Vrijdag 22/10/2021

Scalpenverzamelaars

'Toen Clinton de wet op het gezins- en ziekteverlof tekende, maakte de pers daar een onbeduidend stukje symboliek van''Ondanks de hooggestemde retoriek over thema's lijkt Washington vaak wel een schoolklas'

Howard KurtzBill Clinton en de pers

in Washington

Jarenlang voelde het eigenzinnige persvolk in Washington zich verguisd, misbruikt en belogen. Nu nemen de media eindelijk wraak op Bill Clinton. Ze zijn gedreven om de president ten val te brengen, maar het volk wil daar niets van weten. Waarom zijn de media zo op Clinton gebeten? Een blik van binnenuit door Howard Kurtz, journalist bij The Washington Post.

Sam Donaldson zat Bill Clinton al het hele jaar op de huid. Vijf dagen nadat het verhaal over Monica Lewinsky naar buiten was gekomen, voorspelde hij dat de president als de aantijgingen klopten binnen enkele dagen verloren zou zijn. Donaldson beet zich in het smoezelige melodrama vast. Dag in dag uit bestookte hij Mike McCurry, de perssecretaris van het Witte Huis, omdat die weigerde vragen over het schandaal te beantwoorden. Na een bijeenkomst in de Rozentuin wilde hij zelfs luidkeels van de president weten of hij bereid was aan de justitie een DNA-monster af te staan.

Toen Clinton eindelijk toegaf dat hij het land - en dus ook Donaldson en zijn collega's - had misleid, was de opgeblazen ABC-correspondent niet tevreden over de toespraak van de president. "Hij heeft geen open kaart gespeeld vanavond", verklaarde Donaldson. Dat harde oordeel weerklonk ook bij een schijnbaar eindeloze stoet journalisten van naam, die fel uitpakten tegen een president die al zes jaar van schandalen werd beschuldigd en door menig verslaggever al die tijd was gewantrouwd.

Maar buiten het gesloten circuit van de televisiestudio's had het volk een heel andere kijk op het schandaal. Bij peilingen bleek 60 procent genoegen te nemen met Clintons verontschuldigingen en bereid te zijn de zaak te laten rusten. Zelfs toen commentatoren en columnisten eendrachtig een heksenjacht openden, nam volgens een enquête van CBS en The New York Times de bijval voor de president nog van 59 tot 68 procent toe.

Donaldson erkent dat hij verbaasd was dat de verontwaardiging van de gevestigde media niet werd gedeeld door het volk. Zijn verklaring: de mensen staan er te weinig bij stil. "Ik zeg niet dat de Amerikanen achterlijk zijn", zegt hij. "Maar een hardwerkende buschauffeur uit Omaha die zijn kinderen grootbrengt, zich inzet voor hun school en af en toe eens naar de openbare golfbaan gaat, verdiept zich niet in alles wat wij zeggen. Als dit proces maar door blijft malen, zegt die man uit Omaha uiteindelijk: wat moet ik hier nou nog mee? Op een gegeven moment zullen mensen de beschuldiging onder ogen moeten zien dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Maar op het eerste gezicht zeggen ze: waarom moet die stakker nou toch op seks worden gepakt? Het gaat alleen maar om de seks en een rechtse dolle hond van een aanklager."

Nadat de media het volk hebben platgebombardeerd met ranzige bijzonderheden over de president en de stagiaire lijkt het een beetje gezeur om te zeggen dat de zaak-Lewinsky te weinig aandacht heeft gekregen. Toch zijn ontevreden journalisten in Washington daar herhaaldelijk mee aangekomen ("Als ze maar wisten wat wij weten, dan zagen ze wel in dat die vent niet deugt"), vooral sinds de toespraak van Clinton op 17 augustus de raderen van de afzettingsprocedure in werking stelde.

Er is dus een discrepantie tussen de dingen waaraan de pers en het publiek aanstoot nemen. Er gaapt in feite een culturele kloof, die verder reikt dan het presidentschap van Clinton en die het nieuwsbedrijf blijvende schade dreigt toe te brengen.

Laten we wel wezen: de naam van de media is niet alleen in de goot beland door Lewinsky. Al meer dan twintig jaar groeit het besef dat de pers in het algemeen geen voeling heeft met de gewone man. De huidige journalisten zijn geschoolder en deskundiger en worden beter betaald dan ooit - en zijn onmiskenbaar nog nooit zo uitgefoeterd.

U hoeft dat niet zomaar van mij aan te nemen. Zie de post die ik krijg. "De onthutsende schijnheiligheid van de nieuwsgoeroes, die hun eigen kwalijke geheimen verborgen houden en wel de president zijn slippertjes inpeperen, wordt onderhand vrij weerzinwekkend", schreef een man uit Arizona. "Als jullie Clinton niet weten te 'pakken', hebben jullie in je eigen ogen gefaald", luidde een e-mailbericht. Een man uit Alabama maakte politieke commentatoren uit voor "verwaande, onbekwame, hypocriete, onverdraagzame, pedante, zelfvoldane, zelfzuchtige heilige boontjes". Een andere criticus verklaarde dat journalisten "de klassieke symptomen van mannelijke penisnijd" vertonen.

Maar voor de verslaggevers die over Clinton schrijven, heeft de politiek vaak ook iets persoonlijks. Jacob Weisberg, al jarenlang commentator bij Slate, heeft lang sympathie gekoesterd voor de opdracht van deze regering, in zijn ogen "de hervorming van het liberalisme". Nu behoort hij tot de ontmoedigden. "Ik ben kwaad en voel me bedrogen en teleurgesteld omdat ik vind dat Clinton iets op het spel heeft gezet en daar helemaal niet het recht toe had: het lot van zijn regering en de loopbaan van toegewijde medewerkers", zegt Weinberg. "Daar zijn vrienden van me bij. Het zijn mensen van mijn leeftijd. Ik kan me in die situatie verplaatsen."

David Broder, sinds jaar en dag columnist van The Washington Post, was tijdens de campagne van 1992 verbijsterd toen Clinton, gewikkeld in een polemiek over verwijten dat hij de dienstplicht had ontdoken, 'vergeten' bleek dat hij een oproep had gekregen: "Ik weet nog dat ik zei: bij die man kunnen we nergens van op aan, want die zal de waarheid altijd naar zijn hand zetten."

Nadat het verhaal over Lewinsky naar buiten kwam, stelde Broder vast dat Clinton "geen ontzag had voor het ambt waartoe hij was verkozen. Wat ik moeilijk te verteren vind, is dat er geen werk van wordt gemaakt dat de hoogste wetshandhaver van de overheid onder ede gelogen lijkt te hebben."

Verslaggevers hebben kennelijk een nogal moralistische kijk op gezagsdragers en verwachten dat ze aan hogere maatstaven voldoen. Ze zijn het niet eens met de gewone man dat hoge functionarissen ook recht hebben op een privé-leven en privé-fouten. Dertig jaar geleden zou geen krant of tv-zender erover gepeinsd hebben om te berichten over de seksuele pekelzonden van politici. Maar in het tijdperk-Oprah Winfrey wordt alles vogelvrij gezien. Bovendien is de mystiek verdwenen. De meeste topverslaggevers in Washington kennen Clinton, ook een kind van de naoorlogse geboortegolf, en ons kent ons.

"De echte cynici in Amerika zijn de Amerikanen, niet de journalisten", zegt Andrew Kohut, directeur van een instituut voor perswetenschap. "De mensen denken dat politici in Washington van nature liegen en dat heel Washington één grote sekstent is. Het gedrag van Clinton heeft iets roekeloos waar de verslaggevers zich hier aan storen maar waar het volk niet over valt. Dat gaat er niet meer van uit dat de pers zo handelt om het volk tegen wandaden te beschermen, maar veeleer om kranten te verkopen, om carrière te maken en om scalpen te verzamelen."

Het hele idee van een scalpenverzameling is een integraal deel van de mediacultuur sinds Watergate. Volgens menigeen zijn journalisten tegenwoordig te negatief, te veel aanklager, te hard bezig zich op te werken door publieke figuren neer te halen. De drijfveer van het journaille is tegenwoordig om altijd plankgas op weg te zijn naar het toneel van een schandaal in de hoop een Pulitzer in de wacht te slepen. Alleen al de grofheid van het mediagespuis - dat bij mensen de tuin vertrapt, een verdrietige familie de microfoon in het gezicht duwt - draagt bij tot hun reputatie van arrogantie. Susan Carpenter-McMillan noemde het 'hufters' die haar cliënte Paula Jones bestormden, en verreweg de meeste mensen zullen het met dat oordeel eens zijn.

Eens werden verslaggevers beschouwd als maatschappelijke buitenstaanders, ietwat morsige pleitbezorgers van de kleine man. Het oude stereotype was dat van een kettingroker met een deukhoed die in de kroeg op de hoek zat te ouwehoeren bij een biertje. Verslaggevers zaten niet te wachten op taakstellingen en doelgroepen. Tegenwoordig zijn het veeleer koffie-verkeerddrinkers die in rookvrije kantoorruimten communiceren via e-mail.

Naarmate journalisten zich vaster in de hogere middenklasse nestelden, gingen veel mensen hen zien als deel van de gevestigde orde waarover ze moesten berichtten. Toen Clinton besloot zijn dochter Chelsea niet naar een openbare school maar naar het exclusieve Sidwell Friends te sturen, werd hij verdedigd door een keur van journalisten die moesten toegeven dat hun eigen kinderen of kleinkinderen voor 11.000 dollar per jaar op die school zaten. Politici en journalisten komen op dezelfde recepties, horen dezelfde roddel, spreken dezelfde taal - een koeterwaals van ingewijden dat meer over het partijgekonkel in Washington gaat dan over de problemen in de rest van het land.

Clinton is door journalisten openlijk uitgelachen om zijn 'slaapverwekkende' programma van hapklare plannetjes. Toen hij de wet op het gezins- en ziekteverlof tekende, waarmee werknemers het recht kregen vrij te nemen om voor een ziek kind of zieke ouder te zorgen, maakte de pers daar een onbeduidend stukje symboliek van. Maar, zoals de voormalige Witte Huis-medewerker Rahm Emmanuel verslaggevers graag mocht voorhouden: die wet is wel een godsgeschenk voor de gemiddelde secretaresse of fabrieksarbeider, ook al raakt zij geen journalisten die in hun ivoren toren altijd wel een dagje vrij kunnen nemen.

"Beroepskletsmeiers laten algauw hun eigen sociaal-economische status mee wegen in hun oordeel over wat wel en niet belangrijk is", zegt Emmanuel. "Wie boodschappen doet in delicatessenwinkels maakt zich niet druk om de warenwet. Wie in een duur appartement met portier woont, heeft een andere kijk op buurttoezicht."

Terwijl de pers zich misschien verveelt bij ambtelijke debatten over bescheiden thema's, leeft ze duidelijk op bij schandalen, van de affaire-Whitewater tot het onderzoek naar geknoei met campagnegelden. Maar in beide gevallen bleek uit de peilingen dat haast de helft van de Amerikanen daar weinig of geen aandacht aan besteedde.

Ten slotte stortten de media zich op het ideale schandaal voor de op sensatie beluste jaren negentig: seks, leugens, cassettebandjes, sigaren en een besmeurd japonnetje. Het melodrama-Lewinsky leidde tot een volcontinue geruchtenmachine, schreeuwende koppen, orale seks als thema bij Ted Koppel, dagelijks bijgewerkte berichten op het Internet en elke avond praatprogramma's op tv met overspannen titels als 'Crisis in het Witte Huis'. De kijkcijfers verdubbelden en verviervoudigden toen kijkers die verslaafd waren aan O.J. en prinses Di hun nieuwe soap ontdekten. Een clubje van minder dan een miljoen schandaalverslaafden, meer hebben die programmeurs niet nodig. Er ontstond een enorme echoput toen een vermoeiend stel overheidsvoorlichters, brallende advocaten en schnabbelende verslaggevers tegen elkaar tekeer bleef gaan, overtuigd dat de rest van de wereld toekeek. Maar de meeste mensen waren algauw overvoerd door die onafgebroken berichtgeving.

Een aantal commentatoren, zoals Bill Kristol, hoofdredacteur van de conservatieve The Weekly Standard, bleef maandenlang het kiezersvolk verwijten dat het er niets van snapte. "Wij zeiden: wacht maar tot het rapport-Starr uitkomt, wacht maar tot zus, wacht maar tot zo, wacht maar tot zijn verklaring op tv komt, maar dat zagen we verkeerd", zegt Kristol. "Het was geen gebrek aan kennis. Het Amerikaanse volk had zijn oordeel al geveld."

In oktober ontstond er in medialand hier en daar onrust over de wrevel bij het publiek. "Als iedereen echt vindt dat we hebben overdreven en er genoeg van heeft, dan neem je de tijd om je af te vragen: hebben we misschien overdreven?", zegt Walter Isaacson, hoofdredacteur van Time. "Ik vind het een verdomd belangrijk verhaal en wij hebben er goed over bericht. Maar het is wel van belang dat je er rekening mee houdt dat veel mensen het niet het belangrijkste op de wereld vinden." Time is nu ook weer niet voorbijgegaan aan het schandaal, maar "het verkoopt op het ogenblik niet eens zo goed meer", zegt Isaacson. "Er wordt je wel eens verweten dat het je om de verkoop gaat, maar je kunt meer verkopen met andere onderwerpen, zoals wetenschap en religie." Viermaal haalde het afgelopen jaar een omslagverhaal over Lewinsky in Time de toptien van de losse verkoop, met niet minder dan zevenentachtigduizend exemplaren boven het gemiddelde. Maar vijf andere keren scoorde een omslagverhaal over het seksschandaal onder het gemiddelde, met als dieptepunt een nummer van eind september.

De regering buit de kloof tussen pers en publiek natuurlijk maar al te graag uit. Al zes jaar lang weet de publiciteitsmachine van het Witte Huis het spervuur van scandaleuze krantenkoppen te weerstaan en de politieke aandelen van de president winstgevend te houden. De strategie komt erop neer dat er telkens iets wordt gezocht om het boegeroep van de media te doorbreken en duidelijk te maken dat Clinton werkt aan de problemen van de gewone burger. Nu een mogelijke afzetting vrijwel alle aandacht trekt, is er in de media nog maar weinig ruimte voor een ander verhaal. Maar de Witte Huis-strategen zijn ervan overtuigd dat voeling met de 'familie Doorsnee' de sleutel tot hun redding blijft.

Nadat de schunnigste bijzonderheden van zijn affaire met Lewinsky openbaar waren geworden, hoorde Clinton tot zijn verbazing dat CNN en de nieuwszender van Fox openden met normale onderwerpen. "Meen je dat nu?", vroeg hij toen McCurry hem vertelde waar de tv-zenders mee kwamen.

De pr-mensen wisten maar al te goed dat de tv alleen maar zat te wachten op een reactie op de zaak-Lewinsky, en ze beraamden vlug een plan. Als er camera's bij waren, zeiden ze, moest Clinton de gelegenheid te baat nemen om zijn geliefde beleidsvoorstellen af te draaien. Af en toe klaagde de president dat hij dan een zaal met publiek tot decor degradeerde. Maar zijn medewerkers waren bezorgder over het televisiepubliek. Ze waren vastbesloten de media iets op te dringen, of dat de journalisten nu beviel of niet.

Op een bijeenkomst in de Rozentuin om aan te kondigen dat het armoedecijfer was gedaald, beroemde Clinton zich op zijn pogingen de sociale zekerheid te hervormen, het minimumloon te verhogen, de omvang van de klassen te verkleinen en het IMF te financieren. Ook maakte hij melding van zijn plannen om de slachtoffers van de orkaan Georges te helpen; dat werd breed uitgemeten in Florida, zo wist McCurry. Het pr-team moest de boodschap apart afstemmen op elk deel van het land.

Op de dag dat het Huis volgens de partijlijnen besloot om met hoorzittingen te beginnen, beloofde Clinton in de Roosevelt Room plechtig om patiënten te helpen die uit hun ziektekostenverzekering waren gegooid. Maar de bijzonderheden stonden die dag wel al in de ochtendkranten: het Witte Huis had het verhaal van tevoren gelekt om de president er twee dagen mee in het nieuws te houden.

Ondanks de hooggestemde retoriek over thema's lijkt Washington vaak een schoolklas. Zoals Witte Huis-adviseur Doug Sosnik het omschrijft, zijn de verslaggevers de branies die achterin zitten, terwijl Clinton de bolleboos is die nooit wat uitvoert maar na een nachtje doorhalen wel een tien haalt (en ook nog de nodige cheerleaders versiert, had Sosnik erbij kunnen zeggen). De journalistieke rouwdouwers en de knappe jongetjes à la Clinton kennen elkaar al jaren en er is een zekere wrevel tegen yuppies in het spel.

Chris Matthews, presentator van het programma Hardball, had in 1992 een interview met Clinton in San Francisco en prees hem het jaar erop in een column. In het Witte Huis sprak Clinton hem aan en zei dat die column hem wel was bevallen. Maar inmiddels zet Matthews de president geregeld weg als een 'oneerlijke' man die zijn 'ambt heeft verraden en misbruikt'.

"Er wordt wel gezegd: je mag hem niet omdat je jaloers op hem bent", zegt Matthews. "Waarschijnlijk is dat ook zo... Het is een leeftijdgenoot van me en er komt best wrok bij kijken. In zekere zin concurreren we allemaal om hetzelfde soort roem. ik zie mezelf niet als een soort oudtestamentische Richter, maar sommige mensen vormen een bedreiging voor ons. Dat zal ik niet ontkennen."

Clinton probeerde in 1992 hardnekkig de columnist Joe Klein te paaien. Hij haalde Klein aan in een toespraak en vertelde Klein dat hij een van diens columns naar tientallen vrienden had gestuurd. Kleins animo bekoelde toen hij vond dat Clinton afstand nam van centrale thema's. Toen Klein bij een voorverkiezingsdebat in New York werd uitgekozen om Clinton te ondervragen, kreeg de presidentskandidaat van James Carville en George Stephanopoulos te horen dat Klein 'teleurgesteld' in hem was, ondanks "Joes duidelijke overtuiging dat jij de laatste goede hoop voor onze planeet bent. Maar je kwetst altijd je beminden, en dat geldt ook voor Joe".

Sindsdien heeft Klein Clinton afgekraakt in Newsweek en een vernietigend portret geschilderd in Primary Colors. Volgens Klein "ergert het hem" dat zijn herhaalde verzoeken om een interview zijn afgewezen. In 1992 "heeft hij veel werk van me gemaakt", zegt Klein, nu verbonden aan The New Yorker. "Hij is de president van de Verenigde Staten - je verwacht niet dat hij geregeld aan de lijn hangt om een praatje te maken - maar er kwam helemaal niets."

Volgens Klein had hij toch wel kritiek op Clinton geleverd, maar "ik had best ook wat minder tekeer kunnen gaan. Het Witte Huis zag ons duidelijk allemaal als één pot nat, als vijanden. Ook vrienden van me, zoals Mandy Grunwald en James Carville (adviseurs van Clinton, HK), dachten onderhand zo over de pers: die klojo's bekijken het maar."

Matthews, die zich in de loop der tijd heeft uitgesloofd voor de gewezen voorzitter van het Huis Tip O'Neill en voor Jimmy Carter, heeft zelf nog niet alle politieke aspiraties laten varen. Toen Clinton aan de vooravond van de verkiezingen in een interview met Black Entertainment Television zei dat de mensen die een hekel aan hem hebben kwaad zijn omdat ze geen begeerde baantjes in het Witte Huis meer kunnen krijgen, zag Matthews' vrouw Kathleen, nieuwslezeres in Washington, het verband. "Hij moet jou hebben", zei ze tegen hem.

Het publiek heeft natuurlijk geen weet van die verzuurde romances en gelopen blauwtjes. Dat maakt zich druk om de kern - scholen, misdaad, belastingen - waar politici en pers zich op dienen te richten. Waarom specialiseren er zich niet meer media in thema's uit het ware leven? De beschamende reden is dat je hard moet werken om van ingewikkelde onderwerpen pakkende journalistiek te maken. De meeste verslaggevers beheersen bijvoorbeeld wel de bijzonderheden van de strijd om de hervorming van de sociale zekerheid op lange termijn, maar het is heel wat moeilijker om die in een tijdperk van kanaalzwemmen tot leven te brengen. Dan maar weer liever over naar de vertrouwde sage-Lewinsky of het dagelijkse politieke moddergooien.

Het verbazende aan de groeiende afkeer van de journalistiek is dat die dwars door de partijlijnen heen loopt. De conservatieven hebben lang gefoeterd op de 'rooie media' omdat die Richard Nixon uit zijn ambt hadden verjaagd en Ronald Reagan en George Bush hadden achtervolgd met de Iran-contra-zaak en andere schandalen. Nu zeggen veel van de gematigden en progressieven die toen die onderzoeken toejuichten dat de pers vreselijk onrechtvaardig voor Bill Clinton is. Verslaggevers en redacteuren mogen dan wel hameren op hun rol van lastposten die iedereen een gelijke kans bieden, maar ze hebben zowel links als rechts van zich weten te vervreemden.

Veel Amerikanen beseffen de smoezelige werkelijkheid van een buitenechtelijke verhouding, ze kennen vrienden of familieleden die in dat web verstrikt zijn geraakt of ze hebben het zelf ondervonden. Het publiek ziet zo'n affaire, zelfs in de gewijde beslotenheid van de Ovale Kamer, veeleer als een privé-misstap. Verslaggevers denken daarentegen eerder in strikt juridische termen. Heeft hij gelogen? Heeft hij door een officiële telefoon over seks gepraat? Wat zegt dat over zijn 'karakter'? Maar veel mensen vinden dat journalisten zich schijnheilig voordoen als hoeders van de openbare zeden terwijl het hen eigenlijk gaat om seks, schandalen en kijk- en oplagecijfers. Toen de kiezers in november grotendeels voorbijgingen aan het afzettingsthema en de Democraten aan een verrassende overwinning hielpen, was dat misschien wel een welgemeende oproep aan de gevestigde media in Washington om over het schandaal op te houden.

Ik hoor doorlopend de vraag of journalisten iets van het tijdperk-Lewinsky hebben geleerd. Ik ben daar weinig optimistisch over. Sommige media zullen misschien wat meer zelfbeheersing opbrengen, maar de meeste verslaggevers voelen zich gesterkt doordat vrijwel alle smerige bijzonderheden die ze over Clintons seksleven hebben onthuld waar bleken te zijn. Ze lijken niet te malen om de brede afkeer onder het publiek van de toon, omvang en verbetenheid van de berichtgeving, of wijzen hoogstens naar anderen die te ver gaan. Over tien jaar herinneren de meeste mensen zich van deze malle periode misschien wel niet De Jurk, maar de kloof tussen het publiek en een sensatiezoekende pers die dikwijls helemaal leek door te slaan.

© George Magazine

Vertaling: Rien Verhoef

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234