Maandag 20/09/2021

Servische harten in Belgrado openen zich voor Ceca, de vrouw van Arkan

De verschrikkelijke verhalen uit Kosovo hebben geen plaats op dit plein

Robert Fisk in Belgrado

Toen Ceca begon te zingen verzonken de mensen om me heen in emotie. Ze huilden. Ze dansten met drie vingers in de lucht, het Servische teken voor eeuwige overwinning, een eresaluut voor de mooie jonge vrouw op het podium.

Ceca's haar was lang en bruin en in haar perfect gesneden pantalon schreed ze van het ene naar het ander einde van de bühne op het Plein van de Republiek, terwijl het licht in haar juwelen schitterde.

Om ons heen stonden de loyale Tijgers van haar echtgenoot, grote gespierde mannen met kortgeknipt haar, gekleed in donkerblauwe uniformen, met kille blik naar de menigte te staren. De Tijgers, het hoeft nauwelijks nog gezegd te worden, zijn de jongens van Arkan.

Ceca, het vierentwintig jaar jonge popidool Svetlana Raznotovic, is de derde vrouw van Zeljko Raznatovic, beter bekend als Arkan en sinds vorige week geherintroduceerd bij het grote publiek als een van de grootste misdadigers uit de Bosnische oorlog. De zakenman annex eigenaar van een voetbalclub zou zich tussen de vijfduizendkoppige menigte om ons heen bevinden - hij laat zijn jonge vrouw nooit alleen - maar de Serviërs van Belgrado verlangden naar Ceca. Toen ze haar microfoon ophief naar haar lippen, viel de menigte onmiddellijk stil. Znam za jedan Grad Zove se Beograd...

zong ze

'Ik ken een stad, de naam is Belgrado

Ik ken een man die daar woont,

Maar hij is een oplichter, hij liegt.'

Dan, met haar stem in emotie gedoopt, laat Ceca haar linkerhand door de krullen van haar bruine lokken gaan en valt de menigte in met de woorden van het refrein:

'Ooit kuste ik jouw lippen en ze smaakten naar vergif

Ik deed het slechts een maal en je bedroog mij'

Dit werd de mensen te veel. Ze schreeuwden hun verrukking uit, hun drievingerig saluut de lucht in priemend. Op het bronzen standbeeld van de oude prins Mihaelo Obranovic stak een jongeman in spijkerbroek een Duitse vlag in brand en liet het geel-rood-zwarte dundoek vallen terwijl het werd verteerd door de vlammen. Onder de jonge mannen in de menigte zijn er genoeg die zo'n gebaar kunnen waarderen, misschien wel dezelfde heren die zich vernielend een weg baanden door het Frans cultureel centrum en het kantoor van Air France, even verder in het voetgangersdeel van de 'Trg Republika'.

Door het publiek wurmden zich jonge vrouwen die kleine vierkante papiertjes in de vorm van schietschijven uitdeelden, met een vraagteken op de plaats van de roos. Ze droegen ze allemaal op hun revers. 'Doelwit?' stond er op geschreven. Gingen zij de Navo-doelwitten worden?

De verschrikkelijke verhalen die uit Kosovo komen hadden geen plaats op dit plein, zeker in Belgrado, gisteren, maandag. Wreedheden tegen Albanezen zijn meer dan ongelooflijk, ze zijn onrealistisch, mythisch, deel uitmakend van het grote westerse complot dat de razende jonge mannen ertoe aanzette het Amerikaans cultureel centrum te vernielen en de muren onder te kalken met swastika's.

Nee, dit was het moment voor de Servische trots Ceca, de moeder van Arkans twee jongste kinderen (er zijn er nog twee bij ex-vrouwen) en de manager van zijn voetbalteam - Arkan heeft een klein probleem met buitenlandse reizen - om haar tweede lied te beginnen. Haar stem, opgeblazen tot een onmogelijk aantal decibels, stormde over de daken en afgebladderde muren van het oude centrum van Belgrado.

'Mijn vrienden zijn verdwenen en ik ben hier', zong ze.

'De Noorderster schijnt niet meer

En ze was ooit mijn metgezel

Het is Sint Joris-dag (de beschermheilige van de orthodoxen, nvdr)

En ik ben niet bij mijn geliefde'

Liefdesliedjes in oorlogstijd, nieuw is het niet. En als dit de Servische heldin is, het zij zo. Maar het liefje van de Servische strijdkrachten is een heldin voor de gasten in blauw die om ons heen stonden en achter haar op het podium paradeerden. Dezelfde Tijgers die van Arkan een synoniem voor angst maakten in de vallei van Drinai, de stoottroepen van de etnische zuivering in Slovenië in 1991, voordat ze optrokken naar Bosnië. Zijn ze, zoals verluidt, op weg naar Kosovo?

Nee, volgens Arkan. Babbelend met Servische journalisten in een Belgradose nachtclub op zondagavond bezwoer hij dat hij zijn Tijgers alleen tegen westerse troepen laat vechten als die vanuit Macedonië de grens oversteken. Hij zei het met een lach, al was het niet zo'n brede lach als Ceca ons gisteren gaf op het plein van de Republiek.

Kinderen werden op de schouders van vaders gehesen om naar Serviës populairste rockzangeres te kijken, terwijl een jonge vrouw door de menigte slenterde met een plakaat: 'Ik ben niet Monica Lewinksy'.

De vreemde mengeling van vreugde, achteloosheid en angstige zelfverloochening - want zoals gewoonlijk zijn de Serviërs de slachtoffers van deze oorlog - leverde een paar merkwaardige taferelen op. Neem de kleine gele auto die een paar minuten later bij de ingang van de groentemarkt verscheen, met twee kartonnen anti-luchtdoelraketten vastgetaped aan het dak.

Of de jongeman die op het bronzen standbeeld van prins Obranovic fanatiek met de zwarte vlag met doodshoofd van Vojislav Seseljs zwaait. Ze waren er ook gisteren: de Witte Adelaars van Seselj, wiens klauwen in de vallei van Drina even wreed waren als die van Arkans Tijgers. 'In God geloven we, in Koning en Vaderland', stond er onder het doodshoofd. De oude Mihailo Obranovic zou het op prijs hebben weten te stellen. Hij leek met zijn bronzen paard verrassend goed op zijn plaats op het plein.

Toen Milutin Garasanin hem in 1840 ontstemde, was Mihaelo blij dat Milutin werd onthoofd en zijn hoofd op een stok geplaatst. Dit mogen lang vergeten conflicten zijn buiten de Balkan, maar niet voor de Serviërs.

Op de hoek van het plein heeft iemand een doodsbericht op de muur gehangen, al verraadt een nadere inspectie de poltieke inhoud. Gewoonlijk verschijnt de naam van een overledene op een wit papier met een kruis bovenaan. Op dit stuk papier was de naam Clinton en het symbool boven zijn hoofd een swastika. Zoals gewoonlijk bevochten de Serviërs hun donkere verleden, in conflict met de nazi's, de Turken, het Westen, iedereen die het aandurfde om hen te verraden. 'Mijn vrienden zijn verdwenen en ik ben hier', huilde Cera opnieuw. Ze zong van zoveel gif en zoveel bedrog. Geen wonder dat de Serviërs van haar houden.

© The Independent

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234