Maandag 14/10/2019

Schilder Sam Dillemans met boksers, vrijers en naakten in antwerpen

'Veel hedendaagse kunstenaars denken dat zij het begin en het eind zijn van alles. Zij dwalen. Je hebt de oude meesters nodig om je te situeren'

De mep van Rubens

Sam Dillemans is een schilder tussen vroeger en nu. Tussen vorm en vervaging, liefde en haat, verzoening en gevecht. Hoe kun je aan het begin van de 21ste eeuw nog schilderen? vraagt Dillemans (40) zich voortdurend af. Uit die vraag is een woest oeuvre ontstaan, moeizaam veroverd op het leven en de traditie. Dertien jaar zoeken en vechten met verf is nu te zien in het Antwerpse Rubenshuis. Zelfportretten, naakten, boksers en schilderijen naar de grote voorgangers. 'De oude meesters bieden mij troost.' Door Eric Rinckhout

In het schildersatelier van Rubens hangt centraal een grote Kruisafneming. Ze is niet van de meester zelf - zijn Kruisafneming hangt nog altijd in de Antwerpse kathedraal - maar van Sam Dillemans. Het is een creatieve interpretatie, zoals Dillemans dat noemt. De silhouetten van de figuren, zoals Jezus en Maria, zijn nog vagelijk herkenbaar, maar binnen die contouren woelt en krioelt de verf. "In het begin blijf ik dicht bij het originele schilderij", zegt Dillemans. "Langzaam verwijder ik me daarvan. De invulling van de vormen wordt totaal anders. Als je dichtbij gaat kijken, is het een verfoorlog."

Op een heleboel plekken hangt er een echte verfkoek op het schilderij - Anselm Kiefer is niet ver weg. "Acht à tien lagen verf", verduidelijkt Dillemans. "Echte verf, ik meng daar geen specie onder. Hoe langer ik eraan schilder, hoe meer het van braaf naar kwaadaardig gaat. Op het eind wordt het een afrekening."

Dillemans heeft zijn Kruisafneming op de grond gemaakt, zo schildert hij wel vaker de laatste tijd. "Ik schilder al dansend rond het doek. Ja, dat doet wat aan Pollock denken. Het belangrijkste is dat er geen boven en beneden is omdat het schilderij plat ligt. Het normale perspectief valt weg. Bijna had ik het opgegeven, ik had geen overzicht meer."

Nog in het grote Rubensatelier hangen Dillemans' versie van de roemruchte Kruisiging van Grünewald. En zijn Adam en Eva hangt vlak bij die van Rubens. Dat leidt tot een bizarre confrontatie tussen toen en nu. De ruwheid en grofstoffelijkheid van Dillemans versus de gladheid en elegantie van Rubens. Bij Dillemans dreigen de personages uit hun contouren te barsten, de verf is explosief. Dillemans gaat zijn gang met Rubens, Velázquez en Titiaan. Van een portret van Van Dyck hangen er drie versies: de eerste 'staat' is nog vrij gelijkend, de derde vertoont Baconiaanse vervormingen met een opvallend, door aangekoekte verf uitpuilend oog. Dillemans zou nog verder kunnen gaan, zegt hij. "Ik zou deze kant van het gezicht en dit oog kunnen wegschilderen." Tot de vorm vervaagt en de verf voortwoekert. Dillemans staat stil bij zijn zelfportret van Velázquez, de verf is in het gezicht ontploft. "Hoe schilder ik een neusgat zodat het mijzelf verrast, zodat het niet lijkt op een neusgat en het dat toch duidelijk wel is?"

"Ik zie de oude meesters als model", antwoordt hij op mijn vraag waarom hij ze 'kopieert'. "Tintoretto en Rubens 'leven' voor mij. Als ik naar een Rubens kijk, is het alsof ik naar een mooie vrouw kijk. Dat is voor mij hetzelfde. De oude meesters bieden mij troost. Ja, ze schilderen de steeds terugkerende, grote gevoelens, en dat raakt mij, maar het is toch vooral 'hoe' zij schilderen: het is de hand van de schilder die mij troost biedt. De confrontatie met de oude meesters verlies je op voorhand. Ze geven je meppen, dwingen je in een hoek. Het is een les in nederigheid. Je moet ze niet proberen te kopiëren, dat is nutteloos. Wat ik heb gedaan moet je zien als een liefdesverklaring, ik heb die werken geschilderd uit liefde." Toch is er nog een reden. "Veel hedendaagse kunstenaars denken dat zij het begin en het eind zijn van alles. Zij dwalen. Je hebt de oude meesters nodig om je te situeren." Het gaat Dillemans niet zozeer om de inhoud als wel om de stijl. "Rubens schildert bijvoorbeeld de schaduw op een dijbeen in het blauw. In bepaalde opzichten is hij al een impressionist. Ik vind dat je moet kijken naar de vierkante centimeter, dan is Goya een plastisch revolutionair."

Ook zelf zit Dillemans het schilderij dicht op de huid. Hij neemt geen afstand tijdens het schilderen - letterlijk dan. Hij blijft dicht bij zijn doek en zijn verf. "Hier", zegt hij, en hij wrijft liefkozend over de hobbelige verf, "hier gebeurt het orgasme. En niet op acht meter afstand." Hoe behoudt hij dan het overzicht? "Ik schilder al van mijn veertiende. Na al die jaren weet ik hoe het geheel eruitziet op een grotere afstand."

"Veel mensen vragen zich af waarom ze nog eens moeten kijken naar al die madonna's, al die engeltjes. Je moet kijken naar hoe het licht valt op een vleugel van een engel bij Rembrandt. Kijken naar hoe de madonna's zijn geschilderd. Op zich maakt het niet uit of het nu om Christus gaat of een tros bananen. Cézanne heeft de kunstgeschiedenis overhoop gehaald met zijn perziken. De boodschap is de verf, niets anders."

Dillemans interpreteert zijn grote voorbeelden, zijn oude meesters, maar benadrukt dat het oefeningen in afleren zijn, in afstand nemen. "Je moet een voet kunnen tekenen voor je hem kapot kunt maken." De schilder pleit voor een gedegen academische opleiding. "Het harde tekenen moet aangeleerd worden. Op de meeste academies gebeurt dat niet meer en dat is helemaal verkeerd. Holbein werkte uren om te zien hoe een nagel juist ingeplant is. Picasso tekende op zijn twaalfde iedereen onder tafel. Je moet als kunstenaar vertrekken waar Picasso ook vertrokken is."

"Na de oude meesters was ik moe. Ik heb driehonderd, misschien driehonderdvijftig kopieën gemaakt." Dillemans werkt schier onafgebroken. "Als ik twee dagen niet schilder, voel ik me slecht. Neen, ik beschouw dat niet als werk, ik ben permanent met vakantie. Ik werk aan acht schilderijen tegelijkertijd. Afhankelijk van mijn stemming - razernij, droefheid, jaloezie, eeuwigheidsgevoel - pak ik een bepaald schilderij aan. Schilderen is zoals de 110 meter horden lopen. Je moet in conditie zijn, anders lukt het niet."

Na de oude meesters schilderde Dillemans een reeks rustige, realistische vrouwenportretten. Om er daarna weer driftig tegenaan te gaan. Dillemans leerde boksen. Niet bij de minste: Freddy De Kerpel. Pas na verloop van tijd besefte hij dat hij de boksers ook in zijn werk kon gebruiken. "Bij boksers is een groot deel van het lichaam naakt, je ziet de spieren, zoals in de schilderijen van Rubens. Bij de meeste sporten is dat niet het geval. Ja, zwemmers, maar dat zie ik me niet schilderen. In mijn boksersschilderijen ben ik weer met lichamen bezig, en met pijn."

Ook in die schilderijen is er de evolutie van expressief realisme naar een almaar toenemende vervorming en abstractie. "Ik begin braaf", zegt Dillemans. Zo schildert hij een bokshandschoen met zijn vingers om ze zacht te laten glimmen. Maar hij neemt ook risico's, laat delen van het doek onbeschilderd. "Net zoals bij etsen is dat gevaarlijk, de uitsparing moet juist zijn, retoucheren kan niet."

De recente boksersschilderijen zijn uitspattingen van kracht, een perfecte eenheid van vorm en inhoud. Een linkse hoek wordt in forse borsteltrekken op het doek gezet. Een gevecht in en met de verf. Met de boksers heeft Dillemans nog grootse plannen: "Ik wil groot werk maken met kleine boksers in de verte. Drie bij drie meter, of vier bij vijf. En ik droom ook van grote landschappen. Heel eenvoudig. Alleen gras bijvoorbeeld."

Op de bovenverdieping van het Rubenshuis - de 'vleeszaal' noemt Dillemans het - verdringen de werken zich. Meer ruimte had ze goed gedaan. Er is veel moois te zien, bijna altijd is het schoonheid die zeer doet - zoals het echte leven zelf. Vrijers I uit 1999 is zo'n doek. Zie hoe Dillemans het gezicht van man en vrouw schildert. Zie de blik van de vrouw. Roofzuchtig. Sensueel. De neusgaten lichtjes opengesperd. De tanden op elkaar. De man kijkt kalm. Onaangedaan bijna. Ze zweven in een wit vacuüm. Maar de schijnbare rust wordt allengs opgegeven. Laat uw blik langs de lichamen glijden - of waar die zouden moeten zijn. Ze worden één wirwar van zwarte, stevige uithalen, ze vervagen en verdwijnen in een kluwen. De verf kronkelt en laat de lichamen samenkoeken tot een groot slagveld van de liefde. Het lijf is verf geworden.

Tussen de vrijers en de boksers hangen enkele schitterende naakten, in diverse staten van deformatie. Hoekig, verleidelijk. Soms is alleen een tepel, een wenkbrauw, een haarlok - één zwiepende penseeltrek - herkenbaar. Vaak gaat het om Lizzy, een vrouw die vijf jaar het model van Dillemans was.

"Eén model, duizend schilderijen", zegt hij. "Ik kende haar op den duur door en door. Hoe haar sleutelbeen eruitzag, haar kaak. Ik kon het realisme verlaten. Ik kon haar uiteenrukken en weer ineenzetten. Ik heb met haar als model afgerekend, ik wist niet dat ik haar zo zou toetakelen. Ik schilderde bijna zonder licht in mijn atelier. Ze vroeg me of ze eigenlijk nog wel moest komen, maar ik had ze nodig, op het einde nog alleen als energie."

En er hangen zelfportretten, niet geflatteerd. Koppen, maar ook een zelfportret naakt tot aan het middel. Dillemans als bokser. "Voor mij zijn ze ijkpunten. Het is een soort herbronning. Ik begin mezelf te schilderen als ik vastzit. Ik ken mezelf - uiterlijk - door en door. Vandaar kan ik vertrekken. Al mijn kennis en ervaring zit dan in een nieuw zelfportret."

Dillemans zoekt. In en met verf. Hij vertrekt graag van oude, slechte reproducties. Dan wordt hij niet afgeleid door schoonheid. Hij zoekt en daarom kan hij op een schilder als Lucian Freud moeilijk voortbouwen, zegt hij. "Freud is niet onderweg. Hij weet waar hij uitkomt. Als hij begint te schilderen, is hij eigenlijk al aangekomen."

Aan het eind van het parcours staan we samen bij tekeningen, zeefdrukken, linosneden, etsen - Dillemans heeft veel gedaan, probeert veel uit. Hij wijst op een reeks puntjes in een tekening. "Dat is Van Gogh, hé, die stipjes", zegt hij samenzweerderig. "De tekeningen uit Arles en Saint-Rémy zijn het allerbeste wat hij heeft gemaakt." In die werken gebruikt Van Gogh stipjes en streepjes om kleur in zijn pentekeningen te krijgen. Voor Dillemans is alles met Van Gogh begonnen toen hij op z'n veertiende een boek van zijn moeder kreeg over de Hollandse meester. "Hij is de oorsprong van alles. Hij was een lucide mens, een nuchtere Hollander, hij wist goed wat hij wou. Geen zot, zoals men hem dikwijls wil voorstellen. Van Gogh is een fascinatie voor mij, veertig kopieën heb ik naar werk van hem gemaakt. Kijk goed naar zijn schilderijen, dat is één laag verf en meteen juist. Doe dat maar eens na."

Sam Dillemans. Tot 31 december in het Rubenshuis, Wapper 9-11, Antwerpen. Dagelijks 10-17 uur. 's Maandags gesloten. Inl. tel. 03/201.15.55 en website: museum.antwerpen.be/rubenshuis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234