Maandag 14/06/2021

Saving Private Wilkinson De laatkomers van de Grote Oorlog

Aurel Sercu van de Diggers: 'Ook zonder identificatie blijft dit zinvol werk. Onbekend of niet, de piëteit gebiedt ons deze jongens een fatsoenlijke rustplaats te verschaffen'We lopen over het drassige braakveld, iedere stap produceert een zuigend geluid. Wat moeten de soldaten gevloekt hebben op de eeuwige modder die zoveel van hun makkers heeft verzwolgen

Erik Raspoet / Foto's Dieter Telemans

Er zitten niet alleen kogels en obussen in de zompige grond van de Westhoek. Meer dan 100.000 soldaten uit de Eerste Wereldoorlog worden nog altijd vermist. De Ieperse Diggers doen er wat aan. Honderd en drie hebben ze er de voorbije jaren opgegraven. Engelsen, Duitsers, Fransen, behalve een kinderloze zoeaaf waren het allemaal onbekende soldaten. Weg de kans op een ontroerend weerzien met dankbare nazaten. Dan had Patrick Roelens uit Komen-Waasten meer geluk met zijn vondst. Een Lancashire Fusilier, compleet met naam en registratienummer. De amateur-archeoloog studeert nu vlijtig Engels. Tegen de begrafenis wil hij met zijn nieuwe familie kunnen praten. Een reportage uit de Westhoek, waar de oorlog nooit is stilgevallen.

Zaterdagmiddag, wapenstilstand aan het kanaal Ieper-Boezinge. Breekmolens, bulldozers en graafmachines hebben tijdelijk alle vijandelijkheden gestaakt. Overal liggen gigantische hopen aarde, de uitbreiding van de industriezone schiet aardig op. Ieper, lange tijd het Irkoetsk van Vlaanderen, wordt opgestuwd in de vaart der volkeren. Een kilometer hiervandaan rijst de Flanders Language Valley van L&H baksteen na baksteen uit de grond, alle vernietigende artikels in de Wall Street Journal en recordverliezen op de Nasdaq ten spijt. Andere investeerders zoeken hun stek steeds dieper in het hinterland, langs het kanaal Ieper-Boezinge. De Westhoek wordt er niet mooier op, maar het bruto binnenlands product vaart er wel bij. De toekomst lacht Ieper dus tegemoet, maar het verleden laat niet los. Flanders Language Valley? Precies vijfentachtig jaar geleden waren dit de Flanders Killing Fields.

Patrick Van Wanzeele schetst met weidse gebaren de contouren van zijn slagveld. Hier lagen de Duitsers, tweehonderd meter verderop hadden de Engelsen zich ingegraven. "Maar de frontlijn werd niet met een lat getrokken", zegt hij. "De loopgraven liepen zigzag, op sommige plaatsen lagen de linies geen dertig meter van elkaar. De Duitsers waren tot hier doorgestoten na de gasaanval van 22 april 1915. Eerst werd deze zone door de Fransen verdedigd, maar die konden de aanval niet weerstaan. Pas toen de Engelsen er zich mee bemoeiden, kwam het front hier tot stilstand. Twee jaar heeft de loopgravenoorlog geduurd, voor iedere morzel grond is er gevochten. De ene keer schoven de Duitsers hun linies enkele meters op, de andere keer wisten de Engelsen een loopgracht te heroveren. Vooral in juli 1915 was het verschrikkelijk. Honderden en honderden soldaten zijn gestorven voor nog geen vijftig meter terreinwinst. Je ziet het misschien niet, maar je staat hier op een echt knekelveld."

Dat knekelveld is gedoemd om onder een laag beton te verdwijnen. Het was geen fraai gezicht toen in 1998 de uitbreidingswerkzaamheden van start gingen. Soldatengraven werden opengeploegd, skeletten vermalen onder rupsbanden. 's Avonds verdwenen de bouwvakkers en kwamen de gieren. Privé-collectioneurs, handelaars in militaria, de stoffelijke resten werden zonder scrupules van helmen, koppelriemen en insignes gestript. Te vrezen valt dat de beenderen en schedels niet aan de verzamelwoede zijn ontsnapt. Patrick Van Wanzeele kon het niet meer aanzien en alarmeerde het Ieperse stadsbestuur. Sindsdien kun je hem en zijn maats iedere zaterdagnamiddag op het nieuwe industrieterrein aantreffen, gewapend met metaaldetectors, spaden en truwelen. Ze noemen zich de Diggers, een groep van amateur-archeologen met een lange staat van dienst in de Ieperse heemkunde. Het is een exclusief mannenclubje, een beperking die ze zelf wijten aan het zware labeur dat bij de opgravingen komt kijken. Of heeft het iets te maken met de oermannelijke fascinatie voor oorlog en wapens?

Sommigen zijn lid van gespecialiseerde verenigingen zoals de Western Front Association, echte freaks die de Eerste Wereldoorlog van het eerste tot het laatste schot kunnen navertellen. Niet dat ze monogaam zijn in hun archeologische queeste: bij eerdere uitbreidingswerken in de kanaalzone bestond de buit vooral uit middeleeuwse en zelfs Gallo-Romeinse relicten. In 1998 echter werden ze door het Ieperse stadsbestuur met een welomschreven opdracht het veld ingestuurd: zoveel mogelijk soldatenlijken vrijwaren van bulldozers en souvenirjagers. "Iedere dag komt er wel iemand een kijkje nemen op de werf", zegt Patrick. "En zaterdag vliegen we er met de hele ploeg in. Het komt eropaan de graafmachines een stap voor te blijven."

Na twee jaar staat de teller op 103. Leider in de macabere competitie is Engeland met 58 soldaten, Duitsland en Frankrijk volgen met respectievelijk 29 en 16 stuks. Drie weken geleden werd op Cement House Cemetery in Boezinge een dozijn Engelsen tegelijk bijgezet. Netjes op een rij stonden de twaalf houten kisten, soms niet groter dan een forse schoenendoos. Zwaar om tillen waren ze al helemaal niet. Enkele beenderen, een stuk schedel, uniformrestanten, enkele knopen en een schoenzool, na een verblijf van vijfentachtig jaar in de zompige grond van de Westhoek schiet er niet veel meer over. Al bij al was de plechtigheid een onwezenlijke bedoening. Want wie moest de anglicaanse kapelaan nu precies bij de Allerhoogste aanbevelen? Voor wie was het eerbetoon bestemd? Niemand had er enig benul van, want niet één van de lijken kon worden geïdentificeerd. Known unto God, het antwoord prijkt twaalfvoudig op de witte zerken.

Het massale karakter van deze teraardebestelling mag dan wel uitzonderlijk zijn, uitgestelde oorlogsbegrafenissen zijn dat niet, tenminste niet in de Westhoek. De Commonwealth schat het aantal in Vlaanderen vermiste soldaten uit de Eerste Wereldoorlog op 55.000, Duitsland houdt het bij 50.000. Geen wonder dat boeren of grondwerkers geregeld met menselijke beenderen worden geconfronteerd. Volgens de letter van de wet moet zo'n ontdekking altijd bij de rijkswacht worden gemeld, meteen de eerste etappe op een lange weg naar een definitieve rustplaats. Via het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt het stoffelijk overschot met aanhorigheden zoals wapens of uniform aan de bevoegde instantie van het land van herkomst overgemaakt. Tot zover geen probleem, het geringste stukje textiel volstaat al om de nationaliteit te achterhalen. Met een beetje geluk bevatten de uniformrestanten voldoende aanwijzingen om ook rang en regiment te bepalen. Zo bevinden zich onder de nieuwkomers op Cement House een officier van het Yorks and Lancaster Regiment, één Northumberland en twee Lancashire Fusiliers. Al die gegevens werden netjes in de zerken gegraveerd, een wanhoopspoging om de onbekenden op zijn minst een militaire identiteit te verschaffen.

Volledige identificatie, met naam en toenaam, is daarentegen uiterst zeldzaam, ondanks de inzet van specialisten zoals botdeskundigen en forensische pathologen. Niet alleen de slechte staat van de stoffelijke resten speelt hen parten, ook het feit dat veel soldaten zonder enig identificatienummer de vuurlinie werden ingejaagd. De Diggers kunnen ervan meespreken. Van de 103 opgegraven soldaten zijn er 102 nobele onbekenden gebleven. "Frustrerend", geeft Aurel Sercu toe. "Je hoopt toch altijd dat je de naam van zo'n soldaat kunt achterhalen en, wie weet, dat je in contact kunt komen met zijn nabestaanden. Dat je hen kunt zeggen: we hebben uw overgrootvader eindelijk een graf bezorgd. Maar pas op, ook zonder identificatie blijft dit zinvol werk. Onbekend of niet, de piëteit gebiedt ons deze jongens een fatsoenlijke rustplaats te verschaffen."

Eén keer was het wel goed raak. Patrick Van Wanzeele mag zich de gelukkige vinder noemen. "Ze hadden net het tracé van de nieuwe weg genivelleerd", begint hij zijn relaas. "Ik kwam 's avonds kijken en daar lag ze dan. Een knieschijf, zomaar voor het oprapen. We zijn beginnen spitten, en wat bleek: er lag niet alleen een lijk maar ook een plaatje met naam en stamnummer: François Metzinger, een zoeaaf. De Franse autoriteiten hebben zijn identiteit bevestigd. Zo zijn we een en ander te weten gekomen over onze zoeaaf. Metzinger had zich in Algerije laten inlijven, maar was zelf afkomstig uit de Elzas. Het is best mogelijk dat hij door een streekgenoot werd doodgeschoten, want de Elzassers vochten in de Eerste Wereldoorlog aan beide zijden. Jammer genoeg hebben ze geen nabestaanden gevonden. Toch was het een mooie begrafenis, op het Franse kerkhof van Zillebeke. Er was zelfs een Franse admiraal die de Diggers officieel heeft bedankt. Dat doet plezier, want tenslotte staan we hier gratis voor niks onze kas af te draaien."

We lopen over het drassige braakveld, iedere stap produceert een zuigend geluid. Wat moeten de soldaten gevloekt hebben op de eeuwige modder die zoveel van hun makkers heeft verzwolgen. Patrick wijst de plaatsen aan. Hier hebben ze twee skeletten gevonden, daar was een soldatengraf met zes lijken. Gaandeweg leer ik de knepen van het vak. "Hoe schoner het lijk, hoe minder kans op identificatie", doceert Patrick. "Als de omstandigheden het toelieten, werden gesneuvelde soldaten geëvacueerd en achter de linies begraven. In dat geval werden persoonlijke bezittingen afgenomen. Veel soldaten bleven evenwel achter op het slagveld. Ofwel lagen ze te dicht bij de vijandelijke linies, ofwel waren ze te ernstig verminkt. Een zware obus die in een groep soldaten ontplofte, dat was gehakt, hé! Zo was het ook met François Metzinger, die hebben ze helemaal aan flarden geschoten. Maar hij had tenminste zijn identificatieplaatje bij zich. Zo zie je maar, voor archeologen zijn verminkte skeletten vaak nog de interessantste."

Noem het de ironie van de geschiedenis. Geen enkele streek in Europa die door de Eerste Wereldoorlog zo zwaar werd geteisterd als de Westhoek. Geen enkele streek in Europa die vandaag uit diezelfde oorlog zoveel munt slaat. Een week voor de herdenking van de wapenstilstand draait de oorlogseconomie op volle toeren. Met bussen tegelijk worden de Britse toeristen aangevoerd. Jong en oud, velen dragen papieren klaprozen die ze straks bij een of andere graf - bij voorkeur dat van een onbekende soldaat - zullen neerleggen. Geen hol gebaar: de poppies zijn in Groot-Brittannië het symbool van de Eerste Wereldoorlog. Vijfentachtig jaar is een heel eind, maar aan gene zijde van het Kanaal blijft de herinnering aan de Great War springlevend. Begrijpelijk als je een bezoek brengt aan Tyne Cot in Passendale, het grootste en wellicht daarom populairste soldatenkerkhof in de Westhoek. Hier staan niet alleen 12.000 verticale grafstenen in het gelid, op het immense memoriaal prijken nog eens 34.870 namen van vermiste soldaten. Een cijfer om van te duizelen, en dan spreken we nog niet van de 54.000 vermisten wier namen in de Menenpoort werden gegraveerd. Vermist betekent overigens niet dat al die soldaten in de wilde natuur tot stof en as zullen vergaan. Velen hebben een graf op een van de tweehonderd kleine en grote kerkhoven die de Commonwealth in de Westhoek beheert. Een naamloos graf, welteverstaan, known unto God.

Val en Jeff Lemon zijn hier vandaag gepasseerd. Zoals veel bezoekers hebben ze een opdracht geschreven in het gastenboek. 'Came here to remember my great uncle Gibson who died aug. 23d, 1917, age 25. My aunt never knew he was buried here - so sad.' Intriest, ja zeker. Onder iedere steen ligt iemands vader, zoon of echtgenoot. Toch is zo'n Engels soldatenkerkhof geen deprimerend oord. "We proberen een prettige omgeving te scheppen", zegt Jeremy Gee. "Het moet licht en luchtig blijven, helemaal in de traditie van de Engelse tuinen." We ontmoeten hem op Railway Dug-out, een klein maar sfeervol kerkhof waar het in de zomer heerlijk picknicken moet zijn. Onze gastheer laat er zich niet op voorstaan, maar als directeur van de Common Wealth War Graves Commission (CWGC) is hij een van de grootste werkgevers van de streek. Honderdtwintig tuiniers, 24 metselaars, 30 administratieve medewerkers en kaderleden, de CWGC is een uit de kluiten gewassen bedrijf met een internationale roeping. Vanuit Ieper worden ook kerkhoven in Duitsland, Nederland, Scandinavië, Polen en Tsjechië onderhouden.

Jeremy Gee was erbij toen de twaalf onbekende soldaten op Cement House werden bijgezet. "Het was druk", zegt hij. "Er waren zelfs journalisten uit Londen overgekomen. Twaalf tegelijk is dan ook erg uitzonderlijk. Vroeger, voor de uitbreiding van de industriezone, werden in een jaar tijd hoop en al drie soldaten ontdekt. Die werden individueel begraven. Zonder tamtam, met alleen de kapelaan, de man van de ambassade en mezelf als aanwezigen. Dan stonden we daar, drie mannen verenigd rond één onbekende soldaat. Vreemd genoeg vond ik dat veel ontroerender dan zo'n massabegrafenis."

Drie jaar zit Jeremy Gee nu in Ieper, voorheen heeft hij de CWGC in Griekenland en Italië gediend. In die drie jaar heeft hij geen enkele bekende soldaat uit de Eerste Wereldoorlog ten grave mogen dragen, maar daar kan spoedig verandering in komen. In januari werd in Ploegsteert een Lancashire Fusilier bovengespit, compleet met naamplaatje en registratienummer. De ontdekking was zo zeldzaam dat de Britse pers er massaal op sprong. De BBC won de jacht op de primeur en sleepte een achterkleindochter van de vermiste soldaat naar Ploegsteert. Jeremy Gee was not amused. "Die heisa is voorbarig", moppert hij. "De stoffelijke resten zijn nog niet vrijgegeven voor de begrafenis. Pas op, meer dan waarschijnlijk klopt de identificatie. Maar we willen absolute zekerheid, daarom wordt binnenkort een DNA-onderzoek verricht. In dit soort aangelegenheden kun je niet voorzichtig genoeg zijn, anders schep je valse verwachtingen. Heel wat nabestaanden koesteren nog altijd de hoop hun vermiste overgrootvader terug te vinden. De opgravingen in Boezinge hebben de vlam zelfs aangewakkerd. Vorige week kreeg ik een brief van een man uit Wales die wilde weten of we niet toevallig zijn vader hadden ontdekt. Is dat niet droevig? Een bejaarde man die nog altijd op zoek is naar zijn vader."

Engelse fusiliers, Duitse Landsturmers, ze hebben elkaar bevochten bij leven en welzijn, ze blijven elkaars tegenpool tot in de dood. Het Friedhof in Langemark contrasteert in alle opzichten met de Engelse kerkhoven die we eerder hebben bezocht. Niet luchtig maar massief, geen licht maar schaduw van hoge bomen. Het oogt somber, maar daarom niet minder indrukwekkend. "Noem het maar Teutoons van inspiratie", meent Adolf Piedfort. "Die eiken en beuken symboliseren de eeuwige wouden uit de Germaanse mythologie, die vind je op alle Duitse kerkhoven. Voor mijn part hadden ze gerust een andere beplanting mogen kiezen. In de herfst moeten we tientallen tonnen eikels en bladeren ruimen." Anders dan de Commonwealth heeft de Duitse Kriegsgräberfürsorge in ons land geen vestiging. Het onderhoud van de kerkhoven wordt uitbesteed, af en toe komt een ploeg vrijwilligers van de Bundeswehr een handje toesteken. Wat de Kriegsgräberfürsorge wel heeft in België is een onbezoldigde contactpersoon. Sinds zeven jaar is dat Adolf Piedfort, een gepensioneerd kaderlid van een Antwerps expeditiebedrijf die de Duitse taal machtig is. Dat hij Adolf heet, heeft met zijn engagement niets mee te maken. "Vader was vrijwilliger in het Belgische leger", smoort hij de obligate zinspeling in de kiem. "Voor mijn vrienden heet ik trouwens Dolf. Eigenlijk is het toevallig gekomen. Ze hadden eerst een bevriende ambtenaar van de douane gepolst. Maar omdat die geen Duits sprak, heeft hij hen naar mij doorverwezen. Ja, heel af en toe word ik erop aangesproken. Heulen met de voormalige vijand, blijkbaar ligt dat bij sommigen nog altijd gevoelig. Belachelijk vind ik dat. Duits, Engels, Frans of Amerikaans, wat maakt het uit? Hier liggen allemaal jongens die veel te vroeg gestorven zijn. Na de dood bestaat er geen vijandschap meer, dat was ook het parool aan het front. Heel wat Duitsers werden door de Engelsen op hun kerkhoven tussen de eigen doden begraven. Geen vijanden, maar soldaten onder elkaar."

Hier geen rechtopstaande maar platte zerken. Soms staan er namen op. Gotthold Schoppe, Ernst Miehe, Otto Larow, August Siegmeier, Wilhem Weller, Max Schade, Karl Paulo, Berthold Teuchert, allemaal gevallen op 6 november 1914, misschien wel gedood door dezelfde obus. Vaker echter is het gissen naar het wie en wanneer. Twintig unbekannte Deutsche Soldaten, vijftien unbekannte Deutsche Soldaten, de score loopt snel op. Langemark is na Menen het grootste Duitse soldatenkerkhof in Vlaanderen: 25.000 soldaten hebben hier een graf, de beenderen van 20.000 anderen rusten in een apart ossuarium. Af en toe komt Adolf Piedfort de rust van die knekelkelder verstoren. "Inderdaad", zegt hij, "door de opgravingen in Boezinge is de berg knoken weer wat groter geworden. Veel ceremonieel komt er niet bij kijken, ik gooi de beenderen op de hoop, er is alleen iemand van Binnenlandse Zaken als getuige. Natuurlijk proberen we de skeletten eerst te identificeren. Maar die kans is in Duitsland nog veel kleiner dan in Engeland. Hoe dat komt? Engelse en Duitse kerkhoven zijn in heel verschillende omstandigheden totstandgekomen. Kijk, ik vergelijk de Eerste Wereldoorlog altijd met een boksmatch. De winnaar wordt op de schouders gedragen, de verliezer zit knock-out in een hoekje. Zo was het ook in 1918, de Duitsers zijn na de wapenstilstand afgedropen als geslagen honden. Hun eigen land was een puinhoop, in Berlijn was de revolutie uitgebroken. Veel fut om in de Westhoek soldatenkerkhoven aan te leggen schoot er niet over. Overigens, in de jaren twintig werden de Duitsers hier niet bepaald met open armen ontvangen. De genadeslag werd echter tijdens de Tweede Wereldoorlog toegebracht. Veel archieven van '14-'18 zijn door geallieerde bombardementen vernietigd." Het verschil tussen winnaars en verliezers. Is het daarom dat Adolf Piedfort op zijn kerkhoven weinig Duitse maar des te meer Engelse bezoekers aantreft? Voor het memoriaal van Langemarck ligt een bloemenkrans. Poppies, geschonken door de leerlingen en leerkrachten van de Heaton Manor School uit Newcastle. 'We remember all the soldiers who died in the war', staat erop. "Dat doen ze altijd", zegt Adolf. "Typisch Brits. Fair play, ik word er keer op keer door ontroerd."

Elf november is niet alleen de dag van de Wapenstilstand, het is ook de verjaardag van de dood van Harry Wilkinson. Met een beetje goede wil, want officieel is hij op 10 november 1914 gestorven. Was de oorlog voor deze Lancashire Fusilier snel voorbij, zijn verblijf op het slagveld heeft des te langer geduurd. Op 3 januari 2000 werd zijn gebeente opgegraven, in het plaatsje Ploegsteert vlak bij de Franse grens. Een Engelse soldaat met naamplaatje en bekende nazaten, de Diggers waren er geen beetje jaloers op. "Een toevalstreffer", deden ze in Ieper ietwat neerbuigend. Niets is minder waar, ook Patrick Roelens uit Komen-Waasten blijkt een verwoed amateur-archeoloog die niet aan zijn eerste skelet toe is. Behalve Harry Wilkinson heeft hij zes onbekende Britten bovengespit. "Allemaal gevonden in een weide dicht bij het bos van Ploegsteert", vertelt de 37-jarige Waalse steenbakker enthousiast. "Ik ken dat terrein als mijn broekzak, het ligt vlak bij het huis van mijn grootouders. Van hen wist ik dat ze daar in de oorlog hevig hebben gevochten. De Duitsers hadden een vooruitgeschoven post waarop de Engelsen wekenlang hun tanden stuk hebben gebeten. Het kon niet anders dan dat de grond vol soldaten stak, maar ik dacht er niet aan hun rust te verstoren. Een soldatengraf is heilig, daar blijf je af. Ik ben pas beginnen graven toen de boer aankondigde dat hij zijn weide ging omploegen." Ere wie ere toekomt, eigenlijk was het zijn broer die op die koude januaridag eureka riep. Zijn oog viel op een aluminium plaatje, geflankeerd door enkele botten afkomstig van een hand. Patrick kwam meteen aangespurt, de spade in aanslag. Dertig centimeter dieper vonden ze het lijk. "Helemaal intact", zegt hij. "Op de voeten na, die zijn wellicht na zijn dood door een granaatinslag weggeblazen. Wilkinson hield een pijp in zijn mond, zijn makkers hadden een veldfles achtergelaten. Meer konden ze wellicht niet doen. Wilkinson was te zwaargewond, ze konden hem niet meer evacueren."

We rijden naar het bos van Ploegsteert, daar zou alles veel duidelijker worden. Patrick heeft de vindplaats met een kruis gemarkeerd. "Ver van de Engelse linies", zegt hij. "Ze hadden geen kans om hem mee te nemen. Zie je dat huis ginder? Daar was de Duitse enclave, de Bird Cage. In de nacht van 10 november voerden de Lancashire Fusiliers met de Scotland Highlanders een aanval uit op de Bird Cage. Er hing een dichte mist, wellicht is de patrouille van Wilkinson verdwaald. Ik zie het zo voor mij: Wilkinson en zijn makkers lagen tussen twee vuren, ze werden zowel vanuit de Duitse linies als vanuit de Bird Cage beschoten. De verwarring moet compleet zijn geweest." Patrick durft het bijna niet te vertellen. Hij heeft een kogel in het skelet gevonden, een kogel van Engelse makelij. Maar daaruit concluderen dat Wilkinson per abuis onder eigen vuur is gevallen? "Voorzichtig", vermaant hij. "Het is best mogelijk dat het een verdwaalde kogel is die zich later in de grond heeft geboord."

Wilkinson hier, Wilkinson daar, Patrick is vol van zijn soldaat. Tranen van ontroering heeft hij geplengd toen de BBC hem met Wilkinsons achterkleindochter confronteerde. "De mooiste dag uit mijn leven", zegt hij. "Ze zei dat ze me als een lid van de familie beschouwde. Weet je wat ik na haar bezoek heb gedaan? Ik heb me ingeschreven voor een avondcursus Engels, ik wil kunnen praten met mijn nieuwe familie." Als geadopteerd familielid kent hij intussen de personalia van Harry Wilkinson zaliger. Diens vrouw was twee maanden zwanger toen hij de pijp uit ging in het bos van Ploegsteert. Voor mevrouw Wilkinson was het niet de laatste beproeving. Ze zou aan het front nog drie broers verliezen. De waanzin van de Grote Oorlog, herschreven op mensenmaat. De ontdekking van Ploegsteert heeft overigens niet alleen gelukkigen gemaakt. Hier en daar werd voorbarig gejuicht. Er worden in de Westhoek nog twee Harry Wilkinsons vermist. Geen toeval als je bedenkt dat de Grote Oorlog aan maar liefst honderdvijftig Wilkinsons het leven heeft gekost.

Over zijn definitieve rustplaats mag private Harry Wilkinson niet klagen. Een heuveltop met zicht op de Kemmelberg, dit moet een van de allermooiste plekjes van België zijn. Prowse Point Cemetery is slechts een van de vijf kerkhoven in het bos van Ploegsteert, een uitgestrekt dorp dat in totaal vijftien militaire begraafplaatsen plus een memoriaal telt. Een klein memoriaal: 11.447 vermisten, waaronder Harry Wilkinson. Als alles goed gaat, wordt zijn naam bij de volgende onderhoudsbeurt geschrapt. De begrafenis is echter nog niet voor morgen, eerst moet in Londen een DNA-onderzoek onomstotelijk bewijzen dat de naamplaat met registratienummer bij het stoffelijk overschot hoort. Patrick zelf twijfelt geen seconde. "Ach", haalt hij de schouders op. "Laat ze alles maar onderzoeken. Ondertussen wordt mijn Engels er alleen maar beter op. Tegen de begrafenis moet het in orde zijn."

Je m'appelais Wilkinson, documentaire op Arte, vanavond om 20.15. Gered van de vooruitgang, tentoonstelling opgravingen Diggers,

Zaal Ten Vrielande, Brugstraat 27, Boezinge, van 10 tot 13 november.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234