Zondag 20/09/2020

InterviewBoeken

Schrijver Chris de Stoop over de moord op zijn oom: ‘Ze zagen hem als een Untermensch’

‘Daniel wilde met rust gelaten worden met zijn koeien en zijn herinne­ringen. Dat soort boeren­bestaan is in corona­tijden waarde­voller dan ooit, maar overal in Europa wordt het kapot­gemaakt.’Beeld Saskia Vanderstichele

Daniel Maroy stierf in maart 2014 op zijn 84ste door toedoen van een jeugdbende. De moord was ongemeen gruwelijk, maar kreeg haast geen ruchtbaarheid. Dat zal veranderen nu familielid Chris de Stoop er een puntgaaf boek over heeft geschreven: Het boek Daniel, een hoogtepunt in zijn carrière na toppers als Ze zijn zo lief, meneer en Dit is mijn hof. ‘Normaal ben ik meer het type van de worstelende schrijver, maar dit boek heb ik in één geut geschreven.’

Chris de Stoop: “Oom Daniel was een neef van mijn moeder, maar we hadden geen contact meer met hem. Hij is begraven zonder dat we iets over zijn dood hadden vernomen. In België kan zoiets blijkbaar, de taalgrens speelt daarin mee. Zijn overlijden werd door politie en parket alleen meegedeeld aan een aangetrouwde nicht van de Waalse kant van de familie, en die mensen kenden wij niet.

“Eind 19de eeuw is de familie Maroy in volle landbouwcrisis vanuit de Vlaamse Ardennen naar westelijk Henegouwen getrokken, naar een vierkantshoeve in Saint-Léger. Twee generaties later is de vader van Daniel getrouwd met een tante van mij. Ik heb hem vroeger op begrafenissen ontmoet, maar de laatste twintig jaar van zijn leven had hij zich als een kluizenaar teruggetrokken. Mijn moeder heeft wel altijd veel over hem verteld. Ze vond hem een ingoede man, want hij had zijn leven ten dienste gesteld van zijn familie en de boerderij. Oom Daniel had een mentaal gehandicapte jongere broer, epileptisch, die hij tot zijn laatste dag verzorgd heeft, net zoals hij dat voordien voor zijn ouders gedaan had. Hij is altijd ongetrouwd gebleven.

“Pas een paar maanden na zijn dood kregen mijn moeder en ik de notaris van Moeskroen op bezoek. Hij zei dat oom Daniel gestorven was en dat we mede-erfgenamen waren van een boerderij, die weliswaar was afgebrand. Details gaf hij niet. Daarnaar ben ik zelf op zoek gegaan. Ik heb mijn moeder, die vorig jaar is overleden, nooit durven te vertellen hoe oom Daniel gestorven is.”

Het heeft jaren geduurd voor duidelijk was hoe Daniel Maroy precies aan zijn einde kwam. De roofmoord verliep in drie delen: je zou gaan denken dat de daders er zelf een misdaadfeuilleton van wilden maken.

“Ja, en als ze erover vertelden, deden ze dat ook vrij filmisch, alsof het om een videoclip ging. Om maar één akelig detail te geven: van de moord maakten ze een filmpje op een iPhone, en toen ze daarnaar gingen zitten kijken, zei er eentje: ‘Wacht! Ik sluit de telefoon aan op de geluidsinstallatie van de auto, dan hoor je de klappen beter.’”

Met die ‘ze’ heeft De Stoop het over een kleine jeugdbende, een dozijn jongeren van een jaar of achttien, die de verveling wegblowden op het dorpsplein van Evernijs, een dorp aan de zuidrand van Moeskroen. Eén van hen – De Stoop noemt hem Rafael, alle namen zijn veranderd – werkt als stagiair in de Colruyt, en heeft gemerkt dat een oude boer elke zaterdagavond zijn inkopen komt doen met een dik pak geld in zijn broekzak. Een makkelijke prooi, signaleert hij aan zijn maten. Twee van hen, Pascal en Arno, trekken zaterdagavond 22 maart 2014 naar de boerderij, terwijl Daniel Maroy aan het winkelen is. Ze vinden niets en wachten de boer daarom op. Arno slaat hem met een plank op het hoofd. De boer verweert zich. ‘Ik geloof dat ik hem nog een patat gegeven heb’, zal Arno later verklaren. Oom Daniel, zo heeft De Stoop het nu opgeschreven, ‘was als een levende bankautomaat waar ze geld uit hadden gehaald, meer niet.’ De bende jongeren jubelt om de grote buit: 13.000 euro. Traktatie in nachtwinkel Ali Baba in Moeskroen! Maar één van hen, Ahmed, is er rouwig om dat hij, tegen de afspraak in, niet is meegevraagd.

“Ahmed woonde in Roubaix, maar had een liefje uit de cité waar de bende haar hangplek had. ‘Als die boer zoveel geld op zak had,’ redeneert hij, ‘moet er nog veel meer in de boerderij liggen!’ Pascal en Arno willen niet meer mee, ze hebben genoeg aan hun 13.000 euro. Dus belt Ahmed zijn neef Rachid. Die nacht nog trekken ze naar de boerderij. ‘Ik maak hem dood!’, zegt Rachid nog onderweg, hij heeft aan de whisky gezeten. Ze vinden oom Daniel uitgeteld op de vloer, en dan doet zich de horrorscène voor die Ahmed met zijn iPhone gefilmd heeft. Rachid slaat oom Daniel vier keer met de steel van een zware hooivork letterlijk het hoofd in – een gutsende wonde. Om hem te immobiliseren gooien ze ook nog een gietijzeren kachel over hem heen. Allemaal zinloos geweld, want oom Daniel was al bewusteloos, ze konden het huis probleemloos doorzoeken, wat ze ook anderhalf uur lang gedaan hebben. Buit: 6.000 euro.”

Hij is ‘op ambachtelijke wijze afgemaakt’, schrijf je. Het lijkt alsof ze er plezier aan beleefden.

“Ze hebben, gedreven door hun materialistische verlangen naar de nieuwste iPhone en hun favoriete brommer, de stap naar geweld alleszins heel makkelijk gezet, en ze filmden het om ermee te kunnen uitpakken. Het past binnen een cultuur van kicks die ik enorm verontrustend vind. De geregistreerde jeugdcriminaliteit stijgt de laatste jaren niet, integendeel, maar experts bevestigen me dat ze wel een neiging tot verruwing en verregaande agressie zien.

“Niet minder verontrustend is dat die jongens vooraf duidelijk al geen enkel normbesef hadden, en achteraf geen schuldbesef. Het heeft drie weken geduurd voor ze gepakt werden, en in die weken snoefden ze over wat ze gedaan hadden, spraken ze erover op café en met hun maten, toonden ze het filmpje, toonden ze de buit en vervolgens ook wat ze ermee gekocht hadden: ze reden met hun nieuwe brommers door het dorp. Alles wat oom Daniel als boer verdiend had, hebben ze in drie dagen verbrast.”

Het moet hun wel duidelijk geworden zijn dat al dat gepraat gevaarlijk werd. Het filmpje werd gewist, de hoeve staken ze een week na de moord in brand om het op een ongeval te doen lijken.

“Een ware vuurstorm was het, drie brandweerkorpsen kwamen ter plaatse, en de vuurhaard was het lijk zelf. Ze hebben in het Texaco-station vlakbij een jerrycan gevuld en vijf liter benzine over Daniel gesprenkeld. Uit de analyse van de botten bleek dat de hitte tot meer dan 1.000 graden opliep.”

Miraculeus genoeg overleefde een Mariabeeldje vlak bij het lijk de vuurstorm.

(neemt het beeldje erbij) De rug is intact, net zoals die van oom Daniel dat was, omdat ze allebei achterover op de tegelvloer lagen. Dit beeldje is het enige voorwerp waarop genoeg vingersporen van Daniel werden gevonden om zijn DNA-profiel te kunnen opmaken. Waren die sporen zo duidelijk omdat hij na de eerste overval nog naar binnen gestrompeld is en naar dat beeldje gegrepen heeft om aan Maria bescherming te vragen? Of is het van de schoorsteenmantel gedonderd toen ze de kachel uit de muur sleurden? Dat zijn vragen waarmee ik blijf zitten: we weten niet hoe lang oom Daniel nog geleden heeft.

“Het beeldje is ook het enige object waarvan ik in de rechtbank gevraagd heb of ik het mocht hebben. Het glazuur heeft de brand doorstaan, alleen Maria’s gezicht en het kindje Jezus zijn gitzwart, het is er echt ingebrand, met niks is het er nog af te krijgen: het is een zwarte madonna geworden. Zie je hier de ‘M’ van Maria? Voor mij is het de ‘M’ van Maroy.”

Beeld Saskia Vanderstichele

OUDE VIEZERIK

Pas vijf jaar later was er het assisenproces in Bergen.

“De gerechtelijke molen draait traag, zegt men dan, maar de consequenties zijn natuurlijk verschrikkelijk. We dachten al dat het proces er nooit meer zou komen. De daders liepen alweer in het dorp rond, ze waren snel vrijgelaten – Arno, Pascal en Ahmed na tien maanden voorarrest, Rachid na twaalf maanden – en daarom was het niet langer een prioriteit van het parket: dossiers van wie nog gevangenzit, gaan voor. Hun levenssituatie was intussen veranderd, en de advocaten bleven maar bijkomend onderzoek vragen.

“Ik heb begrepen dat er een hele controverse geweest is: kwam hun vrijlating uit voorarrest niet te vroeg na zo’n gruwelijke moord? Daarin speelde mee dat ze, op de 21-jarige Rachid na, pas 18 waren en geen strafblad hadden. Het waren geen lieverdjes, maar ook geen veelplegers, en ze toonden dat ze zich wilden reïntegreren.”

Jij trad namens de familie op als burgerlijke partij: geen evidente stap?

“Pas enkele maanden voor het assisenproces kwam ik te weten dat niemand zich namens de familie burgerlijke partij stelde. Van de kant van de Maroys bleven er alleen enkele stokoude neven en nichten over die zichzelf daartoe niet meer in staat zagen, of die te ver woonden om twee weken lang een proces te volgen. Ik wist in het begin ook niet goed wat het allemaal voorstelde. In het Belgisch recht, heb ik intussen geleerd, spreekt het openbaar ministerie namens de samenleving en de burgerlijke partij namens de familie: ze ondervraagt de beschuldigde, geeft replieken en commentaren, houdt een pleidooi, enzovoort. Gewoonlijk wordt de burgerlijke partij door een eigen advocaat vertegenwoordigd. Nu stonden we vlak voor het proces, te laat om nog een advocaat te gaan zoeken, dacht ik. En er was ook iets in mij dat schreeuwde om die rol zelf op te nemen. Helaas was het hele proces in het Frans. (lachje) Maar ik ben er vol voor gegaan.”

Je hebt Daniel Maroy letterlijk een gezicht gegeven.

“Het was een schok voor mij toen ik in het duizend bladzijden dikke dossier geen enkele foto van hem vond. Dus ben ik zelf gaan zoeken. Ik vond er één van toen hij nog geen vijftig was. Die foto heb ik op het proces getoond en hij stond de volgende dag in de lokale pers.”

Maar die foto staat niet op de cover van je boek.

“Nee, voor de cover heb ik een foto uit een databank op het internet geplukt, me baserend op de tekening die een buurvrouw aan het bord van de Colruyt in Moeskroen had geprikt – ‘Daniel, we vergeten je nooit’, stond erbij. Wie oom Daniel aan het einde van zijn leven gekend heeft, vindt de gelijkenis treffend. Het zou niet passend geweest zijn die veel oudere foto te gebruiken, want toen hij het slachtoffer van de bende werd, was hij een ander mens, een verwilderde kluizenaar. In de laatste twintig jaar van zijn leven had oom Daniel een lange baard en verwarde haarslierten. Met altijd hetzelfde versleten hoedje en dezelfde oude kleren zag men hem op zijn blauwe tractor – een Ford 4630 – door de streek rijden: een verschijning die iedereen kende!

“Onder de jongeren van de bende werd hij ‘de oude viezerik’ genoemd. Die hele moord zou niet gebeurd zijn, zei de psychiater die hen onderzocht, als het iemand van hun milieu was geweest, met hun achtergrond. Het was een proces van ontmenselijking, ze zagen hem als een Untermensch, zo staat het letterlijk in het vonnis.

“Jeugdbendes associëren we spontaan met grote steden, maar voor mij was het juist interessant dat dit verhaal op het platteland speelde. Die jongens woonden op een paar kilometer van de boerderij, maar waren er toch totaal van vervreemd en konden daarom niet de minste empathie opbrengen. Oom Daniel staat voor een platteland dat ten onder gaat zonder dat het ons veel kan schelen. ‘Ik was nog nooit in mijn leven op een boerderij geweest’, zei Rachid lang na de feiten. ‘Het enige wat ik me bij een boer kon voorstellen, was: iemand die een geweer heeft, en veel geld onder zijn matras.’”

Dat Daniel Maroy zich doelbewust uit de maatschappij had teruggetrokken, werd op het proces aangehaald als een factor die mee tot het drama leidde.

“Een psychiater noemde het ‘sociale zelfmoord’ en beschouwde hem net als de daders als een randfiguur, een drop-out. Ik had het daar heel moeilijk mee: voor mij heeft iemand volstrekt het recht om zijn eigen leven in te richten zoals hij dat wil.

“Dat oom Daniel gekozen had voor een heremietenbestaan had te maken met een enorme ontgoocheling op amoureus vlak. Hij had gehoopt na de dood van zijn broer, begin jaren 90, nog aan een nieuw leven te kunnen beginnen. ‘Ik ga nog trouwen!’, had hij altijd gezegd. Want hij was ‘de laatste Maroy’, er was niemand om de boerderij voort te zetten. En dus stapte hij op een dag een slagerij in de buurt binnen waar Yvette werkte, een ongetrouwde vrouw. Hij wachtte tot alle klanten buiten waren en zei: ‘Yvette, ik wil met u trouwen.’ Maar Yvette zag dat niet zitten. Tot de dag van zijn dood is hij elke zaterdag op weg naar de Colruyt voor haar huis even blijven stilstaan. Die afwijzing was een enorme schok.

“En daar kwam dan nog een financiële ramp bovenop. Na de dood van zijn broer kon hij als arme landbouwer de successierechten op de erfenis niet betalen: in België lopen die op tot 60 procent en meer. Zijn veearts vertelde me dat oom Daniel in de jaren 90 het geld niet had om voedsel te kopen, hij spaarde het eten uit zijn mond voor zijn beesten. Hij moest een lening aangaan, kon die niet afbetalen, en moest vervolgens zijn landerijen verkopen. Alleen de hoeve met de weide eromheen kon hij redden.

“Die dubbele schok maakte dat hij zich compleet uit de wereld terugtrok. Hij deed voor niemand meer open, hij wilde met rust gelaten worden met zijn koeien en zijn herinneringen. Dat was voor hem de juiste manier van leven, en alles wijst erop dat hij gelukkig was. Tot zijn 84ste heeft hij zelfstandig kunnen leven op zijn boerderij.”

Het is duidelijk dat je een diepe sympathie hebt voor zo’n bestaan. Ben je hier inmiddels zelf een heremiet in de polders?

(lacht) Ja, zie mij hier! Ik heb dertig jaar de wereld rondgezworven, de combinatie van reporter en schrijver was enorm hectisch en druk, maar sinds de dood van mijn broer ben ik teruggekeerd naar de boerderij waar ik ben opgegroeid. Elke dag rij ik op en neer tussen Wommelgem en Sint-Gillis-Waas om hier te komen schrijven. Ik merk dat ik in een maatschappij met zoveel exhibitionisme en overexposure het best gedij in stilte en eenzaamheid. In deze coronatijden hebben trouwens véél mensen de waarde herontdekt van het alleen-zijn en van soberheid – het soort leven waarvoor oom Daniel koos. Ongezien zijn heeft een enorme waarde: níét constant in het middelpunt willen staan, níét op zoek zijn naar volgers op sociale media, níét voortdurend het beste van jezelf moeten tonen.”

Over je boerderij schrijf je dat ze een ‘naar de keel grijpende schoonheid van verval’ heeft. Ik zie een oude hoeve die belegerd wordt door een lelijk bebouwde omgeving en overdonderd door het geluid van een expresweg: vergeef me dat ik de tragiek van het verval wel zie, maar niet de schoonheid.

“Tragiek en schoonheid gaan vaak samen, zeker in mijn hoofd. Dat heb ik ook in mijn boek Dit is mijn hof willen overbrengen. Er is geen enkele streek zo verwoest als de Wase polders, van hier in de Zaligempolder waar ik geboren en getogen ben tot in Doel, maar de kunst is om er toch nog de schoonheid van te kunnen aanvoelen. Een met geschiedenis en herinneringen beladen schoonheid: dat maakt ze zo diep, ik kan er echt door van de kaart zijn. Misschien moet je tussen de bieten geboren zijn om die schoonheid nog te kunnen ervaren, de meesten zijn de voelsprieten ervoor kwijtgespeeld. Voor mij was terugkeren naar deze boerderij een herontdekking. Net als in mijn jeugd zie ik de boerenstiel nog altijd als één van de mooiste beroepen ter wereld, en daarom ben ik des te verontwaardigder omdat die hele landbouwwereld in Europa op een grove manier wordt kapotgemaakt. Haast niemand ligt ervan wakker, maar we zullen er allemaal een prijs voor betalen als het platteland de 21ste eeuw niet overleeft.”

Maakt het een kans?

“Ik weet wel dat dat proces onomkeerbaar lijkt. Maar dan nog moet er een onnozele schrijver zijn die de geschiedenis van dat boerenbestaan opschrijft, die op het terrein naar de mensen gaat luisteren en hun verhalen optekent. Dat is de rol die ik mij toemeet.”

Beeld Saskia Vanderstichele

TWEEDE KANS

Als ik nog eens terug mag naar de assisenzaal: er wordt al een eeuwigheid gediscussieerd over voor- en nadelen van dat soort processen. Hoe zie jij het nu?

“Ik heb van oorlogen en rampen verslag uitgebracht, maar die twee weken waren voor mij weken van een ongekende intensiteit. Het moment van de uitspraak betekent een ontlading zoals je die zelden in je leven meemaakt. Ook al omdat we tien uur moesten wachten op de veroordeling, en zeven of acht uur op de strafmaat.

“Ik zie wel in dat een beroepsrechter beter gewapend is dan een volksjury om ingewikkelde zaken te beslechten, en het zou veel minder kosten, want het is een geldverslindende procedure. Maar voor de familie is zo’n proces heel belangrijk. Dat er zoveel tijd en middelen werden uitgetrokken voor die arme Daniel heeft op één of andere manier een louterend effect gehad, ook voor mij. ‘Gerechtigheid is geschied’: het is een cliché, maar zo voelde het ook écht aan op het moment van de uitspraak.”

De daders kwamen er relatief goed van af. Was je daarmee tevreden?

“Ik was tevreden met het vonnis, met de veroordeling én met de strafmaat. Ze hebben, naargelang hun rol, tussen vijf en vijftien jaar gevangenis gekregen, zowat de helft van wat het openbaar ministerie vroeg. Dat betekent dat ze binnen een paar jaar de vervroegde vrijlating kunnen aanvragen en daar kan ik mee leven.

“Ik merkte tijdens het proces dat ik op twee sporen tegelijk zat. Je begint eraan met een vanzelfsprekende kwaadheid, een drang naar vergelding. In mijn pleidooi heb ik een strenge veroordeling gevraagd, anders zou je het slachtoffer niet serieus nemen en de daders bijna een vrijgeleide geven. Maar als je al die ouders, vriendinnen, leerkrachten, psychologen en andere getuigen ziet passeren, ga je meer en meer de nuance zoeken, ga je beseffen dat die jongeren ook moeten kunnen terugkeren in de maatschappij. In mijn allerlaatste repliek heb ik er daarom ook expliciet voor gepleit hun een tweede kans te geven, opdat ze nog iets goeds van hun leven zouden kunnen maken voor hun familie en voor de samenleving. Je zoekt een moeilijk evenwicht tussen straffen en begeleiden. Oom Daniel keert niet terug op aarde als die jongeren levenslang achter de tralies belanden, of als ze over twintig jaar nog slechter uit de gevangenis komen dan ze er binnen zijn gegaan.”

Na het proces zocht je contact met de veroordeelde daders. Waarom?

“Ik wilde per se met hen praten om beter te begrijpen wat daar gebeurd is. Want in de gerechtszaal had ik hen nauwelijks gehoord. Hun advocaten, van wie sommigen een behoorlijk groot ego hadden, hadden veel uitgekraamd, maar de beschuldigden amper aan het woord gelaten. Ze hadden duidelijk instructies gekregen om er met gevouwen handen en gebogen hoofd als schooljongens bij te zitten en zo weinig mogelijk te zeggen, behalve dat het hen speet. Ik wou hun verhaal horen om te zien of er na vijf jaar schuldinzicht was. Moordenaars zijn ook maar mensen, ik sta ervoor open om hun versie te horen. Het leek me ook een mogelijkheid om de zaak op een positieve manier af te sluiten, zodat die zinloze moord iets minder zinloos werd. Empathie is voor mij de belangrijkste waarde, zowel bij het schrijven als in het leven, en die geldt dan zowel voor een verkommerde oude boer als voor hangjongeren die uit de boot vallen.”

Het doet me denken aan een discussie in de context van de strandrellen in Blankenberge. We moeten eens ophouden, schreef professor Mark Elchardus in een fors stuk, het crimineel gedrag van jongeren toe te schrijven aan een gebrek aan kansen: ze krijgen wel degelijk kansen, maar verkwanselen die.

“Elchardus heeft níét geroepen toen honderd Hollandse jongeren Knokke onveilig maakten, hij doet dat alleen over die zogenaamde allochtone jongeren uit Brussel. Dat vind ik heel polariserend en opjuttend. Het gaat niet om de keuze tussen repressie of preventie, béíde zijn nodig. Zulke situaties vragen om een lik-op-stukbeleid, maar het is dweilen met de kraan open als je niet ook structurele en preventieve maatregelen neemt. Vandaag klinkt de roep om repressie het luidst, maar die is kortzichtig. Als Elchardus ontkent dat veel criminaliteit, zéker jeugdcriminaliteit, in de hand gewerkt wordt door armoede en werkloosheid en gebrek aan kansen, dan ontkent hij het zonlicht.”

Wie excuses blijft bedenken voor niet te verantwoorden gedrag, schrijft Elchardus, schaart zich aan de kant van de herrieschoppers.

“Dat vind ik een slag in het gezicht van jeugdwerkers en jeugdmagistraten en alle anderen die een levensnoodzakelijke bijdrage leveren door wél in te gaan op de voedingsbodem van criminele daden.

“Zo’n voedingsbodem was er zeker ook in het geval van die bende van Evernijs. Op één na kwamen ze allemaal uit een zeer kansarm milieu, vaak ook uit ontwrichte gezinnen, en ze spijbelden veel. Als ik al die risicofactoren om tot crimineel gedrag te komen in het boek opsom, is dat zeker niet als excuus, niet eens als verklaring, maar je moet ze wél in rekening brengen als je wilt begrijpen wat er gebeurd is – al is het maar om te leren hoe je zoiets in de toekomst kunt vermijden.”

NAAR DE HOEREN

Blijft nog de vraag wat je contacten met de daders hebben opgeleverd.

“Eén jongen, Pascal, had me zelf een brief gestuurd, die was makkelijk benaderbaar. Hij had uiteindelijk geen effectieve gevangenisstraf gekregen, maar had intussen een ernstig gezondheidsprobleem, een hersentumor. De jongens in de gevangenis heb ik via hun advocaten aangeschreven, maar mijn brieven zijn nooit tot bij hen geraakt. Achteraf hoorde ik dat brieven van de burgerlijke partij niet aan de gevangenen worden bezorgd. Dan heb ik me via een herstelbemiddelingsdienst tot Rachid gericht, de ergste van de bende, die oom Daniel eigenhandig had doodgeslagen. Ik heb er één en ander voor moeten overwinnen: lange tijd kon ik me niet voorstellen dat ik met hém nog in gesprek zou willen gaan. Begin dit jaar heb ik hem gesproken, hij was vriendelijk, heeft zijn kant van het verhaal verteld. En daar moet je dan je conclusies uit trekken.”

Welke zijn die dan? Als ik je verslag van het gesprek lees, lijkt er van schuldinzicht bij hem geen sprake.

“Klopt. Tegelijk blijft het immens positief dat zo’n dader de moed heeft om met een nabestaande van zijn slachtoffer te praten. Hij vertelde open over wat er gebeurd was, gaf details die op het proces niet ter sprake waren gekomen. Zo zei hij: ‘Ik heb de helft van de buit aan mijn moeder gegeven en met de rest ben ik naar de hoeren gegaan.’ Maar met de vraag of hij ook tot schuldinzicht gekomen is, blijf ik op mijn honger. Hij zei weinig over het slachtoffer, nog minder over de moord, herinnerde zich zogezegd weinig omdat hij dronken was en enkele joints had gerookt, wat absoluut geen excuus kan zijn. De strafmaat aanvaardt hij, zei hij, hij had het veel erger verwacht, maar tot mijn verbijstering bleef hij het vonnis afwijzen. Hij blijft erbij dat het nooit zijn intentie geweest is om Daniel te doden, en dat hij hem knock-out maar wel levend heeft achtergelaten. Dat vond ik echt een ontgoocheling.

“Hij heeft geen schuldinzicht maar, zoals hij het noemt, wel een gevoel van schuldaflossing, alsof we na zijn gevangenisstraf quitte zullen zijn. Zelf heeft hij de pagina omgedraaid, zei hij, toen zijn vader het hem vergeven heeft, en hij had alleen maar ingestemd met ons gesprek om de familie te helpen om óók de pagina om te draaien.

“Omdat ik met een heel dubbel gevoel bleef zitten, heb ik het boek opzettelijk een open einde gegeven. De laatste zin is: ‘De tijd is om. Hij staat op, buigt zich over het tafeltje en reikt me de hand.’ Want ik wil de lezers achterlaten met de vraag of ze zelf de hand zouden schudden van de moordenaar van een familielid.”

Als burgerlijke partij vroeg je maar één symbolische euro. Was 2.500 euro geen beter idee geweest? Dat bedrag heb je nu zelf moeten betalen om Daniel Maroy een grafsteen te bezorgen.

“Een kleine helft heeft hij postuum zelf betaald, want er was nog 1.000 euro overgebleven van zijn geld en dat heb ik voor zijn grafsteen gebruikt. Na het proces had ik het idee de vijf daders te laten betalen voor zijn graf, ze hebben tenslotte al geen schadevergoeding moeten betalen voor de boerderij die ze hebben platgebrand. Ik heb het voorgesteld aan Pascal en Rachid, de anderen heb ik niet meer kunnen bereiken omdat de gevangenissen vanwege corona op slot gingen. Zowel Pascal als Rachid zegde onmiddellijk toe 500 euro te storten, maar ik wacht nog altijd.”

Het monument dat je voor je oom oprichtte, Het boek Daniel, kan iedereen in de boekhandel ophalen, maar zou het je ook plezier doen als men het graf van de heremiet gaat bezoeken bij de kerk van Saint-Léger?

“Zeker, ik wil dat hij niet vergeten wordt. ‘Une vie rustique, une mort tragique’, heb ik op de steen laten zetten. Ik vergelijk het met een litteken: dat is een wonde die genezen is, maar nog zichtbaar blijft. Deze wonde blijft zichtbaar in het midden van het dorp.”

Chris de Stoop – Het boek Daniel is nu uit bij De Bezige Bij.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234