Dinsdag 15/06/2021

Schrijver tussen roes en kater

BIOGRAFIE. De zwalkende mens wist hij meesterlijk te verbeelden. Zelf was de Duitse schrijver Hans Fallada er ook zo een, blijkt uit de eerste Nederlandse biografie.

Niet zingen tijdens de afwas, kinderen. Vader is aan het scheppen. Zo ging het er in de jaren dertig van de vorige eeuw aan toe bij Hans Fallada (1893-1947), schrijversnaam van Rudolf Ditzen, toen hij met zijn vrouw Suse en de kinderen in het idyllische Carwitz in Mecklenburg-Vorpommern woonde.

In diverse teksten presenteerde de schrijver zich als een man van het volk; hij werkte eerst in de aardappelteelt, toen als nachtwaker, kantoorbediende en colporteur, tot hij romans ging schrijven en met Wat nu, kleine man? (1932) een immens publiek kreeg. Dat wereldsucces bracht nieuwe verplichtingen en spanningen met zich. Gelukkig had hij een stabiel privéleven. Dus als vader de geest kreeg en er in korte tijd een roman uit ranselde, wierp muze Suse zich op als corrector, en de kinderen deden de afwas zonder begeleidend gekweel.

Drankzuchtige windvanen

Een pastorale, die eerste tachtig pagina's van de eerste Nederlandse Fallada-biografie, geschreven door Anne Folkertsma. In de afgelopen jaren herzag ze verouderde vertalingen van zijn grote romans, en vertaalde ze het fascinerende gevangenisdagboek In mijn vreemde land. Doordat Folkertsma eerst de auteur zelf uitgebreid het woord geeft, wordt het contrast met het werkelijke verhaal van zijn leven huiveringwekkend.

Fallada heeft nooit een kalm bestaan gehad. De drankzuchtige windvanen uit zijn romans, die meesterlijke verbeeldingen van de zwalkende mens in een roerige era, lijken als twee druppels water op de rusteloze schrijver. Als gymnasiast begon deze zoon van een rechter al met ongeremd roken, onmatig drinken en ontoelaatbaar spijbelen. In de ban van decadente ideeën deed hij met een boezemvriend op 17 oktober 1911 een dubbele zelfmoordpoging. Vriend dood, hij gaat zwaargewond, ondervoed en depressief van het ziekenhuis naar een psychiatrische inrichting. De Berliner Zeitung am Mittag gewaagde een dag later van twee 'weliswaar begaafde, maar idealistisch aangelegde jonge mensen, die zich inbeeldden dat ze te goed waren voor deze slechte wereld en die in schoonheid wilden sterven'.

Achter het woordje 'maar' huist veel Duits verdriet. En al was de scholier Rudolf Ditzen toen een dweepzieke lezer en nog geen schrijver, in die mislukte zelfmoord zit de hele Hans Fallada al opgesloten; de latere morfinist en alcoholist, de psychiatrische patiënt en gedetineerde, de schrijver over het gewone volk, het harde leven en de kleine hoop die zelf niet boven de materie stond. Hij was niet beter dan de slechte wereld.

Drugs, afkicken, depressies, slaapmiddelen, vreemdgaan, scheiden, drinken en met een pistool zwaaien: alles komt langs, in een verbijsterend tempo ook nog. Veel schrijvende vrienden verlieten nazi-Duitsland, maar Fallada verkoos te blijven, en deed glibberige concessies door zijn boeken te voorzien van hoofdschuddende voorwoorden, schreef luchtige sprookjes en memoires vol verdichtsels, en deed of hij niks zag als hij dagelijks langs het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück reed, of toen zijn zoon op een SS-Heimschule werd ondergebracht.

Koortsig

Geen groot man, wel een groot verteller. Het moedeloze gesjacher en de telkens opflakkerende verwachting kon Fallada met veel gevoel tekenen. In de postuum verschenen, schitterende roman De drinker (1950) zit de verteller Sommer met een paar kameraden in de cel. Buiten ziet hij een paar koud blinkende sterren. Zouden die ooit een zo wanhopig leed hebben gezien als nu over hem is gekomen, vraagt Sommer zich in gemoede af.

In de paar uren daarna wordt hij milder, en prent hij zich alweer in 'dat er nog niets verloren was'. Pathos gevolgd door ontnuchtering, wanhoop die overgaat in nieuwe plannen: dit is het temperament van een verslaafde. Maar tevens neemt zo'n scène een land in tijden van crisis, oorlog en puinruimen de temperatuur: ook tussen roes en kater aanhoudend koortsig.

Niet zonder opportunisme schreef Fallada in 1946 een grote verzetsroman: Jeder stirbt für sich allein (Alleen in Berlijn). Hij kreeg er een honorarium voor van 75.000 mark; daarvan kocht zijn tweede vrouw Ulla, ook hopeloos verslaafd, direct honderd ampullen morfine.

Volgens zijn laatste behandelende arts was de schrijver aan de beterende hand toen hij stierf in een noodziekenhuis, 53 jaar oud. Hans Fallada deed niet onder voor veel van zijn verdrietige helden.

Anne Folkertsma, Hans Fallada - Alles in mijn leven komt terecht in een boek, Cossee, 416 p., 29,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234