Vrijdag 15/01/2021

Rock

Sam Phillips

Mevrouw Burnett gaat stekkerloos

De Amerikaanse zangeres Sam Phillips, niet te verwarren met de gelijknamige oprichter van het Sun-label, is, zeker in Europa, nog altijd een goedbewaard geheim. Daar hebben zelfs vier uitstekende cd's voor Virgin niets aan kunnen veranderen. Haar vorige langspeler, Omnipop uit 1996, was meticuleus geproducet en stond vol licht psychedelische, naar The Beatles overhellende popmelodieën, maar met Fan Dance gooit Phillips het over een heel andere boeg. Het is een sobere, afgekloven unplugged-plaat, waarmee ze debuteert op het befaamde Nonesuch-label. De liedjes klinken intiem en eenvoudig, waardoor je het gevoel krijgt dat ze in een woonkamer zijn opgenomen. Die spaarzame aankleding en organische instrumentatie passen uitstekend bij het materiaal, dat niet alleen van elegantie maar ook van de nodige diepgang getuigt.

Sam Phillips heeft een hese, lethargische stem die sensualiteit uitstraalt en je gevoelsmatig helemaal inpakt. In dat opzicht heeft de 39-jarige zangeres wel iets van Marianne Faithfull: in een nummer als 'Edge of the World' hoor je in ieder geval vage echo's van Kurt Weill en van vooroorlogs Berlijns cabaret. De productie, van Phillips' echtgenoot T Bone Burnett, is deze keer erg rudimentair gehouden. Er werd gekozen voor een live-in-de-studio-aanpak, al bevatten de songs nog altijd vreemde kronkels die de luisteraar soms uit zijn evenwicht brengen. De titeltrack van de plaat baadt in Japanse sferen, 'Soul Eclipse' wordt helemaal toegedekt met de bevreemdende klanken van een optigan en in twee andere nummers, 'Five Colors' en 'Love is Everywhere I Go', staat niemand minder dan Gillian Welch in voor de tweede stem. Tijdens het fraaie 'Wasting My Time' laat Sam Phillips zich enkel begeleiden door drie cello's, gearrangeerd door de grote Van Dyke Parks en elders dragen hoge gasten zoals gitarist Marc Ribot en drummer Jim Keltner hun steentje bij. Fan Dance is een even beknopte als verleidelijke plaat van een zangeres die, na ruim vijf jaar stilte, aan een nieuwe fase in haar carrière is begonnen. Haar negeren zou zeer onverstandig zijn.

Sam Phillips, Fan Dance, Nonesuch/Warner.

Freedy Johnston

Echo's uit het gitaarpopparadijs

Toen Freedy Johnston in 1990 debuteerde met The Trouble Tree, kon iedereen die oren had meteen aanvoelen dat de singer-songwriter uit Kingsley, Kansas tot grootse dingen in staat was. Met Can You Fly en This Perfect World loste hij die hoge verwachtingen ook moeiteloos in: Rolling Stone bombardeerde hem tot liedjesschrijver van het jaar en gaf hem een plekje op de eretribune, naast Neil Young, Bob Dylan en Elvis Costello. Daarna werd zijn werk iets minder consistent en als gevolg van een doodzwijgcampagne van zijn platenmaatschappij verdween de artiest, althans in Europa, uit de publieke belangstelling. Never Home en Blue Days Black Nights gingen roemloos ten onder en het is maar de vraag of het nieuwe Right Between the Promises het tij nog kan doen keren.

Johnston schrijft nog altijd onweerstaanbare gitaarpopmelodieën die smaakvol worden aangekleed en voorzien zijn van teksten die doorgaans in het teken staan van relationele wrijvingen. In het verleden werkte de artiest met gerenommeerde producers als Butch Vig, Danny Korchmar en T Bone Burnett, maar deze keer mocht zijn gitarist Cameron Greider de klus klaren. De nieuwe cd werd opgenomen in een huisstudio in Madison, met oude bekenden als Graham Maby op bas en Butch Vig op drums en het resultaat klinkt tamelijk luchtig en gevarieerd. In die zin is Right Between the Promises de absolute tegenpool van Blue Days Black Nights, al zijn tristesse en melancholie ook nu nooit veraf. 'Radio For Heartache', een demo waarop Freedy Johnston zichzelf begeleidt op banjo, is bijvoorbeeld het type song waar je steevast koude rillingen van krijgt, en ook in ballads als 'That's Alright With Me', 'Arriving on a Train' en 'In My Dream' hoor je een bedachtzame en introspectieve zanger.

Daartegenover staan sprankelende, sierlijk opkrullende popliedjes zoals 'Love Grows' (in 1970 al een hit voor Edison Lighthouse), 'Anyone' en 'Waste Your Time', die geen enkel zichzelf respecterend radiostation aan zich voorbij mag laten gaan. 'Save Yourself, City Girl' houdt dan het midden tussen Roger Millers 'King of the Road' en de zigeunerjazz van Django Reinhardt, 'Back to My Machine' is vastgeklonken aan een potige bluesriff.

Het niveau van zijn eerste drie cd's zal Freedy Johnston wellicht nooit meer halen. Wie echter houdt van tintelende, bitterzoete pop met een gezonde dosis mysterie, mag Right Between the Promises onder geen beding in het winkelrek laten staan, al zult u wellicht even de Sherlock Holmes in u moeten aanspreken. De brave lieden van Warner hebben immers beslist dat een kleine garnaal als Johnston geen officiële Belgische release meer waard is. Aan u om te bewijzen dat ze ongelijk hebben.

Freedy Johnston, Right Between the Promises, Elektra/Warner import.

Motorpsycho

Parafrase of diefstal?

De tijd dat Noorwegen gegarandeerd het clichébeeld opriep van fjorden, vikings en trollen behoort voorgoed tot het verleden. Dank zij Madrugada, Röyksopp, Bel Canto en Biosphere weten we onderhand dat er ook uitstekende muziek wordt gemaakt. De Noorse band bij uitstek blijft natuurlijk Motorpsycho, een powertrio dat al meer dan een decennium spannende plaatjes maakt waarop geen enkel etiket meer blijft plakken.

De groep vertrok bij hardcore en metal, exploreerde het niemandsland tussen Sonic Youth en Dinosaur Jr. en bleef onverdroten haar muzikale horizon verbreden, wat twee jaar geleden resulteerde in het verrassende Let Them Eat Cake. Op die plaat ruilde Motorpsycho de tyfusherrie van weleer in voor transparante popmelodieën met verfijnde en veelkleurige arrangementen. Ieder nummer werd een stijloefening, een poging om een specifiek idioom onder de knie te krijgen en met Phanerothyme gaat het drietal verder op de ingeslagen weg.

Ook nu weer zorgt extrakracht Bårt Slagsvold voor sierlijke orkestraties, met veel aandacht voor strijkers en blazers. Zoals gewoonlijk zijn de meeste songs ontsproten aan het brein van zanger-bassist Bent Saether, maar zo te horen kijkt Motorpsycho, in formeel opzicht, steeds vaker en nadrukkelijker achterom. De titel Phanerothyme, een neologisme bedacht door Aldous Huxley, spreekt in dat verband boekdelen. De Britse schrijver werkte tijdens de jaren vijftig, ten dienste van de CIA, mee aan lsd-experimenten en gebruikte het woord om zijn psychedelische ervaringen op een neutrale manier te omschrijven. Motorpsycho zoekt tegenwoordig meer dan ooit inspiratie bij de westcoastpop uit de sixties, en ook die was behoorlijk schatplichtig aan geestesverruimende middelen.

Naar de nummers op hun nieuwe plaat te oordelen hebben Saether en zijn vrienden aandachtig naar Love en The Beach Boys geluisterd (zie: 'Landslide'). In 'Going to California' citeren ze zelfs zo letterlijk uit 'Light My Fire' en 'Riders on the Storm' van The Doors dat je bijna het woord plagiaat in de mond zou nemen. In 'B.S.' ontstaat een merkwaardige kruising van Motown met Bacharach. Elders hoor je verwijzingen naar Nick Drake, de vroege Yes en de barockste momenten van Deep Purple.

Begrijp ons vooral niet verkeerd: Phanerothyme is een prima plaat en nummers als 'For Free', 'The Slow Phaseout' en 'Painting the Night Unreal' zijn knap geconstrueerde mini-opussen. Alleen hadden we het geluid liever wat minder anachronistisch en de songs wat minder parafraserend gehad. Maar misschien hebben we er wel niets van begrepen en slaagt Motorpsycho er op vrijdag 28 september in de Brusselse AB in ons ongelijk te bewijzen. We wachten in spanning.

Motorpsycho, Phanerothyme, Stickman/Bang!

Luke Haines

Dood aan de popcultuur

Als spilfiguur van The Auteurs, Baader-Meinhof en Black Box Recorder was Luke Haines verantwoordelijk voor enkele van de beste (en venijnigste) popplaten die het jongste decennium vanuit Engeland op de wereld werden afgevuurd. Haines is in meer dan één opzicht een radicaal: een man die zijn kritiek op de Britse samenleving niet onder stoelen of banken steekt en zijn ideeën ventileert in malicieuze songs die onveranderlijk in buskruit en vitriool zijn gedrenkt.

Verontwaardiging is blijkbaar een goede motor voor zijn creativiteit, want in drie maanden tijd bracht hij onder zijn eigen naam twee volwaardige langspelers uit. De eerste, Christie Malry's Own Double Entry, is de soundtrack bij een film van Nick Moran naar een roman van B.S. Johnson. Behalve songs die niet zouden hebben misstaan in de Auteurs-catalogus, komt Haines hier ook op de proppen met klassiekerige instrumentals en bedient hij zich van de engelenstemmen van het Winchester Cathedral Choir. In zwartgallige maar ijzersterke liedjes als 'How to Hate the Working Classes' en 'England, Scotland & Wales' weet hij akoestische en elektronische instrumenten harmonieus met elkaar te versmelten, maar het opvallendst is toch de zeven minuten durende dronerockversie van Nick Lowes 'I Love the Sound of Breaking Glass': alsof Haines een interimbaantje heeft aangenomen bij Spiritualized of My Bloody Valentine.

Het scharnier tussen Christie Malry en The Oliver Twist Manifesto is 'Discomania', een giftig nummer dat op beide platen voorkomt. Oliver Twist, waarop Luke Haines zelf nagenoeg alle instrumenten bespeelt, draagt als ondertitel What's wrong with popular culture? Samen vormen de songs een soort manifest waarin de artiest, middels allerlei verwijzingen naar kunstgeschiedenis en politiek, zijn visie op de popcultuur uiteenzet.

Een pittig detail in dat verband is dat Haines begin juni opriep tot een algemene staking van artiesten, zaaleigenaars, concertorganisatoren, platenhandelaars en programmamakers tegen alles wat met popmuziek te maken heeft en aandrong op een zeven dagen durende mediastilte. Dat deed hij niet alleen om de machinerieën waarvan de muziekindustrie zich bedient te ontmantelen, maar ook om het publiek aan het denken te zetten over massaconsumptie van cultuur en de wenselijkheid ervan.

Zelf is Haines alvast niet vies van slogans. 'Art will save the world', luidde het op het eerste deel van zijn tweeluik. Op het tweede schijfje staat dan weer in grote letters: 'This is not entertainment.' De ironie is natuurlijk dat schitterende songs als 'Death of Sarah Lucas', 'Christ' of 'England vs. America' net wel superieure vormen van amusement zijn. Waar de meeste popsterren hun publiek slechts middelen tot escapisme aanreiken, daagt Luke Haines de luisteraar consequent uit met intelligente, gedachteprikkelende hersenspinsels. En in een wereld die al oververzadigd is met dwaze liefdesliedjes is het uiteraard een verademing dat eindelijk nog eens zo'n cynicus de knuppel in het hoenderhok gooit.

Luke Haines, Christie Malry's Own Double Entry, Hut/Virgin.

Luke Haines, The Oliver Twist Manifesto, Hut/Virgin.

The Reindeer Section

Een supergroep van underdogs

The Reindeer Section? Nooit van gehoord. Toch gaat het om een soort supergroep, samengesteld uit leden van enkele van de beste bands uit Glasgow. Het project is een initiatief van Gary Lightbody, de zanger van het Noord-Ierse Snowpatrol, die naar zijn eigen zeggen alle veertien songs in één dag op papier zette en ze vervolgens inblikte met muzikanten van Arab Strap, Mogwai, Belle & Sebastian, Astrid, Eva, Mull Historical Society, V-Twin en Hercules.

De meeste tracks op Y'All Get Scared Now, Ya Hear! zijn ingetogen lovesongs zoals je die ook op de platen van Spain of Red House Painters aantreft. The Reindeer Secton schildert met warme sepiatinten, bestrijkt de wereld van het innerlijke en bewandelt een middenweg tussen dromerig en lethargisch. De melancholische gitaarsongs van Lightbody worden versierd met viool, piano, trompet, harmonica, percussie en allerlei elektronische snufjes en dat leidt vaak tot prachtige resultaten. Maar om te vermijden dat u voortijdig indommelt, brengen de rendieren helemaal naar het einde toe toch nog een stoorzender in stelling. Niettemin: een mooi fluisterplaatje dat zelfs de meest verdoken muurbloem prompt tot wasdom doet komen.

The Reindeer Section, Y'All Get Scared Now, Ya Hear!, Bright Star/PIAS.

Dirk Steenhaut

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234