Zaterdag 04/07/2020

InterviewBoeken

Schrijver Nir Baram: ‘Mijn moeder zei: je zult naar mijn graf komen en om vergiffenis vragen’

‘Ik was een sleutelkind: als ik thuiskwam was er niemand. Dat doet je wel beseffen dat niemand je zal redden, dat je daar zelf voor moet zorgen.’Beeld Moti Milrod

De Israëlische auteur Nir Baram (43) wist geen blijf met zijn herinneringen nadat zijn beste vriend uit het leven was gestapt. Met Aan het einde van de nacht kon hij weer bij hem zijn. ‘Ik leef niet in één tijdslot. Het verleden gebeurt ook altijd nú.’

‘Het is pure waanzin in Israël, zegt Nir Baram. De schrijver staat bekend om zijn kritiek op hoe zijn land met Palestijnse rechten omgaat, maar daar heeft hij het nu niet over. Ook Israël ontsnapt niet aan de coronapandemie en de regels zijn er zo streng dat het amper leefbaar is, zegt hij. Mensen mogen enkel het huis uit voor medicijnen of voedsel of om naar het werk te gaan. Buiten sporten mag slechts kortstondig en is gelimiteerd tot 100 meter van de woning.

“Er zijn veel mensen die zonder werk en dus zonder loon opgesloten zitten, terwijl de overheid geen economische vooruitzichten biedt. Mentale problemen escaleren, het familiale geweld piekt. Dit is een gigantische tijdbom.”

Of deze tijd hem inspiratie biedt als schrijver? “Nee. Ik schreef de laatste weken niets. Ik kan er niet mee bezig zijn. Het is nu een kwestie van overleven.”

Met zijn eerste roman Goede mensen (2012) veroverde Nir Baram meteen een plaats op de internationale schrijverskaart. Ondertussen wordt hij vaker wel dan niet omschreven als jongste telg in de progressieve Israëlische auteursfamilie waarvan Amos Oz (1939-2018) en David Grossman (1954) de boegbeelden zijn.

BIO

• geboren op 2 juni 1976 in Jerusalem • woont in Tel Aviv • brak internationaal door met roman Goede mensen (2012) • in 2016 verscheen de roman Wereldschaduw • zet zich al jaren in voor de politieke rechten van Palestijnen • bracht in Een land zonder grenzen (2015) verslag uit van zijn reis door de bezette gebieden • wordt ondertussen in één adem genoemd met Israëlische schrijvers als Amos Oz en David Grossman • is gescheiden en heeft een zoon van vijf 

Net als bij Oz en Grossman is Barams werk doordrongen van de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Zijn eerste non-fictiewerk was er zelfs helemaal aan gewijd: voor Een land zonder grenzen (2016) reisde hij door de bezette gebieden en bracht hij verslag uit van gesprekken die hij had gevoerd in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem.

In zijn meest recente roman, waarvan begin dit jaar de Nederlandse vertaling uitkwam, speelt het eeuwige conflict eerder op de achtergrond. Aan het einde van de nacht is een verhaal over de bijna symbiotische vriendschap tussen twee jongens, Jonatan en Joel, die in een seculiere middenklassewijk van Jeruzalem opgroeien. Van de jaren tachtig – waarin Jonatan en Joel kind waren en samen een imaginair koninkrijk uitbouwen – en hun tienerjaren in de jaren negentig spreidt Baram hun verhaal uit tot het Mexico van nu, waar Jonatan, die schrijver is, heeft deelgenomen aan een literair festival.

Aan het einde van de nacht werd door de Israëlische krant Haaretz uw meest persoonlijke werk ooit genoemd. Bent u het daarmee eens?

“Het is in elk geval mijn meest uitgesproken persoonlijke roman. In 2014 stierf mijn beste vriend Oeri. (Aan hem is het boek ook opgedragen, red.) Er volgde een tijd van diepe rouw voor mij, en van reflectie. Over ons leven, over alles wat gebeurd was. Ik kampte ook met een schuldgevoel. En er waren zoveel herinneringen. Je kunt die herinneringen proberen te begrijpen, maar ik wilde ze echt herbeleven. Ik wilde opnieuw in onze wereld zijn.

“Op een dag zag ik opeens een beeld in mijn hoofd van twee jongens die een tunnel beginnen te graven in de wadi (een opgedroogde rivierbedding, red.) en begon ik te schrijven. Ik wilde mijn herinneringen combineren met mijn verbeelding. Rechttoe rechtaan verhalen schrijven is niks voor mij.”

Basketbalfan Nir Baram: ‘Ik heb de afgelopen weken niets geschreven. Ik kan er niet mee bezig zijn. Het is nu een kwestie van overleven.’ Beeld Moti Milrod

Verbeelding, fantasie, dromen en herinneringen spelen een grote rol in uw roman. U roept voortdurend de vraag op: wat is echt, wat is niet echt? Wat fascineert u zo aan die vraag?

“Voor mij voelt het nooit alsof ik maar in één tijdslot leef. Ook in het heden schreeuwen de herinneringen voortdurend in mijn hoofd. Het verleden gebeurt dus ook altijd nu. Dat was al zo als kind. Voor mij was iets nooit helemaal gedaan.

“Ik haatte dat gevoel. Ik wilde gewoon in het heden leven. Aan andere mensen kreeg ik het niet uitgelegd, en daar worstelde ik mee. Ik voelde me verkeerd begrepen. Op school was ik een stokebrand. Mijn vader moest bijna elke week op gesprek komen bij de directeur.

“Maar op een gegeven moment zag ik wel in dat je als schrijver een pact met de duivel sluit: je ondergaat die herinneringen opnieuw om ze te gebruiken tijdens het schrijven.

“Dat idee van er niet bij te horen heb ik trouwens altijd gehad. Niet dat ik me beter of slimmer voelde. Integendeel zelfs. Israëlische kinderen krijgen al op heel jonge leeftijd te horen dat je een goede soldaat moet zijn, en je land moet dienen. Terwijl mijn vrienden op de interessantste plekken ter wereld dienst deden, was ik gestationeerd in het Tank Museum in Israël, en zelfs daar was ik een waardeloze soldaat. (lacht)

“Ook mijn familie was anders dan andere gezinnen. Toen ik negen was, verhuisde mijn broer naar New York en dat was heel moeilijk voor mij. We sliepen in dezelfde kamer en hij was iemand die ook veel verbeelding had. Toen hij vertrok, voelde het alsof ik met niemand in ons gezin nog kon praten. Ik heb dus altijd beseft: ik moet leren om alleen te zijn.

(glimlacht) “Mensen die nog weten wat ik allemaal uitspookte op school, kunnen trouwens amper geloven dat ik een schrijver ben geworden. Het zat ook niet in mijn familie. Schrijven of kunst beschouwden mijn ouders als een vrijetijdsactiviteit voor mensen die te veel tijd hadden. Met mijn moeder las ik wel de Russische klassiekers – Dostojevski en Tolstoj – maar schrijvers waren volgens mijn ouders rare mensen, met rare ideeën.”

‘Zelfs als je veel van iemand houdt, kun je niet zien wat zich in zijn hoofd afspeelt.’ Beeld Moti Milrod

Ook over schrijven stelt u vragen in uw roman. Tijdens het literaire festival in Mexico zegt Jonatan: ‘Telkens als je een beeld op papier zet waardoor je jarenlang geplaagd bent, een herinnering, een fantasie, maakt niet uit, maak je het ook een beetje dood, je doodt de woestheid en de schoonheid ervan, de potentie die het had voordat je het opschreef.’

“Er gaapt nu eenmaal een diepe kloof tussen wat je in je hoofd ziet en hoe je het opschrijft. Hoe hard ik ook mijn best doe, wat ik schrijf is nooit hetzelfde als wat ik voel of beleef. Het is altijd een reductie, en het brengt heel vaak een gevoel van mislukking en ontoereikendheid teweeg. Soms zijn de beste gedachten in een boek degene die niet geschreven zijn.

“Als ze volwassen zijn, en Jonatan een schrijver is geworden, vraagt Joel hem: ‘Geloof jij werkelijk dat het mogelijk is om deze wereld te onderzoeken met een paar verhaallijnen, een paar personages, dat je ook maar een korreltje hebt aangeraakt van wat hier heeft bestaan?’

“Dat is de meest cruciale passage in het boek. Ze delen hun gezamenlijke kindertijd in de wadi, maar Joel vindt dat hij de enige echte bewaarder is van hun verleden en er dus het trouwst aan is. Want Jonatan schrijft erover en reduceert het. Terwijl Jonatan móét geloven dat hij het kan aanraken. Dat is wat hem rechthoudt.”

Het personage Jonatan staat dichter bij u dan Joel.

“Dat klopt. Maar ze lijken erg op elkaar. Op een gegeven moment zien ze de wereld door dezelfde ogen. Althans, zo lijkt het, want er is altijd een breuk tussen mensen. Zelfs als je veel van iemand houdt, kun je niet zien wat er zich in zijn hoofd afspeelt.

“Als Joel het koninkrijk wil verlaten, heeft Jonatan het daar heel moeilijk mee, want hij is eenzaam en verlangt naar symbiose. Voor hem is hun gezamenlijke fantasiewereld altijd belangrijker geweest dan voor Joel, maar dat ziet hij niet in. Als Joel die wereld de rug toekeert, staat dat voor Jonatan gelijk aan verraad.

“Het is niet de eerste keer dat hij zich verraden voelt. Daar heeft zijn moeder eerder al voor gezorgd, toen ze hem vertelde dat haar wereld perfect was toen hij drie, vier jaar was, en dat er toen iets gebeurde waardoor alles veranderde. Sindsdien leeft Jonatan met een permanent schuldgevoel.”

Het zit eerder onder de radar in de roman, maar Jonatan groeit duidelijk op in een disfunctioneel gezin. Zeker de relatie met zijn moeder is erg verstoord.

“Wat er in hun gezamenlijke kinderwereld gebeurt, heeft in mijn roman inderdaad een veel groter aandeel dan wat er in Jonatans gezin gebeurt. Dat is een beslissing die ik zelf ook genomen heb als kind: mijn verbeeldingswereld was belangrijker dan de wereld thuis.”

Baram met zijn zoontje: 'Ik had niemand om mijn fantasiewereld mee te delen. Hij wel. Hij deelt het met mij.'Beeld Moti Milrod

Dat is een opmerkelijke strategie voor een kind.

“Als de juf in de kleuterschool op maandag vroeg wat we gedaan hadden in het weekend, verzon ik altijd een verhaal. Omdat wij thuis niks deden in het weekend. En zo werd ik wel eens een leugenaar genoemd. Vreemd, want ik sta niet bekend als een leugenaar. Integendeel zelfs, mijn vrienden kennen mij als iemand die altijd zegt wat hij denkt.”

U hebt zelf een zoon van vijf jaar oud. Ziet u die verbeelding ook bij hem?

“Daniel heeft een grote verbeelding. Minstens de helft van de tijd die we samen doorbrengen, zitten we in ons zelfgecreëerd verhaal en vechten we tegen een heleboel slechteriken. Tegen piraten die aanmeren op het strand, bijvoorbeeld. Ondertussen zitten we aan een honderdtal personages.”

Hij heeft dus dezelfde behoefte als u toen u kind was, en als Jonatan in uw roman?

“Het verschil is dat mijn zoon opgroeit in een gezin dat helemaal anders is dan het gezin waarin ik ben opgegroeid. Hij krijgt veel aandacht en veel bevestiging van zijn ouders. Ik had niemand om mijn fantasiewereld mee te delen. Hij wel. Hij deelt het met mij.”

Aangezien het een thema is in uw roman: gaat u uw zoon kunnen laten gaan als het nodig is?

“Ik zal daar heel bewust op letten. Weet je, voor Daniel geboren werd, dachten mensen dat het moeilijk zou zijn voor mij om vader te zijn, wegens het schrijven. Het tegendeel gebeurde. Mijn boeken zijn minder belangrijk geworden. Daniel komt op de eerste plaats, daarna komt het schrijven. En ja, ooit zal er een scheiding tussen ons komen. Maar ik herinner me hoe mijn moeder me daarover deed voelen, en ik zal niet hetzelfde doen.

“Toen ik acht was, zei mijn moeder tegen mij: ‘Je zult naar mijn graf komen en om vergiffenis vragen.’ Ik ga zeker de pijn voelen als Daniel stilaan meer afstand van mij neemt, maar ik zal me normaal gedragen.”

Op een gegeven moment schrijft u in een halve zin, bijna achteloos, dat Jonatans moeder hem heeft gezegd dat hij de ogen heeft van een Gestapo-officier. Dat is toch het wreedste wat een Joodse moeder haar zoon voor de voeten kan werpen?

“Ga je me nu vragen of dat echt gebeurd is?”

Nee, zelfs in een persoonlijke roman hoeft een schrijver niet uit te leggen wat er exact gebeurd is en wat niet, daarom is het literatuur. Ik wilde vragen hoe het komt dat u voor zo’n gruwelijke zin gekozen hebt.

“Laten we zeggen dat het een zin was die voor mij heel moeilijk was om te verzinnen.”

Ik vraag het ook omdat Jonatan een fundamentele eenzaamheid met zich meedraagt, en er niettemin voor kiest om zelf een gezin te stichten. Hij trouwt en krijgt een zoon.

“Er is een verlangen naar compensatie voor wat hij in zijn jeugd heeft moeten missen. Maar het is niet omdat Jonatan nu zelf in een goed gezin leeft dat hij zich begrepen voelt. Je kunt fantaseren over een warme familie, maar zodra je die hebt, is het toch anders.

‘Mensen die nog weten wat ik allemaal uitspookte op school, kunnen amper geloven dat ik een schrijver ben geworden.’Beeld Moti Milrod

“Als kind was ik altijd jaloers op andere kinderen die thuiskwamen van school en een glas melk kregen van hun vader of moeder. Ik was een sleutelkind: als ik thuiskwam was er niemand. Maar achteraf besefte ik: dat heeft ook voordelen. Het geeft je zelfstandigheid. Het doet je beseffen dat niemand je zal redden, maar dat je er zelf voor moet zorgen dat je het redt.”

Zes jaar geleden benam uw beste vriend Oeri zich het leven. Hij leed aan een zware depressie. Hebt u ondertussen vrede met zijn dood?

“Nee. Joel was voor mij een manier om weer bij Oeri te zijn. Voor de duidelijkheid: de twee vallen niet geheel samen. Oeri en ik speelden niet in de wadi, hij zat zelfs niet op mijn school. Ik leerde hem pas kennen toen we acht jaar oud waren. Vanaf toen heb ik hem altijd als mijn beste vriend beschouwd. We hadden een heel sterke band.

“Het schrijven helpt me niet bij mijn dagelijkse verlangen om met Oeri te praten, maar het maakt het wel draaglijk. Daarvoor was het moeilijk. Ik was er constant mee bezig.”

Jonatans moeder sterft in uw roman. Uw eigen moeder stierf aan kanker toen u negentien was. Hebt u nog veel contact met uw vader?

“We praten dagelijks. Hij las het boek ook. Hij heeft ervan genoten, zei hij. Met het boek kreeg hij de kans om de wereld te zien zoals zijn zoon die zag als kind. Maar ik denk niet dat hij het zo gelezen heeft. Hij las het niet als een familiegeschiedenis. Er zijn veel elementen in het boek die niet waargebeurd zijn, en dat heeft hij aangegrepen om het niet te zien als een verhaal over ons gezin. Dat was te moeilijk, veronderstel ik.”

Het feit dat uw vader het boek kon lezen heeft u niet tegengehouden om het te schrijven?

“Nee. Ik wist dat ik niet aan de reacties mocht denken terwijl ik aan het schrijven was. Ik wilde absoluut vermijden dat het mijn schrijven zou besmetten.

“Als ik ’s avonds in bed lag dacht ik wel eens aan wat mensen zouden denken als ze het zouden lezen, maar niet als ik in de roman zelf zat. (glimlacht) Ik zei je al dat ik met volle overgave in een fantasiewereld kan leven.

“De mogelijke gevolgen van wat ik schreef kwamen pas bij mij op toen het boek af was. Toen heb ik ook veel namen veranderd. Daarom zeg ik altijd dat de meest gevaarlijke tijd voor mij de tijd tussen het schrijven is. Dat is de periode waarin ik mij het meest kwetsbaar voel. Je bouwt een hele tijd lang een wereld op, en plots stopt die wereld.”

U hebt deze roman in 2017 beëindigd. Bent u aan een nieuw boek bezig?

“Zeven, acht maanden geleden ben ik weer begonnen. Een jaar heb ik toch minstens nodig tussen twee boeken. Nu met corona is het moeilijk om me over te geven. De beste dagen zijn die waarop mijn zoon er is. Mijn vrouw en ik zijn een jaar geleden gescheiden en onze zoon verblijft om de andere dag bij mij of haar. Ik moet hem dus telkens maar één dag missen.

“Soms kijk ik naar hem en denk ik: hij groeit op in een warme omgeving, en toch heeft hij ook dat verlangen om volledig op te gaan in een verbeeldingswereld. Telkens als een episode van ons verhaal eindigt, zie ik aan zijn gezicht dat hij met dezelfde dingen worstelt als ik.”

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op zelfmoord1813.be

Nir Baram, 'Aan het einde van de nacht', De Bezige Bij, 432 p., 23,99 euro. Vertaald door Hilde Pach.Beeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234