Dinsdag 21/09/2021

Ronquières 1972-2001Herinneringen op de helling

'... zien hoe een boot de lift neemt naar boven.' Toen Juf Irène was uitgesproken, sperden alle monden zich open. Eén lang 'oooh' kabbelde van bank tot bank. Iemand vroeg, om te lachen, of Het Hellend Vlak in de buurt lag van Het Ronde Vierkant misschien? Dat werd die avond dus honderd keer Ronquières schrijven. De spelling van de plaatsnaam en ook de schoolreis naar de scheepslift zou je sindsdien nooit meer vergeten. En ooit moest het ervan komen: dat je op een meidag in Braine-le-Comte naar van kleur verschoten wegwijzers zou zoeken en de weg inslaan naar dertig jaar geleden.

Marijke Libert Foto Gert Jochems

Waals-Brabant was een eind rijden voor dertig Oost-Vlaamse lagereschoolkinderen die hun zenuwen en hun blaas nog niet helemaal onder controle kregen. Sommigen hielden, van de spanning, hun maag niet in bedwang en dus ontsierden al ter hoogte van de ringweg rond Brussel hoopjes rivierzand de middengang in de tourbus van Scheldereizen.

Juffrouw Irène van de tweede graad, had schone onderbroekjes bij zich, een fles Spa-reine, toiletpapier en ook die overvolle witte emmer waarin een jolig strandschepje stond geplant. Alleen al een blik op dat emmertje zorgde ervoor dat iets zuurs tegen de binnenkant van de slokdarm aanschuurde en een weg naar buiten zocht.

Wat juffrouw Irène ook altijd bij zich had, was haar onfeilbare schoolmeesteressenverstand.

Juffrouw Irène... Tijdens uitstappen, natuurwandelingen of zelfs gewoon op de speelplaats liet ze geen vraag onbeantwoord, en meestal antwoordde ze zonder dat er vragen kwamen. Alles kende en beheerste ze. Naast bouwstijlen en het merk van afgevallen bladeren, beschreef ze ook de onnoemelijke dingen, zoals de vliesdunne dubbelvleugels van de libel of de duikvlucht van de sperwer. Geen leeuwerik die zich in haar en onze buurt ongemerkt richting dampkring tierelierde. Geen linde die de droge propellers uit zijn gebladerte schudde zonder dat zij het zag.

"Kijk", zei ze dan "hier kan je thee van maken om goed te slapen." Thuis at ze zelfgemaakte vlierbessenjam. Het was ook ergens goed voor, maar je kon van ons toen echt niet verlangen dat we alles wat zij daar kakelde voor de rest van ons leven bijhielden.

Eerlijk gezegd, juffrouw Irène maakte ons met al haar kennis en haar geestdriftige manier van mededelen een beetje bang. Urenlang sloten we bedeesd in haar voetsporen aan 'in rang': ijzig stil, kijkend naar de wereld die zich via haar aan ons vertoonde. Een klein universum liet zich door haar mond uitspreken, naamgeven, met klanken behangen.

Soms volstond voor ons alleen al de benoeming van de landschappen, de overwoekerde paden en de plaatsen die je in haar kielzog gebrandneteld bereikte: de Biestmolenlos, Zwadderkotmolen, Paardenstokbeek. Alleen al door de zangerige manier waarop zij die namen uitsprak, werd het alledaagse exotisch en de bodem waarop we leefden een beetje buitenland.

Het landschap rond de klas kreeg een dimensie die zonder haar kennisoverdracht wellicht enkel een decor was gebleven waarin kinderen zich van en naar school, van en naar huis begaven, op de fiets of met de benen. Zonder haar kennis hadden we geen herderstasjes gezien, geen boshyacinten, dotterbloemen of vliegenzwammen, geen wezenlijke verschillen tussen kikker en pad, geen pekkig kroos in de sloot, geen amfibieën die in het voorjaar voor onze ogen van gedaante veranderden.

Naarmate de kinderen groeiden en hun gezichtsveld breder werd, kleurde juf Irène ook verdere einders in, met behulp van fotoboeken, atlassen en gestippelde of gearceerde wandkaarten. Hoogtepunt van haar kennisoverdracht was het jaarlijkse practicum: de schooluitstap. Een paar dagen voor vertrek bracht dit haar in een zichtbare trance.

Bij die schoolreizen zouden de geografische namen die tijdens het jaar als puntdichten uit haar mond waren komen vallen, gestalte krijgen: het Heuvel- en het Meetjesland, Han en Coo, de Condroz, de Gileppe, de Borinage. En altijd weer zou de reële waarneming ons een beetje tegenstaan. Wat had thuis, in de klas, uit haar mond, alles zoveel mysterieuzer geklonken.

De opmerkelijkste mededeling van haar begon ergens begin mei van het jaar 1971 als volgt. "Het hellend vlak", zei ze op een ochtend na oefeningen over de tafel van negen, en dan "over twee weken te bezoeken". Aan de ouders zou tweehonderd frank worden gevraagd, aan ons vroeg ze een lunchpakket (zonder sinaasappels) mee te nemen en een plastiekzak om in over te geven.

"Het hellend vlak", zei ze na die huishoudelijke tips opnieuw en prikte een foto op het bord. Daarna dicteerde ze de naam van een niet uit te spreken en nog moeilijker te noteren Franstalig dorp: Ronquières. Een klasgenootje vroeg of we naar het buitenland gingen. Juf Irène heeft, herinner ik me nog, daarop niet eens gereageerd.

Twee weken later zijn we er dan maar heen gereden in een bus die op de godvergeten wegen tussen Halle en Braine-le-Comte bijna de sloot inreed en de hele reis vervaarlijk kreunde ergens in het midden. Onderweg had juf Irène naar hoppestruiken gewezen, de rassen van alle koeien in het Pajottenland benoemd, het verschil aangegeven tussen snel- en secundaire wegen, en bij het binnenrijden van nieuwe provincies uitgelegd waarom de namen op borden langs de weg waren doorstreept en met zwarte stift in een andere landstaal herschreven.

Hoe verder we Wallonië binnendrongen, hoe dieper we met de neus in leem-, klei- en zandgronden werden geduwd, of geattendeerd op het verval en debiet van voorbijstromende rivieren. Daarop dreven dan vrachtschepen vol bruinkool uit een Waalse put die juf Irène natuurlijk ook wist liggen. Ons werd gevraagd om alles te noteren, voor het opstel twee dagen later.

Slingerend kwamen we dichter bij ons doel. Een paar kilometer van Ronquières klonk een "ssst" van ergens vooraan. Juf Irène strekte haar arm en wees landinwaarts. "Het hellend vlak" kraakte en floot het door de busmicrofoon, die zich toen nog kennelijk in een testfase bevond.

Iedereen stopte met schrijven. Veertig monden hingen andermaal wijd open. Eindelijk. Als een lange betonnen pijl die door God uit de hemel in het Waalse landschap was geschoten, stond daar die gigantisch hoge toren. Ernaast liep een hellende landingsbaan waarop in bakken vol water boten naar 67 meter hoger schoven. Rond de toren groeiden enkel gras en bomen. Geen mens ontwaarden we, geen huis, zelfs geen geluid.

Enkel het voertuig van Scheldereizen rommelde en reutelde dat het een aard had, tot het op de parkeerplaats van Ronquières na een langgerekte rochel schoksgewijs tot stilstand kwam.

Wat daarna gebeurde, ben ik eerlijk gezegd vergeten. De lift voerde de klas van Nederzwalm in twee shifts naar de hoge uitkijktoren. Daar, in de nok van dat spiksplinternieuwe supersonische gedrocht, met uitzicht op het hellend vlak klonken juf Irènes woorden zeer vreemd in mijn hoofd. Hele woorden en halve zinnen fladderden rond om in een ijle leegte ergens buiten mij uit te sterven. In flarden hoorde ik nog "Henegouws plateau", "zware industrie tussen Brussel en Charleroi", "machinekamer", "laadvermogen van 1.350 ton".

Een kwartier later ontwaakte ik beneden, in de kriebelige fauteuils van de autocar van Scheldereizen, met de vriendelijke chauffeur langszij die iets meldde over "hoogtevrees" en mompelde dat hij dat ook had en dat ze hem nooit zouden meekrijgen, daar naar boven.

Juffrouw Irène stak bij de terugreis een klontje Tiense suiker onder mijn tong. Ik moest vooraan gaan zitten. Het Hellend Vlak zou altijd een raadsel blijven.

Het weggetje tussen Braine-le-Comte en Het Hellend Vlak is zo smal als dat in mijn herinnering een kleine dertig jaar geleden. De hobbelroute die langs het kanaal richting toren voert, teistert schokdempers en autovering. Nog altijd is het geluidsdicht in de buurt van Ronquières, zelfs het gesis en geronk van de bussen ontbreekt. De picknickbanken en de vuilnismanden zijn leeg. Geen één auto op de parkeerplaatsen. Waar vroeger de touroperators groepen schoolkinderen, toeristen uit binnen- en buitenland uit hun bussen gooiden, staan nu vijftien mobilhomes en een paar beige mercedessen met Duitse nummerplaat. Ongewassen kinderen rollen er autobanden naar elkaar. Ergens in het midden staat een grote barbecue uit te doven. De parkeerplaats van Ronquières werd tot standplaats voor een groep zigeuners.

Onder de pijlers van het prestigieuze gebouw dat in zijn nok de scheepslift commandeert, doet een grote groene container dienst als cafetaria.

Voor de ramen krullen reclamefolders en vergeelde foto's op. Binnen slurpt de uitbater zich door zijn voorraad filterkoffie heen. In de hal loopt de kaartjesverkoper rustig heen en weer. Een gids wacht even gelaten voor de open deuren van de lift.

We kunnen dus kort zijn. Veel valt er in Ronquières die dag niet te zien. En nog minder valt er te beleven. De lift naar boven nemen we dus niet, met het groeien en het ouder worden is helaas ook de hoogtevrees gebleven.

Die dinsdag lijkt de lift overigens nog niet te veel bezoekers naar de machinekamer te hebben versleept. Ook de enorme waterbakken buiten blijven voorlopig zonder vracht.

"Vandaag geen boten, nee", deelt de kaartjesverkoper mee. "Maar sommige dagen hebben we toch nog zo'n tien trajecten, als je dan komt kan je nog iets meemaken." Het lijkt meer op zich excuseren dan uitleg geven.

"En als je wilt kun je met een gehuurde schoolboot in de bak mee naar boven", probeert de bereidwillige man nog. Maar die dag, hoeft het gezegd, is er geen boot geboekt die kinderen op schoolreis van laag naar hoger sleept.

"Tja", zucht de man "waar het aan ligt? De mensen trekken nu naar de nieuwe scheepslift in Strépy-Thieu. Dat is super. Die kan in één beweging het hoogteverschil overbruggen. Het is de modernste scheepvaartverbinding in heel Europa."

"Een geduchte concurrent voor Ronquières?" vragen we.

"Mais non", lacht de werkloze kaartjesverkoper "geen concurrent. Strépy-Thieu et Ronquières c'est de la même maison." Buiten tegen de muur zien we op een bronzen plaat met gehavende haan wat dat huis is: la Communauté française.

De man geeft geheel gratis zijn laatste tip mee: "We hebben hier op de verdieping een multimediaproject, het circuit spectacle 'een boot, een leven'. Tot vijf uur te bezichtigen." Hoeveel groepen daarvoor vandaag hadden ingeschreven?

Juist. Niet één. Maar voor morgen, vernemen we, hebben drie groepen een rondleiding gereserveerd. "Le troisième âge est très intéressé", voegt hij eraan toe.

Van een kale uitstap thuisgekomen, zo kun je dit wel noemen. Weer een verre reis ondernomen, weer niets gezien. Wat achterblijft, vermoed ik, is een geografisch puntdicht dat andermaal bij reële waarneming tegenstaat. Hoeveel mooier klinkt de naam op zich - het hellend vlak - nog altijd en hoe mysterieus blijft het in de herinnering uit de mond van juffrouw Irène klinken.

"Nee", zucht een medewerker van de site www.schoolreis.be, "Ronquières doet al járen niet meer mee. Wat moet je daar gaan zoeken? De scholen maken nu natuurreizen en doen af en toe ook een attractiepark aan, ze gaan een paar dagen met de klas naar de kinderboerderij, de bossen of naar zee."

Benieuwd wat juf Irène in het Zwin, de vlindertuin, de Kempense hei en Planckendael van belangwekkende biotopen zou vinden.

'Als een lange betonnen pijl die door God uit de hemel in het Waalse landschap was geschoten, stond daar die gigantisch hoge toren'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234