Dinsdag 07/12/2021

Sérénade sans Espoir

Schrijver Dimitri Verhulst heeft een zwak voor thé dansants, vooral niet te verwarren met fuiven. Een thé dansant beleef je 's middags, vanaf een uur of vier, tot een uur of negen in de avond. In café Le Belvédère in Namen is het iedere zondagmiddag prijs. 'Les sirènes au bord d'Alexandrie chantent encore la même mélodie'...

Dimitri Verhulst

Foto's Tim Dirven

Om geliefd te zijn moet je over een elektrisch orgeltje beschikken. Dat is een wet, de eerste van Verhulst. De tweede luidt dat je jezelf een hele hoop ellende kunt besparen door een oude huisarts te hebben en een jonge kapper. Tot een derde absolute zekerheid in dit leven kwam ik alsnog niet, maar onthoud alvast dat het bezit van een elektrisch orgeltje vele deuren en vooral vele armen opent. Een Yamaha Clavinova CVP.30 met een ingebouwd advanced wave memory kan al volstaan. Ik heb het dan over een piano die verdacht veel weg heeft van een cockpit, met honderden knopjes en schuifjes die elk, mits ze min of meer vakkundig worden ingedrukt, duizenden orkestjes op u loslaten. Een beetje muzikale aanleg aangevuld met het nemen van een pianoles of vijfentwintig moet voldoende zijn om helemaal alleen de liedjes te spelen waar u anders een autobus muzikanten voor nodig hebt. Dat combo met vijftig trompettisten, dertig violisten, een pianist, een accordeonist en een bende slagwerkers, dat ben jij, jij alleen.

Als je vervolgens ook nog eens de bereidheid toont om een mooie scheiding in je kapsel te kammen, dan ken ik persoonlijk zeker vijftig bejaarde dames, zéker, die jou tegen hun boezem willen drukken, jou zullen behandelen als was je hun schoonzoon, neen, als was je hun eigen huisbereide zoon. Kort is dan nog de af te leggen weg naar een ereplaatsje in hun testament, volgens mij hoeft u alleen nog een snor te laten groeien. Geen schuurborstel, maar een dun lijntje dat, a, perfect de vormen van uw bovenlip volgt en niet veel breder mag zijn dan uw lippen zelf, b, een weinig kietelt tijdens een nieuwjaarskus en waaraan u, c, tevens kunt pulken tijdens het oreren van enige levenswijsheden. Ik weet waarover ik spreek, ik heb nog met zo'n tienduizendkoppig orkest een huis gedeeld.

Carlos heette hij. Het was die eigenaardige fase in mijn leven dat ik de kost verdiende middels in een Spaans clubhotel de mensheid te animeren. Ik leidde de dagelijkse sessie watergymnastiek, demonstreerde er het karabijnschieten, oogstte bijval met de enige twee grappen die ik kan onthouden, zong karaoke in mijn kattigste toonladders tot iedereen zonder een greintje muzikaal gevoel ervan overtuigd was mijn voorbeeld te moeten volgen, verkoos een entrecote in een minimum aan badpak tot Miss Mallorca, liet dochters en hun al even hopeloze moeders verliefd op me worden en trok niet zonder Duitse humor de winnende getallen voor een onmisbaar dagelijks potje bingo uit de hoge hoed. Tijdens zo'n rondje bingo begeleidde Carlos me op zijn synthesizer en als ik u nu zou vertellen welke aanbiedingen hij zoal afsloeg, dan hebt u zich tegen morgenavond reeds een elektrisch orgeltje aangeschaft en bent u deze week nog ingeschreven op de muziekacademie.

Ik mag nog wel eens aan Carlos denken op zondag, dé dag voor elektrische orgeltjes en dé dag voor een heerlijk thé dansant. Je moet al twaalf jaar met me getrouwd zijn om daar niet meer van te schrikken, maar ergens in mijn wezelhart heb ik een ongelooflijk zwak voor thé dansants. Zodanig dat ik mij behoorlijk kan opwinden over studentenverenigingen die schroomloos afficheren een TD te organiseren om hun kas te spekken. Ofwel amuseren studenten zich tegenwoordig uitstekend tijdens een Te Deum (en het moet inderdaad amusant zijn om met zijn allen de Heer te loven), ofwel zijn ze te stom om dood te doen. Een thé dansant beleef je 's middags, te vieren, vanaf het thee-uurtje tot een uur of negen in de weemoedige avond. Er zou geen diploma mogen worden uitgereikt aan de student die een thé dansant met een fuif verwart.

Mijn liefde voor het thé dansant is een heimelijke, een ware, en een onmogelijke. Ik dans namelijk zoals een olifant. En dat is jammer, want genetisch gezien heb ik voldoende bagage meegekregen om het tot Fred Astaire te schoppen. Mijn vader was een meer dan degelijke danser. Niet één keer heb ik iemand ontmoet die beter of zelfs gewoon maar even goed de Flossa Winga kon dansen als mijn vader. Een moeilijke dans, dat moet worden toegegeven, met passen die het uiterste van een lichaam vergen en die van de uitvoerder een buitengewone soepelheid eisen. Mijn vader danste graag en kon het bovendien, een combinatie die je zelden ziet. Meermaals heb ik mijn moeder boven de pot zien hangen nadat mijn vader met haar aan het rock-'n-rollen was geslagen op een of ander huwelijksfeest. Alle kanten van de dansvloer liet hij haar zien, hij smeet haar tussen zijn spaghettibeentjes en over zijn broze rug, liet haar in één nummer van Chuck Berry vijftig tot honderd keer om haar eigen indrukwekkende as tollen. Maar veel liever danste hij de Flossa Winga, waarvan hij mij op een goeie dag de basispassen heeft aangeleerd. In onze keuken was dat. "Kleine, zal ik je eens leren hoe je de Flossa Winga danst?" En zo geschiedde.

Twintig jaar later kende ik een snelle opeenvolging van zwakke momenten. Tijdens een ervan liet ik mij inschrijven voor een cursus salondansen. De cha-cha-cha, de tango, zowel de Engelse als de Weense wals, de rumba en de hoempapa: ze zouden na één jaar geen geheimen meer voor me bieden, aldus de reclamefolder van de dansvereniging. Maar na een resem danspartners en tien keer zoveel geplette tenen zonk de moed mij in de schoenen en keek ik al uit naar de avond waarop het leraarskoppel ons de Flossa Winga zou demonstreren en aanleren. Dat was een dans waarbij je tenminste niet voortdurend de maat moest tellen, een dans waar ik een duidelijke voorsprong in had, waar schwung in zat, die vreugde uitstraalde. Eindelijk zouden mijn medecursisten met opengesperde mond mijn hip-shakes en andere kundigheden eigen aan deze dans mogen bewonderen, eindelijk zou ik niet meer om een danspartner moeten staan bedelen. Maar die les kwam er niet. Bij navraag wist men mij kurkdroog te vertellen dat de Flossa Winga niet bestaat. Wat precies zoveel wil zeggen als dat ze daar in de dansvereniging geen verstand hebben van dansen. Mijn lidmaatschap heb ik meteen opgezegd. Maar mijn liefde voor het thé dansant kreeg geen deuk, o neen.

Omgekeerd evenredig met het groeiende aantal oudjes moet de aanwezigheid van danszalen zijn. Vroeger kon ik in een vingerknip tien etablissementen opnoemen waar een organist met snor de zondagnamiddag van vele bejaarde paren kleurde. Er was een ruime parking, voorzien op wel tien autocars, en altijd lagen die feestlokalen op de steenweg naar de hel. Na het bijwonen van een demonstratie van een of ander schoonmaakproduct (nieuwe formule) werd hier halt gehouden voor een sanitaire stop, een riant stuk appelgebak en een bak koffie, en een uurtje alles losschudden op de dansvloer. Ik kan mij moeilijk van de indruk ontdoen dat dit een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de Belgische cultuur, ik geloof zelfs dat ik er op mijn twaalfde mentaal al helemaal op was voorbereid mijn pensioen te zullen doorbrengen in de nabijheid van welbespraakte demonstratrices en een elektrisch orgeltje. En mijn duiven, natuurlijk. Tegenwoordig moet ik al eens twee tellen nadenken eer ik mijn voeten met de schoenlepel in mijn blue suède sleffers wring. Maar ik heb weet van één plaats waar het iedere zondagmiddag prijs is, en dat is in Namen, in café Le Belvédère, aan de citadel.

De schoonheid van een thé dansant wordt grotendeels bepaald door de lelijkheid ervan. Café Le Belvédère is een glazen brooddoos bovenop een berg. Het is de plaats waar de toeristische stoeltjesliften aankomen en waar de geur van pannenkoeken in het behangpapier is getrokken. Er is een museum, al weet niemand precies van wat, en een speeltuintje voor de kinderen die zich niet kunnen inbeelden welke lol er beleefd kan worden aan het stilzitten op een stoel met een cola voor je neus. Beneden ligt de stad, van hieruit kun je heel goed zien hoe ze dat doet.

Bergen zijn voor de goden, en strikt genomen voor de mens verboden; er is met andere woorden geen schoner plaats denkbaar om te komen dansen. De eigenlijke dansvloer is een achterafruimte, zo'n dertig vierkante meter die als vergaderruimte voor toneelverenigingen en voor persconferenties van de kaartersclub kan worden afgehuurd en die door een gordijn van het café wordt gescheiden. Dat gordijn gaat alleen maar 's zondags open. Een glitterbal hangt er niet, de lichtshow is immers in handen van de ondergaande zon, daar kan geen technisch vernuft tegenop. Er is meer meubilair dan design, en wanneer de nicotine uit het plafond zou worden gewassen zou u iets minder het gevoel hebben u voortdurend te moeten bukken. De zich rond palen slingerende paringsdanseressen die je soms aantreft in lichtjes modernere discotheken hoeven voor hun specialiteiten Le Belvédère niet te vermijden: het gebouwtje wordt bij elkaar gehouden door middel van een paar stevige pilaren waarin prijslijsten en reclamebordjes voor lokale zware bieren zijn gespijkerd.

Het is eind november, de bloemen op de graven zijn al verslenst, wat nu nog van de bomen valt, zal straks op de adventskrans worden geplakt. In Le Belvédère stuiken omstreeks halfvier de gasten toe. Je mag dat letterlijk nemen, want behalve met dikke jassen is de vestiaire ook met krukken gevuld. De eerste ijsemmers met daarin een fles rosé worden naar de tafels gebracht, de eerste vlokken schuim van een glas Super des Fagnes (7,5 %) hechten zich vast aan een moustache. Wie binnenkomt, doet zijn ronde en schudt alle aanwezigen de hand. De glimlachen naar elkaar zijn breed en hartelijk, en zouden kunnen worden uitgedrukt in gouden tanden. Ook de man achter het orgeltje mag zich verheugen op de amicaliteit van zijn publiek, en op zoenen van de vrouwen. Hem heeft men veertien gouden tanden lief. Meteen zie je dat zo'n thé dansant niet om vier uur maar om twee uur begint: thuis, aan het strijkijzer. Kraaknette hemden, colbertjes, een hele saucijs blinkende parels om de hals, de Pontiac legt de vinger op de pols. Op het hoofd iets wat duidelijk de creatie van een oude kapper is. Nu nog trots op de schoot maar straks verweesd op een stoel is de handtas, zeg maar gerust sacoche. De geur van 4711 is een verwachting die niet zal worden ingelost. De heersende kleuren voor de dames zijn roze, en een groen dat tussen pistache en weiland hangt. Een gezapige bende die al bij het eerste nummer en om klokslag theetijd op de dansvloer staat. Hier wordt niet gewacht op dat ene lied dat je van je stoel zuigt, hier moet men niet eerst een stuk in zijn kraag hebben eer men de moed heeft te foxiefoxtrotten met elastieken benen. Direct de beuk erin, ja. Men is niet naar hier gekomen om te lanterfanten.

De muzikant kent zijn stiel: zijn uitvoeringen worden ingeleid door een behoorlijke intro, wat de mensen ruimschoots de tijd geeft de dansvloer te halen tegen het ogenblik dat het lied echt begint. En hij licht zijn geliefd publiek in over het genre. Populair is de tango. 'Le plus beau de tous les tangos du monde', oorspronkelijk gezongen door Alibert en Gaby Sims (ik weiger door Frankrijk te rijden als dit lied niet in de wagen ligt), of 'Pourquoi loin de toi' van Rina Ketty, die ondertussen denk ik in de hemel duetten met Frank Sinatra zingt. Klassiekers die mij zeker na drie kuipen Super des Fagnes in tranen kunnen doen uitbersten, ook zulke dingen komen plots na twaalf jaren huwelijk naar boven. Men kan zich daartegen wapenen met een vierde kuip van 't zelfde, en ondertussen kijken hoe goed deze mensen hun passen beheersen, deze slow, slow, quick-quick, slow en slow, slow, quick-quick, slow. Zeker, het zou onredelijk zijn deze bewegingen te willen vergelijken met de geile acrobatieën waarmee een stel vrouwenbenen in hippe tangosalons haar hoge hakken overklast - wat we in Le Belvédère zien, is de vrede van iemand met zichzelf en met de mens waarmee hij teder op dezelfde tegel staat. Ontroering noopt hier tot het vijfde glas.

Er is één koppel dat voor de tango meer ruimte nodig heeft, het staat op hun gezichten te lezen dat ze hierin ooit nog lessen namen. Even stroomt beneden de Río de la Plata in de Maas. Hij heeft zijn beige broek tot aan zijn oksels opgetrokken, zijn haren zijn wit en talrijk nog, en naar achteren gekamd. Maar de twee zijn nog jong, samen zijn ze honderd twintig. En ze gaan met die honderd twintig jaren op de loop. Tussen de tafeltjes door en op de maat. Af en toe een stootbeweging met de heupen, woeps, kleine toetsen van de meester. Carlos Gardel en Tino Rossi zitten in een hoekje van de zaak stilletjes te kaarten, het is God die hen om een handtekening vraagt.

"Samba!", zegt het eenmansorkest. Maar samba gaat te snel, dus leidt de catwalk voor de handtassen in de richting van het toilet. Ook een goede aanleiding om even de benen te laten rusten is het feit dat Germaine jarig is. Op een bepaalde leeftijd is dat geen feestelijke bedoening meer, maar wie zijn tong durft uit te steken naar de dood doet toch alsof. 'Happy birthday to you' gezongen door een francofoon klinkt als 'heb je buikpijn oei, oei', en daarom zingt het voltallige gezelschap iets in het Frans ter ere van Germaine, die ondertussen al in de weer is met een doos pralines. De vraag of er volgend jaar nog pralines zullen zijn, wordt onmiddellijk weggevaagd met een charleston. En dan moet je Albert eens zien, drieëntachtig winters jong, waarvan vele uit de tijd dat er nog echte winters waren, en helemaal in zijn element tijdens de charleston. Hij draagt het pak waarmee hij waarschijnlijk wekelijks naar een begrafenis gaat, trof vanochtend zijn voorlaatste haar in zijn kussensloop aan maar laat dat niet aan zijn pacemaker komen en speelt nu o maal o is oxo met zijn eigen benen. De guitigheid boenwast zijn ogen, zijn smile is een in onbruik geraakte lengtemaat. En of hij beseft dat hij de held van het moment is! Er heeft zich een kring rond hem gevormd, een eer die de laatste decennia vooral breakdancers te beurt valt, en hij, hij houdt stand in het midden van alle dingen. Dansend centrifugeert hij het heelal. Zijn vertoning wordt beloond met een applaus, zoals ook de muzikant na ieder nummer handenklapjes krijgt. "Merci les danseurs, merci les danseuses", zegt de mens. Hij bedankt niet alleen de dansers en de danseressen, maar ook de zangers en de zangeressen. Want dat doet een goede orgelman soms, stoppen met spelen in het midden van een refrein, zodat zijn publiek al zijn taken overneemt en zingt. En zingen kunnen ze. "Les sirènes au bord d'Alexandrie chantent encore la même mélodie, wowo, waah..." De rek is al uit de stembanden, maar dat stoort niet en is niet lelijk bovendien. "... les papillons de ma jeunesse, hah..." Wat je hoort, zijn de stemmetjes zoals je ze nog kunt horen tijdens de zondagsmis van elf uur, als je je haast. Er zit zo'n apart vibrato in, tussen hun hoge en hun lage do ligt een vergane wereld van bakelieten radio's, hun ogen lichten op als een Wurlitzer-jukebox. Stemmen waarmee ruggen werden geschrobd, spinazie gekapt en kinderen ontluisd.

Belangrijke mensen komen steeds op tijd, zij die belangrijk willen zijn te laat. Het thé dansant draait al een hele poos op volle toeren wanneer op de parking een man zijn gezicht met een sigaar mijlpaalt alvorens de deur voor zijn dame te openen volgens de regels van de kunst. Met een knik begroet hij de aanwezigen en wijst hij zijn vrouw streng maar elegant een tafeltje aan. Hij loopt trots maar niet rechtop en bestelt twee tomatensapjes als betrof het een fles champagne. Meneer is Italiano, geboren in het zuiden van Mussolini's legerlaars, en wat hij probeert te bewijzen is dat zulks geen nationaliteit is, maar een levensstijl. Een sloeber ook, en een Don Giovanni. De hele tijd zit hij naar andere wijfjes te lonken, zijn ogen zoeken koortsig naar een lustige weduwe, en regelmatig zal hij er eentje met brede gesticulaties ten dans vragen. Dat tot groot ongenoegen van zijn eega, die de streken niet uit haar vos zijn haren kreeg gestreken en nu nors naar de dansvloer staart. Wie zal dat opkuisen als ze van jaloezie ontploft? Italianen hebben een hart voor lingerie, onder haar doorschijnende witte blouse slaat een Z-cup in zwarte kant een brug tussen twee zweetvlekken. Zij heeft het gepresteerd om zeventig jaar tegen haar zin te leven, zoveel straalt ze uit. De enige reden waarom zij hier zit, is om haar eigen man te chaperonneren. Dat alleen maakt Don Giovanni hier geliefd, want eigenlijk past hij met zijn maniertjes veel beter beneden, in het casino op de baan naar Dinant, waar ze ook iedere zondag thé dansant houden. In Le Belvédère moet je levenslustig zijn, in het casino bescheten.

Tijd voor een reidans, denkt Leontine in haar goudkleurige jurk, en ze trommelt iedereen op. "Tout le monde sur la piste!" Zo'n reidans zegt mij niets, er gaat een grote infantiliteit van uit en het doet me denken aan mannen die in hun vrije tijd een rode zakdoek met witte bollen onder hun adamsappel knopen om gezellig cowboy te gaan spelen. Een half vliegengordijn aan lintjes aan hun mouw, een jeanshemd en een struik borsthaar eronder, gelaarsd, gespoord, om zo nu en dan eens een been op te heffen en als een echte vent op de plankenvloer te stampen. Doe dat in de kleuterklas, voor de eer en de glorie van uw algemene ontwikkeling, en distantieer u daar later van! De enige kunst aan een reidans is het memoriseren van de pasjes, wat vanaf een zekere leeftijd inderdaad een probleem wordt. En schrijnend is. Gelukkig beseffen ze dat in Le Belvédère zelf en schakelen ze spoedig weer over op walsen en trage plakkers. Don Giovanni gaat uit zijn dak. Ik ook. Want plakken kan ik, tegen mijn olifantinnetje. Pas op, twisten kan ik ook, geleerd uit een boekje van Louis Paul Boon: je moet gewoon doen alsof je met je voet een sigaret dooft, en die beweging blijven volhouden. Niemand die ons aankijkt alsof we van een andere planeet komen, niemand die vindt dat we bij gebrek aan aderverkalking geen recht zouden hebben op de genoegdoeningen van een middagje Belvédère. Omdat het niet de leeftijd is die deze mensen samenbrengt, maar de zin om te dansen. Zij gaan niet naar een of ander salon voor actieve bejaarden waar men lezingen geeft met hilarische titels zoals 'Beresterk door de winter', of 'Uw nalatenschap. Goed geregeld?'. U moet hen niet komen vertellen dat het zin heeft om op uw tachtigste nog wegwijs te raken in de spelonken van het internet, en ze hebben er al helemaal geen zin in bij de kneukels te worden vastgepakt en zo te worden rondgeleid in de wondere wereld van de oude knol. Hun devies is simpel: doe niet onnozel en amuseer u. Ze mogen zoveel tijdschriften voor senioren drukken als men wil, de kanarie is er goed mee. Kom, een boogie, en een beetje rap!

Van al dat dansen krijgt een mens honger. Van al dat drinken trouwens ook. Het is ook lang, vijf uur de ziel uit je lijf swingen zonder eerst een bol te hebben geslikt. Hier wordt zoiets heel eenvoudig opgelost met een kartonnen bakje friet. Een laagje op het maagje leggen. Morgen cholesterol, heden rock-'n- roll. Merci les danseurs, merci les danseuses.

Een thé dansant eindigt zoals het begon. Plots. En je gelooft je ogen niet wanneer je die fuifbeesten van zo-even weer naar hun krukken ziet grijpen. Je zou zweren dat ze de ziekenfondsen hebben opgelicht. Mankend verlaten ze Le Belvédère, tevreden over hun blinde verzet tegen het gloren van de dood. A la prochaine, misschien.

'Ik geloof dat ik er op mijn twaalfde mentaal al helemaal op was voorbereid mijn pensioen te zullen doorbrengen in de nabijheid van welbespraakte demonstratrices en een elektrisch orgeltje''Albert, drieëntachtig winters jong, draagt het pak waarmee hij waarschijnlijk wekelijks naar een begrafenis gaat, trof vanochtend zijn voorlaatste haar in zijn kussensloop aan maar laat dat niet aan zijn pacemaker komen en speelt nu o maal o is oxo met zijn eigen benen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234