertrokken ze naar de nieuwe woonkazernes aan de rand van deze intussen meer dan twintig miljoen mensen tellende agglomeratie.

De stad is opgeofferd aan de big business en de politiek, meent Denison, ze verbrijzelden haar zo dichtbevolkte hart, en beroofden haar van haar van diversiteit bruisende stegen. Anonieme, spiegelglazen façaden kwamen ervoor in de plaats, ommuurde wooncomplexen en halve snelwegen, waarvan de voetganger voorgoed is geweerd. Shanghai is verarmd tot een stad voor rijken.

Ik wil het zelf zien. Ik heb immers al twintig jaar iets met deze stad, zij het niets eenduidigs. Mijn gevoelens voor dit evenzeer arrogant en oppervlakkig als dynamisch en progressief oord fladderden altijd al alle richtingen uit, maar verdwijnen deden ze nooit.

Shanghai is een beetje mijn stad gebleven. Ik heb er de familienaam Wu en de voornaam Xueli, Mooie Sneeuw, gekregen. Een jaar van mijn leven liet ik er achter, en alle illusies over de kwaliteit van mijn opleiding. Dat de inwoners van die toen al 13 miljoen zielen tellende metropool geen jota snapten van het school-Chinees waarmee ik uitpakte, mocht meteen na aankomst al blijken. In de taxi naar de Fudanuniversiteit, toen ik het nodig vond om bij de chauffeur te informeren of hij thuis een kleuren-tv had. Een idiote poging om een gesprek aan te knopen, dat was het beslist, maar ze had makkelijk kunnen worden bijgestuurd, als we elkaar tenminste zouden verstaan.

In Shanghai leerde ik uiteindelijk behoorlijk Chinees spreken, de zachte zuidelijke versie van het standaard-Chinees of putonghua, niet die van Peking, die klinkt alsof je permanent een hete aardappel in de mond hebt. De Chinese karakters die in vier Belgische studiejaren met grote vlijt waren gememoriseerd en ingevroren voor later gebruik, ontdooiden hier voor het eerst. Het was de overdonderende Shanghaise straatrealiteit die dat bewerkstelligde, veel meer dan de geanimeerde noch interessante lessen aan de nochtans erg beroemde universiteit. Dat oordeel over het onderwijs was overigens algemeen, en weerspiegelde zich ook in de almaar verder afkalvende aanwezigheid van de studenten, tot zelfs de zo van plicht doordrongen Japanners nauwelijks nog opdaagden.

Het was de schuld van de leraren, hun geringe enthousiasme en hun weinig participatorische pedagogische visie, maar evenzeer kwam het door het debiliserende materiaal waarmee ze moesten werken. De economische hervormingen en de Opendeurpolitiek waren enige jaren eerder wel begonnen, maar het was traag en vooral behoedzaam dat China's burgers hun nieuwe vrijheid verkenden. Bovendien was de propaganda die de voorafgaande decennia volledig had beheerst ondertussen wel minder strijdlustig geworden maar nog altijd dominant aanwezig. Je hoorde en zag nog overal debiliserende opschriften en boodschappen over de deugden van het socialisme, de heroïsche industriële en agrarische productie en de dienstverlening aan het volk. En het nieuws in kranten en op radio en tv werd beheerst door bijeenkomsten van batterijen immer constructief vergaderende functionarissen en partijkaders.

Shanghai was overigens veel meer dan een oord om Chinees te leren. Mensen verloren er hun onschuld, zo'n plek was het. Anno 1986 was er alleen Shanghai in Shanghai: brieven waren zeldzaam, bellen was voor rijken, verjaardagen en spoedgevallen. Je kon er zijn wie je wilde en jongeren als wij vonden onszelf vaak en vlot opnieuw uit.

Er waren veel dingen die we hier voor het eerst deden: chili's eten, de hele nacht met Afrikanen dansen, met Peruviaanse zeelui op stap gaan, overleven op een dieet van bier en gestoomde broodjes, slapen in een wegens plaatsgebrek op de kleerkast gestouwd bed, zelfs al kreeg je daar nachtmerries over diepe ravijnen van. En memorabeler nog: een hoer spelen in een Chinese film. Een artistieke uitdaging was dat niet, wel een erg welkom financieel extraatje, zelfs al ging het omgerekend om een schamele 25 euro.

De censors hadden hun loopjongens naar de universiteit gestuurd, ze wilden per se westerlingen voor die rol, aangezien die het monopolie hadden op morele verloedering. En wellicht nog belangrijker: ze waren de enigen die over geschikte kostuums beschikten, over het soort van niemendalletjes die in het socialistisch-kuise China van toen nog geheel onvindbaar waren.

Het werd de zedigste hoerenrol uit de filmgeschiedenis, maar dat moest ook wel want de prent werd in de volgende jaren, zo meldden achtergebleven vrienden, minstens vijf keer op de Chinese televisie vertoond. En de blauwe plekken die ik eraan overhield, hadden minder met seks te maken dan met de versleten zetel waarin ik in een eindeloos te herhalen scène werd neergekwakt, alvorens het hoofdpersonage zich op me wierp en een regie-assistent 'cut' riep.

'Nakoni', buitenlander in het Shanghainese dialect, riepen kinderen en dwazen me ontelbare keren na, maar het rijke leven dat daarbij hoorde, heb ik nooit gekend. Dat was geen ideologische keuze, maar een kwestie van centen. Ik beschikte als beursstudent over omgerekend 20 euro per maand. Aan een baantje viel in het Shanghai van die tijd immers niet te komen en andere inkomsten waren er evenmin.

Met 20 euro viel eigenlijk alleen rond te komen als je geen enkel uitstapje maakte en het het gros van de tijd deed met het vreselijke voer van de studentenkantine, waar het personeel er een vreemd genoegen in schepte de schotels uren op voorhand te bereiden, vervolgens zelf smakelijk van dampende borden te eten en ons de resten later koud en gestold voor te zetten. Geen klaagbrief of boycot die daartegen hielp. Deze mensen hadden een ijzeren rijstkom, ze zwolgen in de geïnstitutionaliseerde luiheid, de onwrikbare garanties en privileges. Dat klanten ooit koningen zouden worden, zouden ze toen niet eens hebben geloofd.

Ik kon evenwel geen genoegen nemen met de kantine en zelfs niet met alleen Shanghai. De rest van het land moest ik verkennen, zijn monumenten, bergen, steden, dorpen en restaurants, mezelf aldus veroordelend tot de allergoedkoopste maaltijden, kamers en treintickets, en bovenal tot eeuwige geldnood. Of beter: tot hetzelfde krappe budget als de doorgaans niet-reizende Shanghainezen, die gebruikmaakten van hun in de rest van China zo geprezen vaardigheid om hun materiële mogelijkheden maximaal op te rekken.

Ik probeerde het te imiteren, hun weergaloze vermogen om kansen te zien en die meteen te grijpen, en om overal een mouw aan te passen. Maar echt bedreven was ik daar niet in, het ritselen en sjacheren stond me fundamenteel tegen. En dus moest vooral die andere, veel algemenere Chinese deugd worden geoefend: de zuinigheid, en de kunst om van weinig meer te maken of dat minstens zo te doen lijken.

Makkelijk was dat allerminst, vooral omdat het Shanghai van 1986 evengoed als nu een oord van verlokkingen was, een stad van transformatie, expansie en vernieuwing. Alleen het ritme was anders, langzamer vooral. Iedereen hield het nauwkeurig bij, welke nieuwe consumptiegoederen week na week arriveerden, alsof het een soort wedstrijd betrof, met maatschappelijk aanzien als belangrijkste trofee. Wie de net verkrijgbare Scandinavische melkpoeder, de oploskoffie of de Zwitserse chocola nog niet zelf had geproefd, wist minstens welke firma's die goederen produceerden, wat ze kostten en waar ze werden verkocht.

Er kwamen blikken trommels met Deense koekjes in de ene etalage, krultangen uit Oost-Europa en Franse nylonkousen in andere. Gretig werden al deze beloftes van betere tijden door de halve stad bewonderd en waar mogelijk betast. In de ontelbare winkelstraten maar bovenal in de immer overbevolkte Nanjingstraat, die ook toen al dagelijks enige miljoenen, vooral windowshoppende bezoekers had.

De Shanghainezen kochten weinig maar keurden alles, en vulden hun vrije dagen ook nog met het bezichtigen van de vijfsterrenhotels die langzaam begonnen te verrijzen. Het was geen zaak om lichtzinnig over te doen: enkel met geföhnde lokken, schoenen met ijzeren plaatjes onder, en pas gestreken nieuwerwetse kleren vertrok men naar een etablissement als het beroemde, centrale Jinjiang Hotel.

Een dergelijk oord vol overdadige luxe werd met een zelden geziene eerbied betreden, de stemming was er haast te vergelijken met die in een boeddhistische tempel. Wie het zeldzame geluk had nog een plaatsje vrij te vinden in de chique fauteuils van de lobby, ging zo snel als de elegantie het toelaat zitten en hield de plaats vervolgens urenlang bezet. De andere bezoekers schreden zo traag mogelijk door het vertrek, opdat hun verblijf in dit van muzak en de geur van onbetaalbare Zwitserse cake doordrongen paradijs eeuwig zou lijken.

Wij waren niet anders. Zonder enige goede reden banjerden we halve dagen in hotellobby's rond. Net als de Shanghainezen watertandden we voor de smaakvol verlichte, glazen kasten waarin rechtstreeks uit Europa overgevlogen taarten rond hun eigen middelpunt draaiden, overwegend een astronomisch bedrag neer te tellen voor één stuk. Zelfs als dat betekende dat er meer dan een week van strikte ascese nodig zou zijn om de zo ontstane bres in onze financiën weer te boven te komen, gingen we af en toe door de knieën. Vaker dan zij in elk geval. Daarin verschilden we misschien nog het meest van de andere inwoners van de stad: in onze grotere onbezonnenheid en onze keuze voor het weliswaar momentane maar totale geluk van een stuk taart.

Anno 2006 terug naar mijn Shanghai is terug naar de familie Shi, bij wie ik destijds menige vrije zondag heb doorgebracht. Etend vooral, zo gaat dat als Chinezen je uitnodigen. Twintig jaar na datum is de familie verhuisd en uitgedund maar niet echt veranderd. Meneer Shi is overleden. Hij haalde nauwelijks zijn pensioen en was een van de talloze luchtvervuilingsslachtoffers. Zijn vrouw woont nu aan de rand van de stad, in een relatief nieuwe wijk die me aan vroeger doet denken. Het wemelt er van de fietsers, gepensioneerden gaan er met vogels in kooitjes wandelen en op de stoep hebben ambulante verkopers hun waren uitgestald: nepantiek, jade en een paar bonzaiboompjes.

"Ik word oud, kind, maar jij bent niet veranderd." Mevrouw Shi houdt lachend mijn hand in de hare en gebaart me binnen te komen. "Weet je nog hoe klein ons huisje vroeger was?" Als een trots, klein meisje toont ze me het ene vertrek na het andere. "De keuken is bijna zo groot als de woonkamer toen, niet? Nochtans, het is de kleinste kamer van dit hele appartement. En herinner je nog hoe verkleumd we 's winters waren, de hele dag zaten we met onze jassen aan. Nu is er overal verwarming, en hebben we zelfs een eigen badkamer. We hoeven je niet meer mee te nemen naar de publieke toiletten op zo'n tien minuten loopafstand van ons huis. Er waren er wel dichterbij, dat wist je, maar ze waren veel te smerig, we schaamden ons ervoor."

Terwijl mevrouw Shi de garnalenhundun of ravioli bereidt waar we vroeger ook al dol op waren, komt haar dochter Meijun(48) aan. Ze vraagt of het me al is opgevallen, hoe jachtig het Shanghaise leven is geworden. "Soms", zegt ze glimlachend, "heb ik heimwee naar vroeger, maar dan verklaart iedereen me gek. Zie je, we hadden tijd, toen, tijd om te klagen over ons leven, om majong te spelen of uitgebreid te koken voor bezoekers zoals jij. We leidden een onbezorgd bestaan, achteraf beschouwd toch. Het ontbrak ons immers nergens aan. We hadden een baan waarvoor we ons niet echt moesten inspannen, een huis, een ziekteverzekering, een school voor onze dochter en een verzekerde toekomst.

"Het gros van die zekerheden is ons onderhand ontnomen. Nu hebben we deadlines en stress, we moeten bijblijven, competitief zijn en ons voortdurend bewijzen. We worden verondersteld almaar meer te verdienen, of dat althans te trachten, om aan onze steeds ingewikkelder behoeftes te kunnen voldoen. Lastig allemaal, als je het mij vraagt."

Meijun lacht en zegt dat het goed is dat haar man haar niet hoort. Hij zou het niet begrijpen, tegen haar uitvaren, weglopen. Immers, Fang heeft het nu vreselijk naar zijn zin.

Hij is een erg succesvol zakenman geworden. Het tegendeel zou me verbaasd hebben, Fang is een geboren ritselaar, daarom meden we hem vroeger zoveel mogelijk. De man interesseerde zich werkelijk nergens voor. Voor politiek, maatschappij of geschiedenis al even weinig als voor eten of kunst. Het enige wat Fang echt bezighield, was geld verdienen. Als een bezetene dokterde hij het ene zakenplan na het andere uit, waarna onze assistentie werd ingeroepen. Konden we gebruikmakend van onze pasjes dit of dat kopen, zouden er studenten geïnteresseerd zijn in de aanschaf van... of vielen er in België zaken te doen met...

Het duurt niet lang of ik begin in mijn hoofd haast dwangmatig een lijstje bij te houden. Of twee eigenlijk, met wat bleef en wat niet. Ik merk dat Shanghai alvast nog smaakt als vroeger. De vieze chemicaliën in het water domineren zoals steeds elke kop thee, maar tegelijk smaken de gerechten die ik zo vaak heb gemist, nog verrukkelijker dan in mijn herinneringen. Dit is het zonder meer aan ons superieure Shanghai (en China): dat van zijn culinaire magie, die op elke straathoek en in iedere keuken pretentieloos wordt bedreven. Ze is geen voorrecht van de verfijnde elite. De heerlijkheden in sjofele, zelfs ronduit smerige tenten verschillen vaak alleen in prijs van die in de meest luxueuze etablissementen.

Shanghai smaakt niet alleen zoals vroeger, het klinkt ook zo. Uitbundig, zelfverzekerd en licht ontvlambaar. Zoals de taxichauffeurs hier schelden en roepen, doen ze nergens elders in China. Het enige nieuwe, maar daarom niet minder dominante en doordringende geluid, is dat van de miljoenen gsm's die een zo merkwaardig centrale plaats hebben verworven in de levens, ego's en budgetten van de Shanghainezen. Voortdurend en overal zijn ze aan het bellen, sms'en zo mogelijk e-mailen. En anders frunniken ze wel aan hun in alle gevallen gepersonaliseerde toestel, dat liefst nog maar net op de markt is.

Mobieltjes zijn hier bovenal markers, objecten ter onderscheiding van mensen, veel meer dan ter vereniging. Samen met de merken van kleren en schoenen bepalen ze iedereens plaats in de door weinigen aangevochten en even stringente als subtiele hiërarchie, die de eigenlijke ruggengraat vormt van deze door sociale mobiliteit geobsedeerde maatschappij. Het was vroeger niet anders, alleen de goederen des aanziens verschilden: er waren nog geen Motorola's, maar wel Mudansigaretten en Moutaidrank.

En straks: hetzelfde, maar meer. Poenpakken, maar nu in overdrive. De fototentoonstelling over urbane jeugdcultuur die het publiciteitsbureau TBWA en het Raffles Design Institute in april organiseerden in een nieuw winkelcentrum spreekt boekdelen. A new breed, heette de expo, maar hoe nieuw zijn Shanghaise jongens die zeggen dat ze 'een simpele droom hebben: een villa kopen en met een dure auto rijden?' "Ik probeer veel geld te verdienen", aldus een tiener. "Geld is bijna alles. Als je er geen hebt, heb je niets." Ze willen veel, en ze zijn optimistisch. "Deze stad biedt eindeloos veel mogelijkheden", meent een meisje, "en je moet er maar één grijpen om succesvol te zijn."

Shanghai is niet veranderd maar de stad ziet er wel anders uit. Al dat visuele geweld dat haar werd aangedaan, en waarmee ze nu is getooid. Een groot deel van haar tussen 1880 en 1930 gebouwde shikumen-huizen ging tegen de vlakte. Slechts op een paar plaatsen, zoals in de wijk Xintiandi, werden vanaf eind jaren negentig pogingen gedaan tot restauratie. Of beter: tot architecturaal revisionisme. De geschiedenis van de shikumen is immers moedwillig uitgewist. Het koloniale verleden, als door westerlingen voor Chinese lage-middenklassegezinnen gebouwde huizen, evengoed als het communistische. Dat in die begin jaren vijftig genationaliseerde huizen tientallen families moesten wonen in vertrekken die voorheen slechts één gezin huisvestten, weet over een paar decennia geen kat meer. De shikumen zijn het zoveelste lege icoon geworden van een stad waarvan de herinnering al te haastig werd gesloopt.

Ze zijn de voorbije jaren voor grof geld verkocht, de gerestaureerde panden van Xintiandi, verpakt als symbool van het kosmopolitische verleden van Shanghai, en van zijn geglobaliseerde toekomst. Waar vroeger duizenden mensen aten, snaterden en sliepen, zijn nu Shanghais allerduurste winkels en restaurants gevestigd. In private clubs zoals die van immobiliënkoning Vincent Lo worden heerschappen als Poetin en Pavarotti geëntertaind. Xintiandi is de biotoop van buitenlandse zakenlui en elite-Chinezen geworden, anderen hebben er niets meer te zoeken.

Datzelfde kapitaalkrachtige publiek frequenteert ook de peperdure bars en restaurants van de Bund, Shanghais beroemde rij van pompeuze gebouwen die aan het einde van de voorlaatste en het begin van de laatste eeuw werden neergepoot door anonieme banken en commerciële firma's. De nu gerestaureerde Bund, op de westelijke oever van de Huangpurivier, gold voorheen als het statige uitstalraam van de stad. Toen de wandelaars nog genoten van de desolaatheid van de overkant van de rivier, was dat, vooraleer op de oostelijke Pudongoever de vele gedrochten verrezen, die Shanghai nu probeert te casten als de symbolen van haar moderniteit.

Gebouwen als de Oostelijke Parel bijvoorbeeld, een radio- en tv-toren, de Jinmaowolkenkrabber, die nergens naar lijkt maar op een Chinese pagode gebaseerd is, of het grootste winkelcomplex van Azië, dat er van op de Bund uitziet als een kitscherig, kleurig maar vooral overmaats pakje. "Het is duidelijk", schrijft de nu in Japan werkende Shanghaise architect Lu Zhongxiao in Beijing, Shanghai Architecture Guide (2005), "dat bij de ontwikkeling van Pudong voorrang werd gegeven aan de monumentale uiterlijke vorm, eerder dan aan enige architecturale functionaliteit. Het werk van de architecten, en het waren niet de minsten, kwam neer op het opzichtig aankleden van een betonnen doos, zodat ze opgemerkt zou worden in de skyline van Pudong."

Precies. En het resultaat is schreeuwerig, deprimerend, irrelevant. Het schijnt dat de ontwikkeling van Pudong het geschenk van China's leiders is aan Shanghai, de beloning voor de kalmte die er heerste in de maanden voor en na het Tian'anmenbloedbad van juni 1989, terwijl er in Hongkong nochtans luid werd geschreeuwd. Luttele maanden later, in april van het daaropvolgende jaar, maakte toenmalig premier Li Peng bekend dat Pudong de 'drakenkop' moest worden van de ontsluiting van de hele Yangtzedelta. Nog voor zijn woorden koud waren, begon de tot op heden aanhoudende bouw- en sloopwoede.

Ik zei het al, dat ik al twintig jaar iets met Shanghai heb, maar niets eenduidigs. Elke keer als ik er kom in het gezelschap van iemand die de stad nooit eerder aanschouwde, begin ik haar gelijk op te hemelen, ongevraagd de charmes overdrijvend en de onhebbelijkheden verdoezelend. Zie je hoe gesofisticeerd de mensen..., hoe weelderig het groen in de plantsoenen..., de bediening is hier toch vlotter. Ik hoor het mezelf zeggen. En toch is mijn liefde voor Shanghais gratie en dynamiek niet groter dan mijn afkeer voor haar oppervlakkigheid, haar hebzucht en haar materialisme.

"Je weet toch dat de Shanghainezen een gat in hun hart hebben", zegt een Syrische kennis die de voorbije twintig jaar in de stad doorbracht. "Hun enige loyauteit is aan het slijk der aarde, nu misschien nog meer dan vroeger. Of tenminste, ze winden er geen doekjes meer rond. Waarom dacht je overigens dat zoveel buitenlandse werkgevers geen Shanghainezen meer in dienst nemen? Binnen het half jaar zijn ze vertrokken. Ze hebben hun job en de vaardigheden die ze er eventueel leerden, louter gebruikt als springplank naar beter. Maar ik vertel je niets nieuws. Je weet hoe competitief deze maatschappij altijd al was en nog steeds is."

Op zo'n momenten is het goed te weten dat er ook lieden als Hu Yang (47) zijn, een consequent fietsende antimaterialist en accidenteel fotograaf, die net zijn eerste boek uit heeft. Hij lacht met de verwijten van extreem materialisme. "Er is ons gedurende tientallen jaren voorgehouden dat we een utopisch bestaan konden en moesten leiden. Luxe en comfort golden in dat maoïstische universum als verwerpelijke zwakheden, restanten van een voorgoed overwonnen, inferieur systeem. Beschouw dit als de begrijpelijke tegenreactie. En vergeet ook het spreekwoord niet, dat één nacht voldoende is om fortuin te maken, terwijl er een heel leven nodig is om een mens beschaving te geven. Voorlopig is dit een maatschappij van nouveau riches, maar het komt wel goed. Geef ons tijd."

Gedurende veertien maanden fotografeerde Hu Yang meer dan vijfhonderd Shanghainese families bij hen thuis. Vogels van alle pluimage, van stinkend rijken in parvenu-interieurs tot rurale migranten in krottige kleine kamers, aan wie tevens werd gevraagd of ze tevreden waren met hun leven en wat ze het meest wilden en vreesden. Het resultaat is prachtig, al viel het niet mee om mensen over te halen om te poseren. De rijken wilden immers geen pottenkijkers uit vrees voor hun veiligheid, de middenklasse had het te druk en de armen wilden hun gezicht niet verliezen door de sjofelheid van hun interieur prijs te geven.

Hu Yang toont het Shanghai dat ik ken: een ongegeneerde, intense en extreem heterogene stad. In zijn Shanghai Living spreken de enen hun hoop uit op een job of op een onderkomen zonder lekkend dak, terwijl de anderen wensen dat ze een paardenmanège konden runnen en morgen met pensioen gingen.

Interieur na interieur onthult de stad zich, tegelijk protseriger en benepener dan verwacht. Veranderd ook, meent Hu zelf. "Het is makkelijker", vindt hij, "om stenen op elkaar te leggen of te vergruizelen dan om je hart te veranderen. Maar wees ook niet blind voor wat die stenen met onze harten deden. Zie je, vroeger woonden we allemaal dicht bij elkaar en hadden geen benul van privacy. Koken, kleren wassen, majong spelen, het gebeurde allemaal op de overlopen van appartementsgebouwen en in de stegen tussen de shikumen. Nu is de deur naar de ander altijd dicht. We zijn naar wolkenkrabbers verhuisd en hebben overal aparte kamers voor: keukens, badkamers, bureaus. We e-mailen, bellen. Praten met elkaar doen we nog nauwelijks. We zitten voor de televisie.

"Eigenlijk zijn we van het ene uiterste naar het andere overgegaan, in de voorbije twintig jaar: van een leven in een overbevolkte, haast uitsluitend publieke ruimte, naar een waarin we de ander niet meer ontmoeten. En zo krijgen we oudjes met depressies, kinderen die nooit geleerd hebben om te delen en gestreste dertigers en veertigers die nog nauwelijks uit hun carrières kunnen ontsnappen. Het is dan ook de grootste uitdaging voor de toekomst om Shanghai terug te geven aan haar burgers, haar menselijker te maken."

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Pascal Decroos Fonds

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234