Donderdag 21/11/2019

Essay

Schoon Vlaams is geen Nederlands

Nathalie Meskens. Beeld De Morgen

Over een week is het weer zover: dan kan iedereen meedoen aan het Groot Dictee der Nederlandse taal. Maar hoe is het eigenlijk gesteld met die taal van ons? Niet zo goed, vindt onze redacteur, die heimwee heeft naar de strikte, elitaire norm van het Algemeen Beschaafd Nederlands. Lees en huiver bij deze bekentenis van een taalminnaar.

Ach. Ik weet het wel. Het is een achterhoedegevecht. De strijd is gestreden. Het pleit is beslecht. Het kalf is verdronken. Dit artikel heeft geen enkele zin meer.

En toch wil ik het schrijven. Toch wil ik hier nog één keer mijn sabel heffen tegen de windmolens. Wil ik nog één keer uitleggen waarom ik zo droevig en opstandig word van de manier waarop het Nederlands geweld wordt aangedaan. Niet alleen door de modale spreker, maar evengoed door mensen die geacht worden die taal te bewaken, omdat ze als professionele gebruikers het goede voorbeeld moeten geven.

Men hoeft het televisietoestel maar aan te zetten om te weten wat ik bedoel. Neem nu Little Big Shots, de talentenjacht voor kinderen die Nathalie Meskens eerder dit najaar presenteerde op VTM. Zelfs bij Het Laatste Nieuws, toch een krant die niet vies is van een volkse toets, viel men achterover van het taaltje dat Meskens hanteerde in het bijzijn van de deelnemende kinderen. Zelf ben ik er ook nog altijd niet helemaal van bekomen. Ik word soms zwetend wakker, omdat ik Meskens in de verte hoor roepen.

"Amai, da vinnekik graaf!"

"Woa heddega da geleerd, jom?"

"Gij kunt een stukske zingen, zalle!"

Sommigen onder u, beste lezers, zullen nu verveeld de schouders ophalen. 'Is dat echt zo erg? Meskens behandelt die kinderen als gelijken en praat op hun niveau, om ze op hun gemak te stellen. Moet ze stijf Nederlands spreken, misschien?' Wel, ten eerste: Meskens is perfect in staat om soepel Nederlands te spreken. Als professional kost het haar geen enkele moeite om zich correct en foutloos uit te drukken. Ten tweede: als Meskens met kinderen aan tafel zit, begint ze dan te stampvoeten als ze iets niet lust, smeert ze dan choco in heur haar, gooit ze dan haar boterhammen tegen de muur? Nee, allicht. Dan zou ze het goede voorbeeld geven. Mijn vraag luidt nu als volgt: waarom hoeft dat ineens niet meer als ze op televisie met kinderen praat? Waarom hechten we nog wel belang aan goede manieren, maar hebben we het Nederlands vogelvrij verklaard?

Van dialect tot tussentaal

Dat ge-vinnekik en ge-heddega van La Meskens in Little Big Shots was geen primeur. Er wordt op de Vlaamse buis al langer slordig omgesprongen met het Nederlands. Was het tot voor enkele jaren nog de gewoonte dat een presentator dictielessen ging volgen voor hij kon beginnen, dan is dat nu bijlange niet meer nodig - ik denk dat Jan Leyers en Erik Van Looy de laatsten waren die zich van hun tongval moesten of wilden ontdoen. Tegenwoordig steekt het niet meer zo nauw, zeker niet als men wordt opgevoerd als expert. Als kok, bijvoorbeeld, zoals Jeroen Meus. Of als tuinman, zoals Bartel Van Riet. Of als zangeres, zoals de Oevelse furie Natalia. Dan mag men doen alsof men thuis is, en alle vinnekiks en heddega's de vrije loop laten.

Bartel Van Riet. Beeld De Morgen

"Da vinnekik nu lekker, sè."

"Heddega 't gras afgedoan?"

"Da is er boenk oep, jom!"

Ja, er klinkt soms nog protest. Uit invloedrijke hoek, zelfs. Toen Natalia in 2014 als copresentatrice opdook bij de uitreiking van de Mia's op Eén, vond de N-VA in het Vlaams Parlement dat zelfs een schending van de beheersovereenkomst - het is een taak van de openbare omroep om verzorgd taalgebruik te promoten. En tuinman Bartel Van Riet had eerder al de treurnis opgewerkt van niemand minder dan Vlaams minister-president Geert Bourgeois. "Ik spreek ofwel dialect, ofwel Algemeen Nederlands", zei Bourgeois ooit in een interview.

"De Vlaamse Beweging heeft zo lang gestreden voor het gebruik van het Nederlands, en dan zouden wij dat nu laten vallen voor een tussentaaltje? En jammer genoeg rukt het op. Ik durf gerust te zeggen dat ik dat ook de VRT verwijt. Onlangs zag ik een programma over tuinieren, met iemand die ik niet ken.

Hij deed dat fantastisch, maar sprak tussentaal. Toen dacht ik: verdorie, waarom kan die man geen Nederlands spreken, zoals onze voortreffelijke nieuwsankers?"

Helaas vloekt zelfs de minister-president - verdorie, toch! - tegen de bierkaai. Tegen de oprukkende tussentaal is in Vlaanderen geen kruid meer gewassen. Vroeger verging het iedereen zoals Bourgeois: ook ik ben van de generatie die werd opgevoed in het dialect, en pas op latere leeftijd Nederlands leerde, als tweede taal. Vandaag spreek ik nog altijd Olens in een straal van vijf kilometer rond mijn ouderlijke huis. Uit volle borst, want er is vanzelfsprekend niets mis met dialect. Alleen: het is een andere taal dan het Nederlands. Zo ervaar ik dat ook. Nederlands leren was een zware opgave.

Vandaag worden kinderen niet meer opgevoed in het dialect, want dat vinden de meeste mensen toch nogal plat en onbehoorlijk. Kinderen moeten mooi leren praten, nietwaar. Helaas kennen de meeste ouders geen goed Nederlands. Het resultaat is dat rare, nare, vreselijke tussentaaltje.

"Hebde gij uw pap al op?"

"Wat een schone tekening!"

"Ge moet gene schrik hebben."

Het is die tussentaal, dat Verkavelingsvlaams zoals Geert van Istendael het noemt, dat nu ook de televisiestudio's heeft bereikt. In alle hoeken van de samenleving smeekt men om strakke normen en waarden, behalve hier: de Noord-Nederlandse taalnorm, die in de tijd van nonkel Bob en Armand Pien nog dapper werd gehandhaafd, aanvaarden we niet meer. Merkwaardig genoeg werkt de Taalunie, de beleidsorganisatie die het Nederlands overal ter wereld ondersteunt, die evolutie alleen maar in de hand.

Taalkundig populisme

Voor de goede orde: haast iedereen spreekt tussentaal. Het is één van de registers, zoals dat heet, die ons als taalgebruiker ter beschikking staan. Het valt niet uit te sluiten dat zelfs Martine Tanghe soms, weliswaar in besloten kring, Verkavelingsvlaams hanteert. Maar als we niet uitkijken, doet ze dat straks ook terwijl ze Het journaal presenteert - zoals mijn vriend en collega-taalminnaar Herman Jacobs ooit schreef.

Martine Tanghe. Beeld De Morgen

Wat woordenschat en uitdrukkingen betreft, is die evolutie al volop ingezet. Ook in Het journaal hoor je tegenwoordig vaak dat iemand schrik heeft en school loopt, terwijl mensen in het Nederlands bang zijn en naar school gaan. Schrik hebben is een gallicisme, een letterlijke vertaling uit het Frans, van avoir peur, en gold vroeger als een taalfout. Vandaag noemt de Taalunie dat Belgisch-Nederlands. Zie ook: akkoord zijn in plaats van akkoord gaan, facteur in plaats van postbode, en fier in plaats van trots.

Enfin, de lijst is eindeloos. En hij zal blijven groeien. Zo zullen het Belgisch-Nederlands (de naam alleen al) en het, euh, Nederlands-Nederlands, uit elkaar blijven drijven. En dat is jammer, voor een taalgebied van een schamele 23 miljoen sprekers. Minister-president Bourgeois gaf na zijn kritiek op Bartel Van Riet trouwens nog een goed argument voor de eenheid van het Nederlands: "Dat zou ook beter zijn voor nieuwkomers die onze taal leren. Ik ontmoet mensen die enorme inspanningen leveren, maar toch moeite hebben om hun Vlaamse buren te verstaan."

Het tegenargument luidt dat taal nu eenmaal leeft, en altijd evolueert. En dat klopt. Wat gisteren verkeerd was, is dat vandaag niet meer noodzakelijk. Een fout die vaak genoeg gemaakt wordt, is op den duur geen fout meer. De regels van een taal hoeven niet in beton te worden gegoten. Allemaal juist. De vraag is alleen wie bepaalt wanneer een fout aanvaard wordt. Het volk of de elite? Jawel, de tweespalt die dezer dagen het politieke bestel beheerst, verdeelt ook de taalminnaars onder ons.

Ik heb over deze kwestie al een paar keer stevig gediscussieerd met Ruud Hendrickx, de zeer beminnelijke taaladviseur van de openbare omroep. Ik zou graag willen dat hij wat strenger was, zoals zijn beruchte voorganger Eugène Berode, voor wiens blauwe brieven met banbliksems alle presentatoren beducht waren. Hendrickx vindt het niet meer zijn taak om zo'n taalboeman te zijn. 'Wie ben ik om die norm op te leggen?' is zijn devies.

Ruud Hendrickx. Beeld De Morgen

Daarmee vertolkt hij de werkwijze van de Taalunie. Als ik het goed begrijp, beschikt die organisatie over een Vlaams panel van professionele taalgebruikers. Dat panel krijgt om de zoveel tijd een lijst toegestuurd met woorden en uitdrukkingen die op het punt staan om te promoveren tot de status Belgisch-Nederlands - dat gebeurt als een meerderheid van het panel geen probleem meer heeft met een woord of uitdrukking.

En zo veegt de Taalunie aan de lopende band fouten onder de mat, onder het motto: doe geen moeite, we rekenen het goed. Dat het zo snel gaat, heeft volgens mij alles te maken met de samenstelling van het panel. Ruud Hendrickx heeft mij uitgelegd dat ook leraren en advocaten worden beschouwd als professionele taalgebruikers. Die zaten ook in het panel dat de collega's van De Standaard vorig jaar gebruikten voor hun Gele Boekje, dat een opsomming wilde zijn van 'aanvaardbaar' Belgisch-Nederlands.

Met alle respect, maar dat vind ik toch een tikje populistisch. Een leraar is volgens mij een pedagogische professional, geen taalprofessional. En een advocaat is een juridische professional, geen taalprofessional. Schrijvers, copywriters, journalisten, redacteuren, taalkundigen, leraren Nederlands - dát zijn professionele taalgebruikers. Het klinkt vast hopeloos elitair, maar ik vind dat zij de taal moeten bewaken, zoals de schoenmaker zijn leest. We vragen toch ook niet aan de banketbakker om het strafrecht te herzien, of aan de loodgieter om de onderwijshervorming uit te tekenen?

De taal is niet van ons

Als u vindt dat ik zeur, dan bent u niet alleen. De houding die ik in dit debat aanneem, is veeleer zonderling en staat bekend als die van de taalnazi. Jawel, wie nog belang hecht aan correct en degelijk Nederlands, wordt vergeleken met de gangsters van een regime dat miljoenen mensen vermoordde. Nee, we hebben de tijdsgeest niet mee.

En toch bestijg ik nog één keer dit stokpaard en hef ik de sabel. Ik wil Ruud Hendrickx en de Taalunie en iedereen die niet wakker ligt van wat ik taalverloedering zou durven te noemen, nog één vraag stellen: wat moeten we onze kinderen nu leren?

Ik heb een dochter van acht jaar oud. Haar moeder en ik proberen haar zo goed en zo kwaad als het kan mooi Nederlands te leren. Dat lukt tot dusver vrij aardig. En dat wordt stilaan een probleem. Om maar één voorbeeld te geven, met voorsprong het bekendste: als iemand mijn dochter wil vragen hoe ze heet, dan klinkt dat zo: "Oenoemdegij?" of in het beste geval "Hoe noem jij?"

Nu is mijn vraag: heeft het nog zin dat haar moeder en ik hameren op het verschil tussen noemen en heten? Aangezien echt haast iederéén die fout maakt, is dat binnenkort toch Belgisch-Nederlands. Kwestie van tijd. Of neem het verschil tussen fysisch en fysiek: het eerste is een synoniem van natuurkundig, het andere van lichamelijk. Toch heeft haast iedereen het over personen met een fysische handicap. Vraag: moet ik mijn dochter dat verschil nog leren of is ook fysisch/lichamelijk gepromoveerd tot Belgisch-Nederlands tegen de tijd dat ze naar de middelbare school moet? Ik vraag het maar, hoor. Het motto is immers: een fout die vaak genoeg wordt gemaakt, is op den duur geen fout meer.

Het gaat mij, beste lezer, te snel.

De Taalunie gedraagt zich als een eindredacteur die per se iets wil veranderen in een tekst, ook als er geen fout in staat, gewoon om te tonen dat hij niet voor niets in dienst is genomen. Een goede eindredacteur weet: als het niet kapot is, hoeft het niet gerepareerd te worden.

Waarmee we aangekomen zijn bij het Groot Dictee der Nederlandse taal, waar heel wat taalliefhebbers volgende zaterdag weer aan zullen meedoen. Zonder mij, evenwel. Met de laatste spellinghervorming heeft de Taalunie ook daar een zootje van gemaakt. Ook dat was een klassiek voorbeeld van een nodeloze ingreep, die de verwarring alleen maar groter heeft gemaakt. Ik worstel vandaag harder met de tussen-s en tussen-n dan ooit tevoren. Voor professionele taalgebruikers was die hervorming in 2005 demotiverend - een beetje zoals fiscale hervormingen demotiverend kunnen zijn voor ondernemers: als het om de haverklap verandert, vertrouw je dat zaakje op den duur niet meer.

De taal is niet van ons. We hebben ze geërfd van de vorige generaties en moeten er goed zorg voor dragen, zodat we haar in goede staat kunnen doorgeven aan de generaties na ons. Taal is immaterieel erfgoed, een beetje zoals bier en carnaval, maar dan oneindig veel belangrijker. Allee, da vinnekik er toch van. In het volle besef dat een pleidooi voor de respectvolle omgang met taal vandaag zo ongeveer even populair is als een pleidooi voor de bescherming van de rechtsstaat.

Vergeefse moeite dus, ik zei het al.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234