Donderdag 21/11/2019

'Schrijven is helemaal niet lastig'

Een jaar geleden werd Marnix Peeters met 'De dag dat we Andy zijn arm afzaagden' schrijver, na een heel leven in de journalistiek. Volgende week verschijnt 'Natte dozen', zijn zo mogelijk nog minder conventionele tweede roman. Peeters' jaar als vreemde eend in de literaire bijt zal hem dus wel bevallen zijn, concludeerden wij. Maar voor alle zekerheid vroegen we het ook eens aan de auteur zelf.

Kleine praktische aanbevelingen

Hoe combineer je het schrijven van een boek - een daad die wel wat concentratie en onderdompeling vereist, die zich afspeelt in een eigen wereld met een eigen sfeer en omgangsvormen - met een relatie, een huishouden?

Antwoord: je kunt in afzondering gaan, een half jaar lang ergens in residence gaan schrijven, maar dan mis je je lief te hard en dan komt er van dat boek zeker niks terecht. De oplossing is: 's nachts schrijven. Om halftwee uit het bed sluipen, werken, en er om halfzes terug inkruipen. Het lijkt alsof het leven blijft zoals het is, maar als een mol graaf je elke nacht het gangenstelsel van je verhaal. Zo is Natte dozen er gekomen.

(Meestal werd Jana om halftwee even wakker. "Schrijfverlof", fluisterde ik dan, en dan antwoordde ze: "Toegestaan").

Waargebeurde verhalen uit de Vlaamse literatuur

November 2012. De dag dat we Andy zijn arm afzaagden is twee maanden uit.

Man van de Letteren: "Laten we zeggen: niet kwaad. Helemaal niet kwaad. Maar je ziet er wel aan dat het je debuut is."

Ik: "Serieus? Dat is interessant. Leg eens uit?"

Man van de Letteren: "Ja... Uw schrijfplezier zit er nog te veel in."

Ik: "Mijn schrijfplezier? Zit er nog te veel in?"

Man van de Letteren: "Inderdaad. Je merkt als lezer nog te veel dat je er lol aan hebt. Aan je schrijven. Dat zit in de weg. Over een paar boeken is dat wel verdwenen."

Een tweet van journalist @pcasteels, op 27 april 2013

'Dat een briljante schrijver als Marnix Peeters zich niet te beroerd voelt om voor De Morgen Koen Wauters te interviewen, vind ik hartverwarmend.'

Het is natuurlijk vooral hartverwarmend om zulke tedere adjectieven te lezen; maar het is vreemd, en veelbetekenend, dat een interview met Koen Wauters door Marnix Peeters iets opvallends wordt. Ik heb mijn hele leven lang, weliswaar nogal capricieus, de likes van Koen Wauters op diverse roosters gelegd, in vele aders van de vaderlandse pers. Het was, ik kan er een paar naast zitten, mijn zesde of zevende interview met de sympathieke zanger. En opeens is het hartverwarmend. Opvallend. Beetje abnormaal. Waarom zou ik me te beroerd voelen om iets te doen wat ik jarenlang, het grootste deel van mijn leven, met het allergrootste plezier, zelfs met iets wat aan passie grensde, heb gedaan?

Zonder het te weten zit de voortreffelijke @pcasteels er in al zijn onbehaaglijke ironie helemaal, bulls eye, one hundred and eighty, péts bovenop. Hoeveel mensen hebben me het voorbije jaar iets gelijkaardigs gezegd, maar dan zónder toontje: "Gij gaat nu toch geen artikels meer schrijven?"

Het schrijverschap, kameraden en vriendinnen, is meer waard dan de journalistiek. Sterker: als schrijver verlaag je je best niet meer tot het gebedel van de reporter, je interviewt niet meer want je wordt geïnterviewd, je hengelt niet naar iemands mening, je geeft die van jezelf. Hooguit schrijf je columns: columns zijn een soort van vagevuur tussen de twee in, een soort van schijnjournalistiek die niet lang meer in haar huidige vorm zal bestaan, want er zijn intussen zoveel columns dat haast niemand ze nog leest, ze staan veelal krom van de verveling en ze rammelen van de vergezochtheid, en op de duur zal alleen nog de echte, oorspronkelijke, uit de ziel opborrelende columncultuur overleven, zoals die bedreven wordt door onder anderen Marc Didden, An Olaerts, Jean-Paul Mulders, Eva Berghmans, Herman Brusselmans, Tom Naegels, Jeroen Olyslaegers, Aaf Brandt Corstius en Eva Mouton. (An Olaerts gaat overigens spoedig ook een prachtig boek schrijven, voel ik). (En Corstius is wel een Nederlandse, maar ze is de keizerin van de column).

Dat is natuurlijk, op die laatste bedenking na, allemaal onzin. Het is niet omdat je een boek hebt geschreven, dat je zou moeten stoppen met interviewen. Integendeel: interviews zijn, vraag het maar aan Griet Op de Beeck, prettige afwisselingen in een anders vrij verlaten, of toch minstens introvert bestaan, ze verplichten je om even buiten het kringetje van je verhaal-in-wording te denken, en om je vinger aan allerlei polsen te houden. Ik heb deze maand een interview voor de Feeling gedaan. Met Catherine De Bolle, de commissaris-generaal van de federale politie. Voor de Feeling, dat vrouwenblad. Over vrouwendingen. Heel goed voor de geest. En ik sta geregeld nog eens in de Nina, van Het Laatste Nieuws. Ook een vrouwenblad. Ik heb er in maart nog K3 voor geïnterviewd. Toffe wijven, geloof mij. Sommige voltijdse columnisten weten dat niet, en die schrijven er dan ook steevast de smalendste dingen over. Over Josje heb ik mijn twijfels, maar Karen en Kristel, daar ga ik zó een volle week mee op vakantie.

Sommige schrijvers vinden het gewoon lichtelijk beneden hun stand, om naar iemand te moeten bellen en vriendelijk te vragen of ze eens mogen langskomen voor een vraaggesprek. Of ze vinden, dat heb ik enkele maanden geleden ook eens gelezen op de Facebookpagina van iemand uit het schrijversvak, dat het 'interfereert met de creatieve en artistieke processen'. Ik verzin dat niet. Het was temidden die hele discussie over auteursrechten en te weinig verdienen en bij uw ouders moeten gaan eten drie keer in de week van pure armoede, en dan werd die vraag wel eens gesteld: 'Ge kunt misschien ergens deeltijds gaan werken?' Dan was het kot te klein want hola!, twee namiddagen gaan tappen in een café, dat interfereert met de creatieve en artistieke processen. Eigenlijk staat er dan: stel dat iemand mij daar ziet, dan zeggen ze: allez, die moet al gaan tappen!, en dat zou een schande zijn. Want men is auteur! (Spreek uit: o-teur; met een rollende r).

Ik ben het geregeld oneens met Kristien Hemmerechts, maar die heeft in die periode in het zaterdagmagazine van De Standaard een interview gegeven waarin ze zei, allicht met iets andere woorden: stop nu maar met zuchten en zeiken, en zoek u een job. Ga lesgeven. Afwassen voor mijn part. Nog zeeën van tijd over, na de uren, om heel veel mooie boeken te schrijven. Zij doet het ook zo, en met haar processen is er nooit iets echt slechts gebeurd. Integendeel.

Maar we zijn auteur, mijnheer, met een dure r, en dus gaan wij niet lesgeven want dan hebben wij geen gelegenheid meer om mijmerend de blik over de benevelde velden te laten glijden, de metaforen te laten opwolken en de volzinnen te laten rijpen, en - last but not least - dan zeggen ze: het gaat precies niet goed met de auteur.

Twintig jaar geleden zegden ze zoiets over Petra ook: dat zangeresje met de paarse en groene en fluo kapsels en de prutliedjes (die lang bleven plakken), die op een dag gespot werd in de H&M, als verkoopster wel. 'Het gaat precies niet goed met Petra.' Petra stak haar duim op, en vervolgens haar middenvinger, en zei: 'Het gaat prima met Petra, dank u wel, en hou op met uw gelul', allicht eveneens met iets andere woorden. Petra is ook een topwijf, ik ken haar nog van vroeger, van een interview.

Het zij zo - de literaire wereld, het is me er eentje. Die auteurs allemaal

Echte auteurs mogen ook naar het buitenland. Dat wist ik niet. Er worden literaire tournees georganiseerd voor Vlaamse en Nederlandse schrijvers, en die gaan dan voorlezen en signeren in verre landen. Ik weet niet of daar volk naar komt kijken, maar ik keek wel op van een heerlijke anekdote die een oude rot uit de Vlaamse literaire journalistiek me een tijd geleden vertelde toen we samen trappisten zaten te drinken in het Oud Arsenaal in Antwerpen - het kan ook de Fortunia geweest zijn, bij Gerda. Het waren wel wat trappisten.

Waargebeurd verhaal uit de Vlaams/Nederlandse literatuur.

Lang geleden was er zo'n literaire uitstap georganiseerd voor enkele Groten uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur, helemaal naar New York. Daar werden dan lezingen gegeven en signeersessies gehouden, en Hugo Claus en de heerlijke Cees Nooteboom waren ook mee.

Komt Claus Nooteboom op de derde ochtend tegen, en vraagt: wat heb jij gisteren gedaan?, en Nooteboom antwoordt: "Ik ben gaan signeren in boekhandel Zus-en-zo".

's Namiddags passeert Claus toevallig boekhandel Zus-en-zo, hij stapt er binnen en informeert nieuwsgierig naar de feestelijkheden van de voorbije avond. De uitbater van de winkel hoort het in Keulen donderen. "Vreemd", zegt hij, na wat opzoekwerk. "We hebben wel een paar werkjes van de heer Nooteboom in voorraad, mocht dat u interesseren. Laatste rek rechts."

Daar stonden inderdaad drie vertaalde boeken van de schrijver, alle drie netjes gesigneerd, gedateerd op de dag ervoor.

Ach: petites histoires. Natuurlijk zit men in die verre landen niet in dichte drommen, in tot de nok gevulde zalen, op Nederlandstalige auteurs te wachten.



Men gelooft dat niet als ik dat zeg, maar er zijn ook schrijvers die niet alleen niet in een café of in het onderwijs willen gaan werken, er zijn ook schrijvers die niet wensen op te treden op literaire avonden. I kid you not. Er zijn schrijvers die niet wensen voor te lezen uit eigen werk, voor een levend publiek. Weet u waarom? Omdat hun werk daar niet voor bedoeld is. Hun werk is bedoeld om in stilte te worden gesavoureerd door een individuele, aandachtige lezer, ik vermoed bij voorkeur in het schijnsel van een knappend haardvuur en als het even kan met een premier grand cru classé erbij, zodat de smaken in elkaar overvloeien. Nog niet zo lang geleden, toen er amper mensen konden lezen, werd alles wat geschreven werd, voorgelezen. Dat is een erg prettig aspect, trouwens, van wat geschreven staat: je kunt het voorlezen, en als dat dan nog door de schrijver ervan gebeurt, is het genot compleet. Ik heb vorige maand voor mijn verjaardag van mijn vriendin het luisterboek van Uitdorsten gekregen, en wij zaten de dag erop met onze haren recht op onze armen in de auto naar Adri van der Heijden te luisteren, zijn dode moedertje toesprekend, en ik dacht: als hij dát ooit nog eens levend wil doen... Daar betaal je als toeschouwer goed geld voor.

Maar het is daar niet voor bedoeld, volgens sommige auteurs.

Worst savoureren bij moeder.

(Nog iets kleins, ook waargebeurd: in Den Haag, op Crossing Border, het festival waar ik in het najaar van vorig jaar te gast was, begon een auteur, van overigens voortreffelijke boeken, een pamflet voor te lezen waarin hij uitlegde waarom hij niet ging voorlezen uit zijn overigens zeer goede nieuwe boek. Deze daad van dapper verzet werd vervolgens in sommige uitgeverskringen geprezen als een, nu ja, daad van dapper verzet tegen de honden van de commerce, de ruiters van de literaire apocalyps die het thuislezen willen vernietigen. Waar hadden we die jaren zeventig nu ook weer gelegd?)

En dan zie je daarnaast die kerels van Vonk, de club van Michaël Vandebril, en dat gezelschap van De Eenzame Uitvaart, rond Maarten Inghels, de fabelachtige verbale podiumacrobatieën van Delphine Lecompte en Maud Vanhauwaert en Andy Fierens, en die ongelooflijke literaire avonden van Ivo Victoria en Rob Waumans, die van literatuur variété maken zonder het dier zelfs maar pijn te doen, en dan denk je: als het crisis is in het boekenvak, zouden we dan eens niet beter wat minder Vaticaans tegen de dingen gaan aankijken? Gaan we mensen niet veel meer verlekkeren op een goed boek als we er eens wat minder somber en stuurs over staan te doen, met de frons in het voorhoofd, de kin in de hand en de blik op de benevelde velden? Als we nu eens wat minder vaak 'savoureren' zeggen en wat vaker 'genieten', of 'geilen'; als we nu eens wat minder over de creatief-artistieke processen bezig zijn en wat meer gewoon lekker schrijven, gáán met die vulpen of die toetsen, en ondertussen eens niét mopperen dat het allemaal zo moeilijk is en zwaar en ondankbaar, dat geschrijf, dat je er aders voor moet openleggen en dozen van Pandora voor moet openwrikken, om na al dat hemeltergende geploeter elke avond met een knellende strop om de hals te bed te gaan, de ziel nog nabloedend, om in de slaap het gevecht met de demonen voort te zetten, koortsig, en akelig, hoe gij hen met hun glasscherpe tandjes aan uw hersens hoort knagen en hoe zij uw dromen bezoedelen met hun rotte asem en hun giftige winden; en hoe gij 's anderendaags verschrikt en klam en met kleine moede oogjes en een kop vol kleverige spinnenwebben het Leven weer in moet, enkel om vervolgens opnieuw refuge te zoeken in de kwellende onzekerheid van het schrijversschap - uw onontkoombare, kwade, kille lot. Ik zeg maar wat.

Schrijven is helemaal niet lastig, of tergend, of hartverscheurend of beklemmend of welke bijwoorden ze er ook bij zoeken. Schrijven is ontzettend prettig, tenminste: als je graag schrijft. Als je echt niet graag schrijft, of niet echt, of het doet voortdurend pijn of je verliest er je slaap door, en ten slotte je geluksgevoel, en je wordt er straatarm door bovendien, en je wil geen worst meer van je ouwe moe, dan moet je misschien een ander vak proberen. Er zijn er heel veel, waaronder veel toffe - vraag maar aan Petra.

(Laatst zei iemand dat nog, een jonge schrijver, op de voorpagina van de krant: "Het moet pijn doen". Die schrijver, die overigens prachtige boeken schrijft, had zich nogal vrolijk verkleed als Tadzio uit Morte a Venezia van Visconti. Dat was een vreemd contrast, de Lichtmatroos en het Leed. Ik moest meer aan Emmanuel De Reyghere denken dan aan Thomas Mann.)

Pijn pijn pijn.



Mag ik onbesuisd besluiten met een stukje uit eigen werk? Ik had het geschreven voor 'Aanbevelingen voor een nog beter leven', eind vorig jaar, van Behoud de Begeerte (het is luidop voorgelezen geweest voor een levend publiek en Luc Coorevits heeft het daarna als feestelijke nieuwjaarswens op zijn kaartjes gebruikt). Het gaat over verbeelding, en hoe we die zijn kwijtgespeeld, en het staat binnenkort in z'n geheel in een verzamelbundel van De Arbeiderspers. Het eindigt zo:

'Mogelijk leidt de crisis ons tot een nog beter leven. Doet de hortende en sputterende machine ons nadenken. Met name: over wie of wat ons overheerst, over de vanzelfsprekendheid en de gedweeheid waarmee wij dit afgevijlde bestaan hebben aanvaard, en dat wij straks, ik fantaseer maar voort, weer naar sprookjes mogen luisteren met de oren van kinderen, in verhalen durven te verdrinken zonder water in de longen te krijgen, de verbeelding durven te omarmen zoals vóór de tijd toen wij haar stukgeslagen zagen door de beeldenstormers van het geregelde leven. Vooruit! Verzin! Verdwaal! Zoek! Zanik! Kribbel! Lanterfant en prul, laat los, droom, denk na en droom opnieuw! Durf. Doe. Hou van het duister, lach met de angst en laat u overmeesteren door de vrijheid, de grootste die men zich wensen kan, met name: die van het bedenken.'

En het schrijfplezier eigenlijk dus, in feite.

Kom, laten we lachen! Het leven is te kort! Enfin, eigenlijk duurt het ruim wat lang, té lang in de meeste gevallen, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Om het met Abraham Tuizentfloot te zeggen: ten aha-aanval!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234