Dinsdag 27/10/2020

Sabbat in het Tourpeloton

‘Dit is een overbodige rit.’ Het waren woorden met hoog voorspellend gehalte van QuickStep-manager Patrick Lefevere, vrijdagochtend in het peloton. In de vooravond, meer dan 227 (te) lange kilometers later, bleek dat hij volkomen gelijk had. Een rit van absoluut niets, behalve een sprint die niet eens spannend was. Al van meters voor de aankomst had Mark Cavendish gewonnen spel. Na één spectaculaire ‘verliesrit’ (dat is een neologisme voor een vlakke sprintersrit die Cavendish níét wint) begint het nu al een beetje te vervelen. Gelukkig komen de bergen eraan. Of toch de bergjes.

Mark Cavendish wint weer: het enige lichtpunt in langste en saaiste rit van de Tour

Dat ‘the mates’ en ‘the team’ het zo goed met hem voorhebben. Dat hij het dit keer (weerom) netjes kon afmaken. Dat hij ploegmaat Maxime Monfort feliciteert met zijn pasgeboren dochtertje. Zo spits en gevat, zo ontroerend en oprecht Mark Cavendish na zijn eerste sprintzege in Montargis klonk, zo voorspelbaar, zo gevuld met clichés was zijn commentaar vrijdag. Een bolide op automatische piloot. Zoals hij ook de sprint won: de Columbiamachine ‘bolde’ weer, dus Cavendish won, voor Tyler Farrar, Alessandro Petacchi en Robbie McEwen. Dus toch een mooi lijstje geklopten, om tenminste iets positiefs over de rit te schrijven.

Mark Cavendish sprak woorden naar het evenbeeld van de hele etappe: overbodig, en om snel te vergeten. Zelfs op het podium deed hij al plichtplegerig. Er was wel een oprechte gulle lach - dat mag ook wel met twee sprintzeges op evenveel dagen - maar het podiumgedoe was van een voorspelbaarheid van heb ik je hier. Dezelfde renner als de voorbije dag(en) als ritwinnaar (Cavendish), als gele trui (Cancellara), als groene trui (Hushovd), als bollentrui (Pineau) en zelfs als witte trui voor beste jongere (Geraint).

Zelfs aan het kussen op het podium is voor de betrokkenen zichtbaar niets spannends meer: de renners kennen de missen, de missen weten welke renner er weer zal staan, smak-smak, hij zwaait en zij proberen hun sponsor te profileren. Want de ene miss is de andere niet. Die van bank Crédit Lyonnais, sponsor van de gele trui, zijn jong en mooi en worden geacht ‘frisse standing’ uit te ademen. Die van gokkantoor PMU zijn wat stouter, in het begin van de Tour misschien een tikje vulgair, maar dat is inmiddels wat bijgesteld naar boven. In het jargon van dit soort dames: ze zijn ‘gelift’. Hun boodschap: wie niet waagt, maakt geen kans. Die van PowerBar, sponsor van de prijs voor de ritwinnaar, zijn flinke dames met sportief-gezonde kuiten: zo actief dat ze niet zonder chocoladesupplement kunnen. Die van Carrefour (bergprijs) hebben een rood-wit kleedje en dito hoepelrok waarmee een deftig meisje niet over straat wil lopen. Het ding nodigt namelijk uit om ‘een Carrefourke te doen’: wip toch snel eens binnen, je weet niet welke voordelen je anders mist. Enzovoort.

Een ‘overgangsrit’, heet het in het wielerjargon. Vroeger kon een naamloze coureur in dit soort ritten uitgroeien tot een Renner. Ze waren de geliefkoosde prooi van mannen als Gerrie Knetemann, Ludo Peeters, Thierry Marie, Jacky Durand of Erik Dekker, of lang daarvoor figuren als Roger Hassenforder: slimme renners die sterk genoeg waren om de ploegen van sprinters te verschalken en op die manier de Tour de France op hun manier pit gaven, en karakter. Al moet gezegd dat die vlucht in de voorbije jaren van karakter veranderde. Het werd een etalage voor Franse renners, waar ze in de daluren van de koers ‘tegen goedkoop tarief’ wat reclame konden sprokkelen. En daarna deden de Fransen nog eens dik over het feit dat, geheel toevallig, uit een groep van vijf of zes altijd een van de aanwezige Fransen de ‘Prix de la Combativité’ kreeg. In het zéér landelijke Gueugnon was het weer van dat. Drie man weg - de Spanjaard Ruben Perez Moreno (Euskaltel), de Duitser Sebastian Lang (Omega Pharma-Lotto) en de Fransman Mathieu Perget (Caisse d’Epargne). Drie keer raden wie de prijs van de strijdlust kreeg? Juist.

Maar als ze goed wordt uitgevoerd, hoort de lange ontsnapping bij het ritueel van de Tour de France. Zo’n vlucht lijkt op het eerste gezicht vaak betekenisloos, journalisten schamperen er graag over, doen in het beste geval welwillend-begrijpend, maar stel maar eens voor dat er in die vlakke ritten helemaal géén vluchtpoging zou zijn. Dan spraken we schande over ‘renners die hun verantwoordelijkheid niet nemen’. Want zo zijn wij journalisten wel. Alsook jullie, het publiek.

Sommige ploegleiders en managers drijven dat cynisme nog een stuk verder. Johan Bruyneel (RadioShack) liet zich een van de vorige dagen ontvallen: “Ik snap eigenlijk niet dat er nog idioten gevonden worden voor zo’n nutteloze vlucht. Ze moeten toch weten dat ze geen kans op succes hebben. En het kost minstens drie dagen tijd om van die opntsnapping helemaal te recupereren.” Nochtans was Bruyneel in zijn dagen zelf een fraai rouleur en getalenteerd aanvaller. Zo was Bruyneel lange tijd houder van het record van de snelste Tourrit: in 1993 bleef hij in de rit Evreux-Amiens Mario Cipollini en de rest van het sprintende peloton toch 13 seconden voor, na een kilometerslange vlucht (én jacht) tegen een waanzinnige gemiddelde snelheid van 49,417 kilometer per uur.

Maar waarom staan er geen jonge Bruyneels of Knetemannen op?

Ten eerste: door die verdomde ‘oortjes’. Het stramien van de drie laatste vlakke ritten van deze Tour is daardoor quasi identiek. De sportdirecteurs zijn streng: ze houden de renners aan een drievoudige regel van tien. Eén: kort na kilometer nul (0!) mag een groepje renners gaan. Noteer het verkleinwoord. Nooit een groep. Een man of tien is al veel te veel. Een groep is immers minder controleerbaar dan een groepje en dus gevaarlijk: er kunnen te veel ploegen bij betrokken zijn, er zouden eens een paar sterke renners samen kunnen zitten. Mag niet gebeuren, vinden de tenoren in het peloton. Drie of vier renners is ideaal. Twee: drie of vier renners lopen uit, maar het is al een forse misrekening als de maximale voorsprong boven de tien minuten uitkomt. Ook dat gebeurt niet. Want zonder een echte ‘jacht’ te houden, worden die vluchters dan toch wel ingerekend. En drie: het liefst zo laat mogelijk. Het liefst eigenlijk in de laatste tien kilometer van de koers. Want dan is het peloton zo dicht bij de finish dat te veel ploegen er alle belang bij hebben niemand meer te laten vluchten.

Ten tweede: doordat de organisatoren gekozen hebben voor een spectaculaire start, en dat gekoppeld aan een loodzware slotweek. Die spectaculaire start hebben ze gekregen, en het peloton heeft dat betaald. Valpartijen in de proloog in Rotterdam (die later twee renners tot opgave dwongen), massale valpartijen tussen Rotterdam en Brussel, massale valpartijen tussen Brussel en Spa, en nog eens veel volk tegen de grond tussen Hoei en Arenberg. Dat houdt geen mens vol, zelfs geen renner.

Over de oorzaken van die valpartijen zijn er evenveel meningen als renners en ploegleiders. Maar de voornaamste is toch: ‘de Tour’. Die goddelijke, aanbeden, verheven, bevreesde, verachte, verraderlijke Ronde van Frankrijk. De Tour is haast groter dan het wielrennen zelf. Wat het WK is voor het voetbal, is de Tour voor het wielrennen: het nec plus ultra, daar waar sport soms legende wordt. En de sporters gedragen zich er zo naar. Ze rijden sneller en gaan bij gevaar minder snel in de remmen. En dus wordt er sneller gevallen. Levi Leipheimer (RadioShack) vertelde hoe die andere veteraan van vele veldslagen, Jens Voigt (Saxo), hem daarover aansprak. Volgens Voigt is het probleem, heel merkwaardig, “dat vele renners veel stuurvaardiger zijn. En daardoor riskeren ze meer, en durven ze voortdurend de hele breedte van de weg benutten. Maar als er dan iets gebeurt, is er geen mogelijkheid meer tot uitwijken.”

Ten derde: door de vermoeidheid. Zelfs in het begin van de Tour. Toch van deze editie. Niet alleen kondigden de organisatoren trots aan dat er in de eerste drie dagen respectievelijk wind, hellingen (en afdalingen, zo bleek) en kasseien bedwongen moeten worden. Bovendien waren de Tourritten (te) lang: Rotterdam-Brussel was 223,5 kilometer, Brussel-Spa 201 kilometer, Wanze-Arenberg 213 kilometer. Woensdag volgde wel een ‘ritje’ van 150 kilometer, maar donderdag was het weer 187 kilometer, en vrijdag dus voluit 227, de langste rit van de Tour. Ter vergelijking: de E3-Prijs Harelbeke, een serieuze koers van eerste categorie, zelfs halvelinge een klassieker, bedroeg dit jaar ook ‘maar’ 203 kilometer. Toch hebben ze daar meestal een fraai podium. Dit jaar won Fabian Cancellara voor Tom Boonen en Juan-Antonio Flecha. Maar de Tour de France vraagt dus elke dag van haar renners dat ze een wedstrijd met de lengte van een flinke Vlaamse wielerkoers rijden. (In zo’n koers kun je opgeven als je uitgeteld bent, of moe, om de volgende des te frisser te kunnen aangaan. In de Tour kan dat niet). En na de rit komen ze wél af met dopingcontroles, vanzelfsprekend. Want doping mag niet en is moreel fout.

En als zelfs de Almachtige God op de zevende dag rustte, althans volgens de Bijbel, waarom mogen de renners dat dan niet na zoveel felle inspanningen op een rij (een proloog en zes ritten)? Bij RadioShack, waar ze al wat ervaring hebben met het rijden van grote ronden, constateerde men toch nog altijd met enige verbazing dat de hitte in midden-Frankrijk deze dagen zo slopend is dat hun renners in de wedstrijd al snel één liter water drinken per halfuur dat ze koersen.

En ook al zijn ze moe en stilaan uitgeput, het blijft attent rijden en uitkijken. Op een paar kilometer voor de aankomst leek het alsof RadioShack een vriendendienst deed voor de sprintersploegen door ineens massaal voorin te rijden. Maar een vingerknip later was de helft van Contadors lichtblauwe Astanabrigade ook vooraan - de andere helft kwam op minuten binnen, zoals de voorbije ritten ook al gebeurde - en ineens ook toonde regenboogtrui Cadel Evans een staaltje van een kunst die hij alleen beheerst: hij sloop razendsnel naar voor. “We wisten dat er een bocht van negentig graden kwam, de wind stond juist, dus er zou een waaier van kunnen komen en daarom wilden wij voorin zitten. Maar de andere favorieten hadden blijkbaar precies dezelfde informatie als ons, dus we zaten allemaal samen vooraan, en er was te veel beschutting tegen de wind. Dus het werd niets.” Een van de talloze overbodige inspanningen die elke renner wil vermijden, maar die vaak toch geleverd worden.

En dus sloeg de vermoeidheid toe. Robbie McEwen werd na de finish aangelopen door een even arrogante als onvoorzichtige steward: hij smakte hard tegen de grond, moest zijn rug laten verzorgen - zoals dat in de Tour gaat: voor de tribune, in het zicht van publiek en camera’s en journalisten: trui uit, broek naar beneden en de dokter die ter plaatse de getaande doch geschaafde huid ontsmet, aan de grimas van McEwen te zien met een bijtend product. Een paar meter verder stonden de Spanjaard Carlos Barredo (QuickStep) en de Portugees Rui Alberto Costa (Caisse d’Epargne) als kwajongens met elkaar te vechten. Er werd zelfs met een wiel geslagen: dat lijkt amusant, maar is natuurlijk erg. Een bewijs dat velen nu al à la limite zitten.

En dan moeten de bergen nog komen. Vandaag zijn ze er al: de ‘bergjes’ van de Jura, een traditionele vingeroefening voor aanvallers die kunnen klimmen. Maar zondag wordt de eerste strijd verwacht op de eerste aankomst op een echte Alpencol, Morzine-Avoriaz. Al twijfelt iedereen of het échte duel daar al plaatsvindt. Armstrong: “De organisatoren hebben gekozen voor een slotweek waarin alles gebeurt. Ik denk dus dat in de Alpen afwachtend gereden zal worden.” Al is ook dat afwachten.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234