Dinsdag 19/01/2021

Schrijvers en

hun tuinen

'Toen ik via het kleine poortje achteraan in de tuin buitenkwam en de zon opnieuw zag, die heldere muur die de hoge beuken voor haar optrokken, leek alles me zo schitterend mooi, zo nieuw, dat ik bijna begon te wenen van vreugde. Tranen zijn voor mij niet alleen een teken van verdriet, maar evengoed van bewondering, vertedering, van een plotse en heftige ontroering, van een overweldigende vreugde."

Dat noteerde de Franse schrijver en Nobelprijswinnaar André Gide in 1906 in zijn dagboek, na een hevig onweer boven zijn tuin bij het kasteel van Cuverville in Normandië. Gide was een gepassioneerd tuinier én een groot tuinliefhebber.

De tuin, zo schrijft Mic Chamblas-Ploton in een onlangs verschenen boek over 'Les Jardins d'André Gide', was voor Gide op de eerste plaats geassocieerd met een ervaring van geluk en genot. Herhaaldelijk duikt dat thema op in zijn werk, in zijn beschrijvingen van het Parc de Luxembourg of Le Jardin de la Bagatelle in Parijs, van de grote renaissancetuinen die hij in Italië bezoekt, of de palmbomen in de oasen van Algerije of Marokko. "Si je m'étais simplement assis sur un banc du Luxembourg, j'aurais pu jouir idylliquement de l'air tiède et de la chaude lumière, maintenir mon esprit dans cet état d'allégresse à la fois calme et pétulante", zo noteert hij in zijn dagboek. "Het regent pijpenstelen. Opgesloten in mijn serre met de gedichten van Goethe, omringd door goudkleurige calceolaria's, zonder koorts, zonder zorgen, zonder verlangens, geniet ik van een perfect geluk...", zo heet het elders.

Maar Gide genoot niet alleen van de tuin, hij was ook een verwoed tuinier die in zijn dagboeken en romans herhaaldelijk over de praktische kanten van het vak schrijft. "De hele ochtend in de tuin. Ik kon mezelf er niet toe bewegen om te gaan schrijven. Als ik binnenkom voor het middagmaal vindt Emmanuele dat ik er helemaal verdwaasd uitzie. Wat heb ik daarvoor gedaan? Eenvoudig op de insecten op mijn rozen gejaagd", aldus het dagboek. "Helleborussen, lelies en tigridia's zijn aangekomen uit Holland. Van 7 uur vanochtend tot 6 uur vanavond ben ik ononderbroken bezig geweest in de tuin."

Bovendien toont hij zich in boeken als Nourritures terrestres, Amyntas en in zijn dagboeken ook een scherpzinnige observator van de architectuur van tuinen en parken.

Over al die aspecten en over de tuinen waarin hij zelf heeft geleefd en gewerkt - zoals die van Cuverville in Normandië of die van la Villa Montmorency in Auteuil bij Parijs - maar ook over de vele tientallen publieke parken en tuinen van vrienden in binnen- en buitenland die hij in zijn boeken en dagboeken uitgebreid beschreef, gaat dit prachtige en uitvoerig geïllustreerde boek Les Jardins d'André Gide.

André Gide is ook een van de schrijvers die aan bod komen in het pas verschenen boek Jardins d'Ecrivains. Grotendeels aan de hand van citaten van zo'n vijftig schrijvers wordt in dit schitterende boek een beeld geschetst van de tuinen van die auteurs.

Nu verschijnen er in het buitenland tegenwoordig wel meer bloemlezingen over tuinen en planten met beroemde of minder beroemde passages uit de wereldliteratuur - waarbij 'literatuur' weliswaar niet altijd al te letterlijk moet worden genomen. Maar dit boek is speciaal omdat hier niet zomaar auteurs werden geselecteerd die ooit wel eens iets over de tuin of aanverwanten hebben geschreven, maar alleen maar auteurs die zelf tuinierden of minstens in een tuin leefden. Wat toch ook vermeldenswaardig is voor een Frans boek, is dat men zich niet beperkt heeft tot de eigen nationale schrijvers maar af en toe ook eens even over de grenzen is gaan kijken.

Het is daardoor bijna een wandeling door onze westerse cultuurgeschiedenis die begint bij Cicero en Plinius de Jongere, over Petrarca, Boccaccio, Montaigne, Montesquieu, La Fontaine, Voltaire, Rousseau en Goethe, maar ook Walter Scott, Balzac, Victor Hugo, Georges Sand, de gebroeders Goncourt, Tolstoï, Emile Zola, en Thomas Hardy, tot auteurs van deze eeuw zoals Karen Blixen, Maurice Maeterlinck, Gabriele D'Annuncio, Rudyard Kipling, Marcel Proust, François Mauriac, Virginia Woolf, Vita Sackville-West, Céline, Jean Cocteau, Louis Aragon en Elsa Triolet, Marguerite Yourcenar, Georges Simenon, Federico Garcia Lorca, Marguerite Duras, Jules Roy, Michel Tournier, Madeleine Chapsal, enzovoorts enzovoorts.

Van sommige van die schrijvers was hun tuinplezier mij bekend, en een aantal van die tuinen bestaat ook vandaag nog en kan in sommige gevallen ook worden bezocht, zoals die van Virginia Woolf, Vita Sackville-West, Thomas Hardy en Goethe. Dat ook Rousseau en Voltaire, Maeterlinck, Proust en Colette iets met tuinen hadden, blijkt ten overvloede uit hun geschriften. Maar van andere auteurs wist ik helemaal niet dat ze ooit met een tuin bezig waren geweest.

Het boeiende van dit boek zijn echter niet zozeer die verrassingen, dan wel de manier waarop al deze auteurs over hun tuin schrijven. Soms in de meest lyrische of poëtische termen, zoals men van romanciers en dichters mag verwachten. Maar vaak ook op een veel prozaïscher en gewoner manier. Over de regen die alles verzuipt of de zon die alles verbrandt, over de slakken of de katten die de bloemen teisteren, over de narcissen en de tulpen die besteld of geplant zijn, over de tuinier die de bomen verkeerd heeft gesnoeid of de verkeerde planten heeft gewied...

Zoals Georges Sand, die in een brief schrijft: "Le jardin est en très bon état, mais il n'y restera pas longtemps et voici le temps de beaucoup de travaux qui s'approche." Of "Je travaille tous les jours à mon petit Trianon: je brouette des cailloux, j'arrache et je plante du lierre, je m'éreinte dans un jardin de poupée et cela me fait dormir et manger on ne peut mieux."

Of zoals Balzac, die op 29 maart 1844 in een brief aan een vriendin schrijft: "Je vous envoie les premières violettes de mon jardin, venues au soleil de Paris, dans cette atmosphère de gaz carbonique où les fleurs et les livres poussent comme des champignons."

Zoals een tuin, net als een huis, meestal een stukje verraadt van de persoonlijkheid van de maker of eigenaar, heeft dit boek niet alleen voor de tuinliefhebber maar ook voor de literatuurfanaat heel wat te bieden. Zo toont het landgoed van Monte-Christo bijvoorbeeld de grootheidswaanzin van Alexandre Dumas; de tuin van La Béchellerie van Anatole France is bijna het prototype van kleinburgerlijkheid; in het gigantische park van Arnaga lijkt Edmond - Cyrano de Bergerac - Rostand zijn heimwee naar het verleden te hebben willen uitdrukken; en de manier waarop Colette zich in haar tuin in Saint-Tropez bewoog, laat iets vermoeden van haar eigenzinnige karakter.

Mic Chamblas-Ploton, Les Jardins d'André Gide, Editions du Chêne, 1998, ISBN2-84277-075-7

José Cabanis & Georges Herscher, Jardins d'Ecrivains, Actes Sud 1998, ISBN 2-7427-1365-4

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234