Zondag 17/11/2019

Sensitieve geladenheid

Ed Leeflang (1929-2008), die vorig jaar overleed, was een vijftiger in de echte betekenis van het woord. Anders dan de experimentelen debuteerde hij namelijk, net zoals Jan Eijkelboom, pas toen hij de middelbare leeftijd bereikt had. In een briefje aan Piet Piryns in het begin van de jaren tachtig schreef hij dat hij tot het soort mensen behoorde dat Annie M.G. Schmidt de “achteraffers” noemde. Zijn debuut De hazen en andere gedichten (1979) maakte duidelijk dat Leeflangs poëzie door een ander idioom bepaald werd. Zelf zei hij dat hij “doorzichtige complexiteit” nastreefde. Hij deed dat door in heldere taal beeldend te schrijven en door al te nadrukkelijke stijlmiddelen weg te laten, behalve het rijm. Dichters als Lucebert en Kouwenaar, die fundamenteel andere poëzie schrijven, hebben mij poëticaal veel meer geïnspireerd, maar ik heb de sensitiviteit in de gedichten van Ed Leeflang altijd onontkoombaar gevonden. Leeflang werd steeds strenger voor zichzelf. Hij werkte op het eind van zijn leven nog samen met Judith Herzberg aan zijn nieuwe bundel Gaandeweg, die nu postuum verschijnt. Zij bezorgde de bundel, zoveel mogelijk volgens de aanwijzingen van Leeflang. De bundel bevat enkele gedichten in handschrift, die laten zien hoe de dichter schreef en schrapte. Het werd zeker geen nakomertje. De eerste woorden van het openingsgedicht ‘Alcyone’, een verwijzing naar een van de dochters van de god van de wind Aeolus, vormen al een verrassing: ‘Dood ben ik niet, vader, enkel een dier/ met een dolk als snavel.’ Het gedicht eindigt met ‘Onder mijn veren steekt zo jong de wil/ geil en met open armen terug te keren.’ Dit gaat om het verlangen om er nog te zijn, maar je zou er met goeie wil ook een beschrijving in kunnen lezen van de sensitieve geladenheid in de poëzie van Leeflang. ‘Alcyone’ verwijst naar de Metamorfosen van Ovidius. De Metamorfosen spelen in meer gedichten een rol, als een vorm van verweer tegen de vergankelijkheid. In ‘Over metamorfoses’ schrijft hij: ‘mij zou het niet kunnen schelen/ bron te worden of riet/ alleen geen dier met poten/ geen ziel, nog in haar voorbije/ leven verdiept, veel liever/ de wind dan de laurier/ die in haar pure paniek/ wortel heeft geschoten.’ Leeflang hield duidelijk van het leven, ondanks alles. Dit is duidelijk niet de bundel van iemand die zomaar berustte in zijn lot.

Het woord en het vlees

De poëzie van Charles Ducal is tijdloos door de beheerste vorm en door de verwijzing naar bijbelse en mythologische motieven. Niet alleen de manier waarop hij spreektaal in een strakke vorm hanteert, doet denken aan Martinus Nijhoff. Maar Ducals poëzie staat ook volop in deze tijd - voor mijn part een heel belangrijk kenmerk van zijn werk, dat vaak onopgemerkt blijft - en ze wijkt in dat opzicht af van die van Nijhoff: terwijl de Nederlandse dichter nog vond dat poëzie iets menselijks moest brengen in een ontmenselijkte, door de technologie beheerste wereld, zien we bij Ducal alleen een poging daartoe in zijn nieuwe bundel Toegedekt met een liedje, terwijl hij op de onmogelijkheid ervan wijst. Alleen al het als poëticaal te lezen openingsgedicht verwoordt dat: ‘De zuivere lyriek is altijd plagiaat,/ alleen in eigen leven kan men leren// het woord te scheiden van het vlees/ op zo’n manier dat het kan overleven,/ niet als een wonde en niet als wat geneest,/ maar als een hand geopend naar de hemel,// in beving en vrees.’ De spanning tussen woord en vlees, schijn en werkelijkheid en tussen authenticiteit en bedrog bepalen de inhoud van de beklemmende en soms ook cynische gedichten in deze bundel, waarin man en vrouw en de seksualiteit centraal staan. Kan het anders als het over die paradoxen gaat? De gedichten krijgen hier en daar zelfs het karakter van een liedje, zoals hier: ‘Toen diep in haar iets wou gaan huilen,/ nam zij een wijs besluit./ Zij nam zijn portefeuille/ en blies de kaars weer uit.’ In het slotgedicht van de afdeling ‘Niet uit de rib’ blijkt hoe de vrouw helemaal uit het kijken en uit de verbeelding is gevormd: ‘Niet uit de rib, maar uit het oog/ ontstaat het lichaam van de vrouw.// De werkelijkheid is haar ontrouw./ Daarom bestaat zij niet// dan in benadering, een streven naar,/ gehoorzaam aan plastiek en poëzie.’ In de afdeling ‘School der pornografie’ bezingt Ducal de eenzaamheid van wie naar onwerkelijke vrouwen kijkt. En ondertussen vullen de werkelijke vrouwen ‘auto’s, vriezers, boekentassen/ met de achteloze giften/ uit de leegstand van hun rijk.’ In het tweede deel van de bundel gaat Ducal nog nauwer en lyrischer op de verhouding tussen werkelijkheid en poëzie in en ontstaat een spanning die aan het werk van Gerrit Achterberg doet denken. De dichter is vervuld door de nieuwe liefde, maar is dat alles vervullend? Wellicht niet: ‘Nu zit ik leeg aan tafel, volgestoken/ met de ik die jij hebt meegebracht.’

Poëzie die onderdak biedt

De werkelijkheid is complex en tegelijk eenvoudig: geboren worden, leven en sterven. Net als de gang van de seizoenen. Die complexe eenvoud zit in de sobere en toch melodieuze gedichten in de nieuwe bundel Onbeschut van Jozef Deleu. ‘Leven hoeveel dood kan ik verdragen’ is het motto dat Deleu hanteert. Het is poëzie van een man die door ziekte gekwetst werd (‘spreken wordt/ schaars woorden/ struikelen in zijn mond// verwarring schept/ een band ervaring/ overtreft weten’), maar die weer opveerde. Onvermogen, opstandigheid, levenslust (‘in de luwte/ van de linde/ een hangmat/ vol leven’): het krijgt een plaats. Genadeloos, onontkoombaar, want Deleu schrijft er heel compact over. De reeks ‘Hiernamaals’, met de vraag of zoiets wel zou bestaan, is de sterkste uit de bundel: ‘niet eerder/ hing hij/ frivool/ te bengelen// met de benen/ boven/ het hiernamaals/ van het gras’. Afscheid nemen moet genadeloos gebeuren: ‘je moet geen afscheid nemen/ je moet het huis verlaten/ zonder om te zien’. Poëzie biedt onderdak, maar dat is tijdelijk. Deleus vitaliteit uit zich niet alleen in gedichten over een jonge uil en een groene specht, maar ook in die waarin hij stilstaat bij zijn kinderen en de liefde voor zijn vrouw. Ook daar blijft hij met de voeten op de grond: ‘hij vindt/ de woorden weer/ die hij haar/ spelde// zij is/ van niemand/ ook niet/ van hem’.De zevende jaargang van Het liegend konijn is ingezet. Een getal dat de magie van de poëzie niet verbergt, maar net blijft verrassen. Poëtica’s schurken zich tegen elkaar, leeftijden ook: er is volop leven in het konijnenhok. Nieuw hoeft niet jong te zijn, want debutante Yerna Van den Driessche werd zestig jaar geleden geboren. Geef mij vooral de gedichten van ouderdomsdeken Hubert van Herreweghen, 89, maar springlevend: ‘Hoe?/ In de dans/ ja, de kadans,/ wordt het vers,/ in de hielen,/ in de voeten,/ van de tenen/ naar de knieën/ wordt het menens,/ ja, tot wens/ toe,/ wordt het mans.’ Verder verkies ik het meeste van Johan de Boose, Sasja Janssen, Roland Jooris, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Joke van Leeuwen, Els Moors, Erwin Mortier, Mark Van Tongele en Menno Wigman. Wilt u echt dat ik dat allemaal uit Het liegend konijn overschrijf? Koop het zelf. Snel.Paul Demets

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234