Vrijdag 24/01/2020

Schrijvers maneren

Om de schrijfmolen aan de praat te krijgen, was Hugo Claus verzot op spelletjes patience en aartsmoeilijke kruiswoordraadsels. Anderen zweren dan weer bij het geloei van een stofzuiger of het nuttigen van duizenden bekers koffie. Een excursie langs de schrijfmanieren van Claus en zijn collega's uit de wereldliteratuur. 'Het is alsof je kubusvormige drollen poept.'

Schrijven is een monotoon vak. Je wordt er oud, dik en kaal van, je ziet er niet meer uit", zo beweerde Claus in 1963. De schrijver van Het verdriet van België mocht graag sakkeren over het ambacht dat hij meer dan zestig jaar hartstochtelijk uitoefende. Zoals veel van zijn collega's had hij "een sadomasochistische verhouding met het schrijven", het was "een kwelling, maar ook een genot". In Claus' woorden proef je een echo van de beroemde boutade van Gustave Flaubert: "Schrijven is een hondenbestaan, maar het enige dat de moeite waard is". Bioloog en auteur Midas Dekkers bakte het nog bruiner: "Schrijven is een verschrikking. Ik wens het mijn ergste vijand niet toe. Alsof je kubusvormige drollen poept. Ik ga liever naar de tandarts dan dat ik een column moet schrijven."

Ondanks zijn flamboyante dagelijkse wandel vond Claus dat het leven van een schrijver elk greintje glamour ontbeerde. In 1998 volgde er tijdens een publiek interview in Tilburg een nieuwe jeremiade: "Schrijven is slecht voor de rug, slecht voor de maag. Ik ben een martelaar van het schrijven - mijn hele maagwand is kapot." Het metier bleek voor Claus pas écht bevredigend wanneer het varkentje was gewassen: "Schrijven is als een berg houthakken, fijn als het klaar is. Het is ook een beetje opruimen. Dit bij dit en dit bij dat. Schrijven heeft ook iets met orde scheppen te maken."

Kaarten en kroontjespen

Claus bleef zijn hele leven lang een speelvogel en een spelletjesfreak, tot aan de schrijftafel toe. Hij was tuk op paradoxen, waarmee hij interviewers voor het lapje hield. Liefst van al wekte hij de indruk dat hij aartslui was. Maar wie zijn boeken op elkaar stapelt of zijn schier oneindige bibliografie doorbladert, weet dat dit een flagrante leugen moest zijn. Wanneer Claus zich terugtrok in zijn werkkamer, legde hij een benijdenswaardige ijver aan de dag, zo weten zijn intimi. Al was hij geen ochtendmens en moest hij eerst een potje "zeuren" en treuzelen. "Hij werkte hard en ging elke dag gedisciplineerd aan zijn bureau zitten, met voor zich een spel kaarten, een blad, een pennetje en een asbak", zo getuigde Veerle Claus ooit in een interview met Jelle Van Riet. "Hij speelde patience - vals, ongetwijfeld - trok aan zijn sigaret en maakte tussendoor aantekeningen. Zo werkte dat blijkbaar voor hem."

Tijdens het schrijven stak zijn ontembare geldingsdrift spoedig de kop op. Veerle Claus: "In elk geval vond hij dat wat hij ook deed, hij het beter moest doen dan een ander. Competitiedrang was hem niet vreemd. Aan een partijtje scrabble begon hij enkel als hij wist dat hij de ander kon verslaan en Het verdriet van België mat hij met Harry's De ontdekking van de hemel. Tot het aantal pagina's toe."

Claus had om te schrijven niet enkel geestelijke verstrooiing nodig, maar ook een zekere orde om hem heen. Eerder "een af-wezigheid van allerlei impedantia dan aanwezigheid van dingen", zoals hij het eens formuleerde. Zijn vaste schrijfalaam was lange tijd de kroontjespen, iets wat hij met Gerard Reve gemeen had. Tot het later ook met een ordinaire bic wel lukte. Een tekstverwerker is nooit over de drempel gekomen ("een antithese van de literatuur", noemde hij het ding, voor auteurs die "van A naar B willen via de kortste weg"). Een schrijfmachine diende hooguit om correspondentie mee af te werken, bij voorkeur een rode Olivetti. Om elegant pronkzuchtig op de foto mee te figureren: "Ik schrijf met de pen omdat zij het verlengde van mijn hand is. Met een vulpen zou ik wel kunnen schrijven, maar ik geef de voorkeur aan de kroontjespen, omdat het dopen in de inktpot een rustpauze vormt."

Gejaagder en geagiteerder ging het eraan toe wanneer Claus zich aan het schilderen wijdde. "Ik heb altijd scharrelend gewerkt, tussen twee bedrijven door, op de grond, aan een wankele tafel. Ik heb nooit een schildersezel gehad, bijvoorbeeld. Altijd gehurkt, geknield, in haast, alsof ik een trein moest halen." Elders noemde hij het schilderen een tijdverdrijf, "een patience met de kaarten spelen". Wat meteen aangaf dat schrijven het hoogst stond in de Clausiaanse hiërarchie.

Wie een oeuvre bij elkaar wil schrijven, moet zich onderwerpen aan een zekere discipline. Een auteur die hoopt op goddelijke ingevingen van inspiratie, heeft het bij het verkeerde eind. "Een schrijver die maar blijft wachten op de ideale voorwaarden om een boek neer te schrijven, zal nooit de pen op papier krijgen", zo stelde de Amerikaanse schrijver E.B. White ooit laconiek vast. Precies daarom heeft elke schrijver zijn trukendoos om zichzelf aan te porren. Een zoektocht naar schrijversrituelen in de wereldliteratuur is dan ook een wandeling door een rariteitenkabinet.

Neem nu de maniakale Georges Simenon, schepper van Maigret, die onder zijn eigen naam 218 romans publiceerde en nog eens 300 andere romans en verhalen onder talloze pseudoniemen. Claus benijdde Simenons beheersing en noemde hem ooit "een fantastisch schrijver". Simenon schreef zijn politie- en psychologische romans in een soort trance, in korte periodes van zeven à tien dagen, om daarna weer te niksen. "Pulpromans tachtig pagina's per dag, detectiveverhalen veertig pagina's per dag, en daarvoor ging ik tweemaal per dag zitten."

Aan zijn werkkamer bevestigde Simenon een bordje met daarop 'Do not disturb'. Hij pakte de gele enveloppe die naast zijn schrijfmachine lag, waarin de plot en de namen van zijn personages al stonden uitgedacht. Als een bezetene begon hij te tikken en hij gruwde van elke onderbreking. Na het beëindigen van elk boek was Simenon ettelijke kilo's lichter geworden. Schrijven is topsport, jawel. Niets voor niets noemde journalist/auteur Pierre Assouline Simenon "de Citroën van de literatuur".

Simenons scheppingsdrift hield overigens gelijke tred met zijn onstilbare seksuele appetijt, die vooral de kop opstak als een boek afgerond was. De hormonale schrijver, zo wil de overlevering, sliep met meer dan tienduizend vrouwen en had een tijdlang een ménage à quatre.

Loeiende stofzuigers

Zocht Claus zijn toevlucht in de speelkaarten om de vingers los te maken, nogal wat auteurs bedienen zich van andere hulpstukken om tot resultaten te komen. Zoals de intussen weggedeemsterde, maar ooit zo beroemde Nederlandse schrijver Simon Vestdijk, met zijn fabelachtige productiviteit. Hij was allergisch voor geluiden tijdens de werkzaamheden, zoals het geblaf van een hond of kwinkelerende vogels, zo noteerde Nico Scheepmaker. Eerst bestreed Vestdijk de geluidshinder met oordoppen, gemaakt van thermometerhulzen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleken die echter onvoldoende om de bombardementen en schietsalvo's te dempen. "Gelukkig had Vestdijk van een regelmatig geluid geen last. Daarom zette hij zijn stofzuiger aan naast zijn schrijftafel, die als een geluidsmuur alle andere geluiden afweerde." De Nilfisk bewees gouden diensten. Vestdijk berekende veiligheidshalve eerst of het schrijven met een loeiende stofzuiger hem niet meer kostte dan níét schrijven en besparen op de elektriciteitsrekening.

Wel meer auteurs krijgen hysterische aanvallen bij lawaai. Gerard Reve kon geen letter op papier krijgen wanneer er storende geluiden rondzoemden: "Tegen herrie kan geen mens op, tenminste, ik niet". Dat beaamt ook Erwin Mortier in de interviewbundel IJsberen en zitvlees van Cor Vos. Al snakt hij naar de buitenwereld als een boek klaar is: "Ik heb grote nood aan afzondering en stilte om te schrijven, maar daarna moet het wel feest zijn. De wijn moet van de muren druipen."

Ook L.H. Wiener voert een vendetta tegen omgevingsgeluid. De wanden van zijn piepklein schrijfschuurtje "met de afmetingen van een graf" zijn bekleed met geluidsisolerend materiaal en hij brandt kaarsjes om in de precieze gemoedstoestand te komen van zijn pessimistische romans. Tijdens het schrijven gaat de koptelefoon op, waaruit vioolconcerto's van Bach of pianostukken van Chopin galmen.

Muziek als glijmiddel, het is even essentieel voor A.F.Th. van der Heijden. Op automatische piloot draait er muziek tijdens de lange schrijfsessies in zijn werkruimte, waar hij aan tien verschillende bureaus cycli als De tandeloze tijd en Homo Duplex bouwde. "Tijdens het schrijven aan Het schervengericht draaide hier een cd-molen waar vierhonderd cd's in pasten", vertelde hij aan NRC. "Het merendeel daarvan was popmuziek van eind jaren zestig: The Mamas and the Papas, The Beach Boys, lui die ook persoonlijk te maken hebben gehad met de historische figuren uit het boek. Op de een of andere manier was dat heel stimulerend. Ik heb mezelf gedurende de jaren zo gewend gemaakt aan die gewoonte dat als de muziek op een gegeven moment is afgelopen, zelfs als ik heel diep in mijn werk zit, er van onderaf een soort onbehaaglijk gevoel begint op te stijgen."

Hoe anders is het tegenwoordig bij de jongere garde die, met de laptop op schoot, zowat overal in drukke koffiebars of cafés zit te schrijven aan hun meesterwerken in spe. Jacques Prévert, Jean-Paul Sartre, Boris Vian en de kliek van Saint-Germain-des-Prés, Montmartre en Montparnasse gingen hen voor in Parijs, zij het met kribbelige notaboekjes.

Uiterlijk vertoon

Het kan verrassend klinken, maar sommige auteurs fatsoeneren zelfs hun uiterlijk voor ze - in alle eenzaamheid - daadwerkelijk aan de slag gaan. Charlotte Mutsaers, die afwisselend in haar werkkamers in Amsterdam, Oostende of Frankrijk schrijft, heeft een complete make-uptafel naast haar bureau geposteerd. Die batterij aan schminkspullen, lippenstift en een spiegel staat er niet zomaar. "Dan kan ik tijdens het schrijven even mijn kop controleren. Kijken of alles er nog goed op staat, of mijn uiterlijk past bij hoe ik me voel. Nee, het maakt niet uit dat niemand mij ziet tijdens het schrijven. De misvatting bestaat dat je je zou opmaken voor een ander. Je doet het net zo goed voor jezelf. De combinatie schrijven en make-up is voor mij ook heel vanzelfsprekend. Het komt allebei neer op stylen. Je geeft het innerlijk uiterlijk vorm", vertelde ze in de NRC-serie Zie de schrijvers werken.

Gerrit Komrij bekende dat een van zijn vaste gewoontes voor het schrijven een scheerbeurt was. "Zo heb ik me ook duizenden malen geschoren en toch komt het me voor alsof het bij elkaar maar één scheerbeurt is geweest." Het zijn "stomme rituelen", net als "het vullen van uitgedroogde pennen", zei Komrij, "die je als heel gênant ervaart, zoals in het openbaar je kont afvegen." Toch zijn ze onontkoombaar, in die "enorme stoelendans tussen pen en computer", voor de deadline echt begint te dringen. "Uitstel is lekker. Van alle werk is uitstel het lekkerst." Honoré de Balzac, de Napoleon van de literatuur, hulde zich dan weer in een spartaanse monnikspij om zijn 95- delige La Comédie Humaine te schrijven.

Ook het juiste schoeisel is een niet te verwaarlozen factor bij het treffen van de gepaste schrijfmood. De instappers van Jeroen Brouwers prijken op veel foto's van de auteur van De zondvloed en Bittere bloemen, die voor zijn manuscripten bij voorkeur de achterkanten van briefenveloppen gebruikt.

Jean-Paul Sartre stond erom bekend altijd mocassins te dragen, zodat hij geen tijd verspilde aan het strikken van veters en meteen aan het werk kon gaan. Schrijfsters Monika van Paemel en Anja Meulenbelt krijgen naar verluidt dan weer geen letter op papier zonder dat ze hun schrijfsokken dragen.

Verticaal of horizontaal?

Je kunt er natuurlijk voor opteren om rechtstaand te schrijven, zoals Lewis Carroll, Victor Hugo en Virginia Woolf, net als de intussen gepensioneerde Philip Roth, die er zijn rugpijn probeerde mee te tackelen. De Amerikaanse Nobelprijswinaar Ernest Hemingway, tuk op jagen, vissen en stierengevechten, gaf evenwel de voorkeur aan de verticaliteit: "He stands in a pair of his oversized loafers on the worn skin of a lesser kudu-the typewriter and the reading board chest-high opposite him".

Een groter contrast met het tere kasplantje Marcel Proust lijkt niet mogelijk. Die bedacht, schreef en redigeerde zijn A la recherche du temps perdu vanop een hotelbed. Truman Capote kreeg eveneens de beste ideeën in liggende staat. "Ik ben een volkomen horizontale schrijver. Ik kan niet denken als ik niet lig, of in bed of op een bank, en altijd met een sigaret en koffie binnen handbereik. Ik moet paffen en slurpen. Als de middag vordert, ga ik van koffie over op muntthee, sherry en martini", vertelde hij ooit aan The Paris Review.

En hoe zit het dan met de broodnodige lichaamsbeweging, als antidotum tegen het woekerende zitvlees? Hugo Claus mocht in zijn jongere jaren zijn conditie testen met een partij pingpong en karatelessen van de Japanner Mister Okada. Later werd dat hooguit een spelletje petanque in Zuid-Frankrijk. Claus was ook in zijn sportbeoefening een buitenbeentje.

Veel vaker stuit je in de literatuurgeschiedenis op flanerende schrijvers die hun inspiratie zoeken in het wandelen, zoals W.G. Sebald, Walter Benjamin, Gérard de Nerval of Charles Baudelaire, die zijn gedichten al stappend door de Parijse straten bedacht. De Amerikaanse schrijver Edmund White, die jarenlang in Parijs woonde, vindt dat iedereen zich zou moeten overgeven aan het flaneren aan een bescheiden tempo. "Als je altijd maar haast hebt, krijg je nooit nieuwe gedachten."

Tegenwoordig zijn nogal wat auteurs verslingerd aan de fiets. De afgetrainde Tim Krabbé, auteur van de cultwielerroman De renner, rijdt nog steeds wedstrijden bij de veteranen. Ann De Craemer (auteur van de wielerroman De seingever) mag ook graag haar kilometers malen en de riempjes van haar koersfiets omgorden. En Ilja Leonard Pfeijffer bracht een expeditie met een krakkemikkige oude Batavusfiets naar Rome tot een goed einde en werd daar echt zen van.

Elvis Peeters en Stefan Brijs schoffelen dan weer graag in de tuin en bekennen dat het hen tot rust brengt, voor of na het schrijven. Vladimir Nabokov ging erop uit met het vlindernetje, om zijn collectie aan te dikken.

Lopen als hypnose

Dit lichaamsvertier valt in het niets bij de exploten van de hardloper onder de schrijvers: Haruki Murakami, de Japanse auteur die met zijn licht surrealistische, dromerige oeuvre de wereld veroverde. Murakami gaat er prat op dat zijn schrijverschap een ongekende impuls heeft gekregen door zijn marathons, triatlons en trainingen. "Wanneer ik in de schrijfmodus ben voor een roman, sta ik op om 4 uur en werk een vijf- à zestal uren. In de namiddag loop ik tien kilometer en zwem ik 1.500 meter - of doe ik beide. Dan lees ik wat en luister naar wat muziek. Om 21 uur ga ik slapen. Ik hou vast aan deze dagelijkse routine. De herhaling is belangrijk. Het is een vorm van hypnose, waardoor ik een diepere, mentale staat bereik."

Murakami vindt een medestander van zijn theorie bij de Nederlandse succesauteur Herman Koch: "Ik plan de hardlooproute zo dat ik na het hardlopen nog minimaal een halfuur moet wandelen om thuis te komen. In dat halve uur is je geest altijd erg helder en komen er bijna als vanzelf ideeën of inzichten." Koch voegt eraan toe dat - paradoxaal genoeg - ook de auto een gelijkaardige broeikas van nieuwe ideeën kan zijn, iets wat hij dan weer met Gabriel Garcia Marquez gemeen heeft. Die bedacht Honderd jaar eenzaamheid achter het stuur.

Toch ziet het ernaar uit dat ijsberen door de werkkamer - naast seks - de meest beoefende lichaamsbeweging is van de doorsneeschrijver. Schrijver-bioloog Midas Dekkers is er bijzonder bedreven in en spiegelt zich aan Darwin. "Ik kan niet nadenken zonder te ijsberen. Overigens ben ik niet de enige die dat doet. Mijn grote held Charles Darwin had achter in zijn tuin een parcours aangelegd, the sandwalk. Aan het begin van de route legde hij een hoop met steentjes. Elke keer als hij een rondje had gelopen, stiet hij automatisch een van die steentjes weg. Zo hield hij bij hoeveel rondjes hij had gelopen. Darwin bedacht de evolutietheorie niet op zijn reis naar de Galapagoseilanden, hij bedacht die op de sandwalk."

Ook de Franse kortverhalenschrijver Guy de Maupassant - hij stond eveneens bekend om zijn onblusbare libido en zijn roei- en zwemkwaliteiten - had zo zijn tactieken. "Hij wandelde heen en weer in zijn kamer, bedacht zijn zin, ging zitten en gooide ze met één pennenstreek op papier, hervatte zijn wandeling, schreef op dezelfde manier de volgende zin en ging zo door tot het einde", schreef zijn vriend Maurice Muterse. "Zijn in één ruk geschreven manuscript was kraakhelder en zonder doorhalingen en werd zo naar zijn uitgever opgestuurd."

Een huizenhoog verschil met Gustave Flaubert, de auteur van Madame Bovary. Schrijfslak Flaubert kon vaak niet slapen omdat een zin niet liep zoals hij wou of omdat een herhaling zijn tekst teisterde. Spoorslags stond hij op om het te wijzigen. Flaubert was een perfectionist in zijn schrijfpaviljoen in Croisset, met zicht op de Seine, waar hij werkte als "zesendertig miljoen paarden". "Ik ben bij het schrijven als iemand die pianospeelt met loden kogels op zijn knokkels."

Veldslag met koffie

En de alcohol en de drugs, vraagt u? Met de drinkende, slikkende en spuitende schrijvers kun je ettelijke encyclopedieën vullen - van de mezcal van Malcolm Lowry, de rum diaries van Hunter S. Thompson en de booze van Charles Bukowski tot de geestesverruimende experimenten van de Beat Generation als William S. Burroughs en Allen Ginsberg.

Dopingcontroles voor schrijvers zijn vooralsnog niet ingevoerd. Altijd maar weer hebben auteurs hun toevlucht genomen tot stimulantia, tot het hen fataal werd. Zelfs ordinaire koffie kan tot excessen leiden. Honoré de Balzac had het zwarte goud nodig om zijn ellenlange schrijfsessies van soms 19 uur aan een stuk vol te houden. Achtervolgd door schuldeisers, wilde hij steeds meer produceren. 50.000 kopjes koffie zou Balzac bij leven geconsumeerd hebben: "Nadat de koffie in mijn maag beland is, begin ik mij op te winden. Mijn ideeën schudden en trillen als een bataljon van het Grande Armée. De veldslag begint", zo noteerde Balzac. De koffie, de luttele slaap en zijn ongezonde levensstijl ondermijnden zijn gestel tot hij hartproblemen en uitputtingsverschijnselen kreeg en op 51-jarige leeftijd overleed.

Staat Amélie Nothomb hetzelfde lot te wachten? De Belgische diva-schrijfster is al even monomaan: in het eten van rottend fruit en het schrijven op ontiegelijk vroege uren. Nothomb gooit als krachtvoer sloten ijzersterke, zwarte thee achterover.

Nee, een gezonde stiel is het schrijven allerminst. En binnengluren in de werkruimtes van auteurs blijft een vreemde vorm van voyeurisme. Misschien kunnen we maar beter hun schrijfzweet niet ruiken en onze oren dichtstoppen voor hun verwensingen en vervloekingen. Anders verdampt de magie. Ernest Hemingway wist het al: "Your easy reading is my damned hard writing".

Iets wat A.F.Th. van der Heijden nog veel prachtiger formuleerde in een interview met Piet Piryns: "Je moet de lezer niet te veel lastigvallen met hoe het benedendeks toegaat. Je zet de lezer op een cruise, je laat hem alle mooie kustplaatsen van de Middellandse Zee zien, maar je hoeft hem niet te vermoeien met hoe de ketel wordt gestookt en hoe in de kombuis de kip gebraden wordt."

Een aantal citaten van Claus zijn afkomstig uit het boek Groepsportret. Een leven in citaten van Hugo Claus, samengesteld door Mark Schaevers

(De Bezige Bij, 469 p., 2004)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234