Dinsdag 22/10/2019

Schrijven met vuisten

Drie nieuwe boeken over boksen. Op de ruggen de namen Junior Bauwens, Bad Boy, oud-bokser Jan Van den Berghe. Tussen kaft en slotpunt de samensmelting van literatuur en boksen. Twee nobele kunsten met een lang gedeelde geschiedenis.

Geen bokser zonder ontstaansmythe, geen verhaal zonder openingscitaat. Daarom dit.

'Hij was een teer mannetje, bang, een bleitmuileke. Drie van de vijf dagen dat hij naar school ging, was het met een bang hartje. Als hij op een draaimolen zat, was hij bang voor de floche. Hij moest voor zichzelf leren opkomen. Drie grotere gasten die hem in de turnzaal geslagen hadden, dat was de druppel die de emmer deed overlopen. Ik heb veel moeite moeten doen om hem daarna weer naar school te krijgen. Ik wist dat hij assertiever zou worden als hij een vechtsport leerde. Ik herinnerde mij dat ik zelf altijd had willen boksen als kind. Junior heeft leren kickboksen. Als ik hem toen niet had verplicht om zich te leren verdedigen, was hij een melkmuileke gebleven.'

Het citaat komt van Sandra, moeder van de Gentse bokser Jean-Pierre 'Junior' Bauwens, en het staat in Junior. De broer die bokser werd. Een boek geschreven door Wouter Woussen - journalist bij De Standaard -, een boek over boksen.

Een van de drie boeken over boksen die nagenoeg tezelfdertijd verschijnen, naast De artistieke uppercut. Hoe kunst en boksen elkaar vonden van Jan Van den Berghe en Bad Boy van Abdelkader Benali, over de controversiële Nederlandse kickbokser Badr Hari.

Je zou het toeval kunnen vinden, jawel, maar veeleer vind je het tekenend. Want imposant is de lijst met boeken over boksen, de literaire interesse voor de ring, de schare schrijvers met de handschoen om de vuisten, als stootkussen van de geest. Eeuwenoud is de vervlechting van de bokssport met het schrift, inniger haast dan die met film en schilderkunst.

In het voorwoord van zijn boek schrijft Jan Van den Berghe: "De bokser als tragische figuur is vanuit literair en cinematografisch standpunt interessanter dan een tennisspeler of een paardrijdster. Het klassieke boksverhaal heeft een ingebouwde tragiek. Kansarme jongeren vechten zich een weg uit de armoede. Sociale en raciale barrières lijken geslecht. Kampioenen worden bedolven onder geld en adoratie. Boksers kunnen helaas zelden met weelde omgaan. Als de nederlagen komen, verdwijnen de fans. Geld en roem verdampen. Het afscheid van de ring is onafwendbaar tot de schulden zich opstapelen, de nietigheid ondraaglijk wordt en de kampioenen van weleer hun brein tot pulp laten slaan door een nieuwe generatie vuistvechters."

Je kan bij dit verhaal zo ver terugkeren als je zelf wil. Je zou, als een mijnkompel in de tijd, richting negende eeuw voor Christus kunnen duiken, en wijzen op Homeros, de allereerste boksreporter. Op het 23ste boek van zijn Ilias, waarin hij verslag uitbrengt van een tweegevecht tussen Epeios en Euryalos. En waarin hij noteert: 'Ik zal dwars door die man zijn vel slaan en zijn botten verbrijzelen.'

Je zou Lord Byron kunnen citeren: 'Ik had bokslessen willen volgen, maar mijn druiper heeft op alle inspanning een embargo gelegd.' Op Henry Fielding zou je kunnen wijzen, de uitvinder van de term noble art. Of, nu je toch bezig bent, op G.B. Shaw, zelf verdienstelijk amateurbokser, of Charles Dickens, ironisch waarnemer van de vele bareknuckle fights in de Londense pubs. Sir Arthur Conan Doyle, de boksers in verscheidene Sherlock Holmes-verhalen en zijn roman Rodney Stone. Op Hunter S. Thompson en Ernest Hemingway, ook dat zou kunnen. 'Mijn schrijven is niets, mijn boksen alles', zei die laatste ooit.

Maar liever richt je de spot op de Nederlandse taal, en dus op, wie anders, Hugo Claus. Van alle Nederlandstalige auteurs, schrijft ook Jan Van den Berghe, had niemand zo'n hechte band met de noble art als Claus. Hij trainde in de Oostendse bokszaal Box 36, volgde met zijn broer Guido, boksverslaggever voor DeVolksgazet, kampen in binnen- en buitenland, en injecteerde de bokswereld in drie van zijn romans. De hondsdagen, Schaamte, Het verdriet van België.

Zei: "Met boksen zijn bepaalde intellectuele spanningen gemoeid die men nergens kan aantreffen. De combinatie van gratie, intelligentie, adel, wreedheid, lafheid et cetera, die kan ontstaan in dertig seconden boksen is mij meer waard dan een literaire gebeurtenis."

Mooi is ook Claus' volgende uitspraak, over zijn Oostendse boksleraar Theo Van Haeverbeke. "Theo zei altijd dat ik nooit een groot bokser zou worden. 'Je bent veel te bang voor je schone mule', constateerde hij toen al. Het is dus ook nooit wat geworden."

Wel succesvol was Bep van Klaveren, beter bekend als The Dutch Windmill. Bokste in totaal 102 wedstrijden en won er 77, waaronder de kamp om de olympische titel bij de vedergewichten in Amsterdam in 1928. Hij verloor achttien keer, zeven partijen eindigden onbeslist.

In Bep van Klaveren, The Dutch Windmill (1980) schenkt Jules Deelder, nachtburgemeester van Rotterdam, van Klaveren een stem. In zijn bekende, denderende stijl schrijft Deelder: "Blijven stoten hè, blijven stoten. En bewegen, ik joeg ze de ring door. Dat hadden ze nog nooit gezien. Zo snel als ik bokste. Ze werden doodziek van me, die gasten. Ik liet ze geen moment met rust. Ik bleef maar duiken en bewegen en stoten hè, links, rechts, rechts, links."

Het is literatuur als een bokskamp, op het scherpst van de snee. De woorden hakken diep, als een linkse directe. De zinnen razen door. Alsook volgend gedicht van Deelder, 'Bokswereld' genaamd.

BOKSWERELD

Half Moon Inn

San Diego California

Op het gazon rond

Het zwembad groepen ze samen

De gok- sex- en horecaf-

bazen, doen zaken

Soms laat er een

Zich voorzichtig te water

Van ver klinkt de stem van

Bep van Klaveren

'Ik gaf 'm een hoek...

Hij hep nooit meer gebokst'

De temperatuur loopt op tot 26 graden.

Graag omschrijft men boksen als 'schaken met vuisten'. Vooruit, achteruit, links, rechts, mat. Dit verhaal dienend zou je schrijven over boksen als 'schaken met metaforen' kunnen omschrijven. Als punchen met beelden. Directe stoot, opstoot, knock-out.

Zeker wanneer je de naam Jan Hoet laat vallen. Citaat: "Nergens wordt de hardheid van het menselijk bestaan zo duidelijk gesymboliseerd als in het boksen. Boksen confronteert je met jezelf. Het is de grootste kunstvorm, Hemingway en Millar hebben erover geschreven, het gaat over aanvallen en verdedigen. Je gaat als bokser voortdurend in dialoog met de andere, en alles hangt af van je mentale ingesteldheid. Een bokser moet altijd de confrontatie aangaan, hij kan nooit weglopen."

Hoet groeide in de bokswereld op, en stond in 1999, na een intensieve opleiding door Freddy De Kerpel, zelf in de ring.

Net als Jan Cremer 35 jaar eerder. In een reportage genaamd 'Boksen' vertelt de Nederlandse schrijver-schilder-schelm: "Het is een bepaald slag vrouwen dat naar alle bokswedstrijden gaat, een soort onbevredigde perverselingen, vaak meisjes van keurigen huize, die het ook machtig interessant vinden om een pooiertje of een quasi-onderwereldfiguur onder hun vriendjes te tellen."

Hoe dan ook, zo mogelijk nog vreemder is het slag vrouwen dat over boksen schrijft. Zo goed als onbestaande namelijk. Er is Mae West, goed voor seksueel getinte teksten waarin ze boksers als lustobjecten afschildert, en er is Lynn Snowden Picket, die in Looking for a Fight haar passie voor boksen beschreef. Maar voorts heerst vooral de stilte. Een Nederlandstalig boksboek geschreven door een vrouw, het is een curiosum.

Picket, over haar motivatie: "Ik wil iemand in elkaar slaan. Ik wil weten wat het is om fysieke macht te hebben over een man. Ik wil angst aanjagen. I want to matter."

Elke tegenstem uit dit verhaal bannen, zou oneerlijk zijn, vertellerij onder de gordel. Want meer dan eens outte een schrijver zich als vijand van de bokssport. Charles Baudelaire bijvoorbeeld, die boksen vergeleek met dwangarbeid voor verdoemden. Of, dichter bij de Noordzee, Gerard Reve: "Sporten is gezond, nou ja de meeste sporten. Boksen zou verboden moeten worden. Maar ja, de mensen willen elkaar doodmaken op de een of andere manier."

Tijd voor de laatste ronde. Voor De artistieke uppercut. In zijn boek besteedt Jan Van den Berghe eveneens aandacht aan Adriaan van Dis, Louis Paul Boon en Arjan Visser. Afronden, daarentegen, doet dit verhaal met Maurice Maeterlinck.

In zijn essay Éloge de la Boxe (1900) wil de Nobelprijswinnaar de toenmalige wereldleiders aanzetten tot een intelligente keuze van de strijdwapens. Hij schrijft, schakend met metaforen: "Zoals dieren hun lichamelijke attributen gebruiken om zich te verdedigen - het paard zijn hoeven, de stier zijn hoorns - zo zouden de vuisten de belangrijkste vorm van zelfbescherming van de mens moeten zijn. Alle conflicten zouden met deze wapens moeten worden beslecht."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234