Zondag 18/04/2021

Rock

Mystieke extase

De Pakistaanse soefizanger Nusrat Fateh Ali Khan stond tijdens zijn leven bekend als de voornaamste vertegenwoordiger van de qawwalimuziek. Zijn songs, die grotendeels berustten op improvisatie, waren eigenlijk gebeden, gericht aan Allah, maar Nusrats religieuze devotie belette hem niet samen te werken met westerse popsterren zoals Peter Gabriel of Eddie Vedder. Toen de man in de lente van 1997 op 49-jarige leeftijd overleed, verdween dan ook een grote ambassadeur van wat we tijdens het voorbije decennium wereldmuziek waren gaan noemen.

Het heeft even geduurd, maar dankzij de toewijding van producer Rick Rubin zijn de allerlaatste studio-opnamen van Nusrat Fateh Ali Khan nu eindelijk op cd verkrijgbaar. The Final Studio Recordings bevat acht lange stukken, gespreid over twee schijfjes, die samen goed zijn voor meer dan twee uur muziek. Het twaalfkoppige ensemble bedient zich uitsluitend van harmoniumdrones, tabla's en stemmen, waarbij vooral de vocale duetten tussen Nusrat en diens neef Rahat Fateh Ali Khan een diepe indruk maken. De opbouw van de composities is even complex als ondoorgrondelijk: wel hoor je hoe er in de repetitieve melodieën geleidelijke verschuivingen optreden en hoe de zangers al improviserend een climax bereiken. De woorden geven uiting aan hun geloof en passie, de bezwerende ritmen vormen de toegangspoort tot de mystieke extase. Maar je hoeft Nusrats gezangen niet noodzakelijk te begrijpen om er door te worden aangegrepen. Want ook al houd je er een andere levensfilosofie op na, de emoties van deze qawallimeesters zijn wel degelijk universeel.

Nusrat Fateh Ali Khan, The Final Studio Recordings, American/Sony

Joe Henry

De valkuilen van de liefde

Toen hij in 1985 debuteerde met Talk of Heaven, viel Joe Henry nog in te delen bij de door folk en country aangestoken singer-songwriterliga. Maar zestien jaar later valt de man niet langer in een herkenbaar stilistisch hokje onder te brengen. Henry laat zich niet inkapselen door de verwachtingen van zijn publiek: op zijn vorige cd, het meesterlijke Fuse, was hij volop in de weer met loops, beats en samples en ook op zijn nieuwe plaat kneedt hij weer weinig voor de hand liggende instrumentaties en klankkleuren tot een uniek geluid.

Scar is het werk van een superieure collageartiest, die meer en meer aanleunt bij jazz en blues, maar aan die genres ingrediënten toevoegt uit de Argentijnse tango, Braziliaanse funk of Slavische folk. Daartoe laat hij zich begeleiden door klassemuzikanten zoals altsaxofonist Ornette Coleman, pianist Brad Meldhau, gitarist Marc Ribot en bassiste Me'Shell Ndegéocello. En hoewel Joe Henry's experimenten minder ver gaan dan die van Tom Waits, bestaat er tussen beide artiesten een onmiskenbare verwantschap.

Henry is een trefzekere liedjesschrijver, die op Scar de vele valkuilen van de liefde in kaart brengt en en passant de schrammen en builen telt die hij tijdens zijn exploraties heeft opgelopen. Zijn gegroefde stem klinkt vermoeid en een beetje lethargisch, alsof het vier uur in de ochtend is en de artiest zopas op de stoep van een of andere gore tent uit een dronkemansroes is ontwaakt en vaststelt dat zijn geliefde door zijn beste vriend is ingepikt. Maar Joe Henry doet aan kunst, niet aan zelfbeklag: songtitels als 'Richard Pryor Addresses A Tearful Nation' of 'Nico Last One Small Buddha' zijn dan ook haast even beeldend en enigmatisch als een schilderij van Picasso.

Onlangs deed Henry aan schoonzus Madonna de tekst van 'Don't Tell Me' cadeau, maar bij nader inzien vond hij hem te goed er zelf geen gebruik van te maken. Wel bedacht hij er andere muziek bij, wat resulteerde in het druilerige 'Stop'. 'Rough & Tumble' drijft op een funky groove, het akoestische 'Struck' wordt bijgekleurd met violen en blazers en 'Cold Enough to Cross' klinkt als een ouderwetse ballad van het type waarop Randy Newman al jaren het patent heeft. Scar is tegelijk een romantische en een melancholische plaat: avontuurlijk maar toegankelijk. 2001 heeft er een hoogtepunt bij.

Joe Henry, Scar, Mammoth/Edel

Mark Lanegan

Folk- en bluestraditie opgewarmd

Jarenlang stond Mark Lanegan aan het hoofd van Screaming Trees, een van die grungebands uit Seattle die wel werden gerespecteerd door de critici, maar die het qua populariteit finaal moesten afleggen tegen mediatiekere groepen zoals Nirvana en Pearl Jam. Lanegan is inmiddels al een poosje solo actief en dat heeft tot dusver vijf uitstekende langspelers opgeleverd, die aanmerkelijk minder volumineus klinken dan de platen van zijn voormalige band. De zanger verdiepte zich de jongste jaren in de rijke Amerikaanse folk- en bluestraditie en dat heeft duidelijk sporen nagelaten in zijn werk. Daarin ligt de nadruk tegenwoordig meer dan ooit op akoestische instrumenten en op melodieuze, contemplatieve liedjes, die op Field Songs nauwer aansluiten bij het werk van, pakweg, Steve Earle, dan bij dat van Black Sabbath.

Mark Lanegan heeft een lichtjes schrapende, slepende stem waarmee hij nummers als 'No Easy Action', 'Miracle' of 'Blues for D' in een oogwenk tot leven kan brengen. 's Mans muziek, ingeblikt met oude vrienden als Chris Goss (Masters of Reality), Mike Johnson (ex-Dinosaur Jr), Ben Shepherd (Soundgarden) en Bill Rieflin (Ministry), is een natuurgetrouwe reflectie van de werkelijkheid: in zijn songs valt dus meer regen dan zon te bespeuren, en meer sjagrijn dan euforie. Toch slaagt Lanegan erin zijn teleurstellingen in pure schoonheid om te zetten. Met 'Kimiko's Dream House' bevat de cd zelfs een song die hij schreef met de betreurde Jeffrey Lee Pierce. Om kort te gaan: Field Songs is een sfeerrijk werkstuk van een natuurtalent.

Mark Lanegan, Field Songs, Beggars Banquet/V2

Girls, Boys & Kojak

Voor bij de avondschemering

De Amerikaanse formatie Girls Against Boys is afkomstig uit de hardcorescene van Washington DC, die ook bands als Fugazi en Bad Brains heeft voortgebracht. Sinds de vroege jaren negentig koppelt ze overspannen gitaarrock, in de trant van The Fall, met de donkerste vorm van industriële disco en wellicht is het daarom dat het gezelschap werd aangezocht om de soundtrack te bedenken bij Series 7, een film over een fictieve 'reality show' op de televisie. In The Contenders krijgen de vijf deelnemers elk een pistool en een cameraploeg tot hun beschikking. De opdracht luidt: hun rivalen-medespelers zo snel mogelijk uit te roeien. De laatste overlevende wordt dan prompt tot winnaar uitgeroepen.

De in dit geval voornamelijk instrumentale muziek van Girls Against Boys blijkt uitstekend bij het gegeven te passen: ze roept spanning op en creëert een broeierige sfeer. Maar met 'One Dose of Truth', een stevige rocksong met catchy melodie, die speciaal voor de eindgeneriek werd geschreven, hebben de Girls inmiddels ook een heuse radiohit te pakken. Behalve de stuwende, pulserende bijdragen van de groep zelf, bevat de cd ook nog een aantal tracks van anderen, met 'Love Will Tear Us Apart' van Joy Division als bekendste voorbeeld. Dit is muziek die ook zonder beelden moeiteloos overeind blijft.

Twee leden van Girls Against Boys, zanger-gitarist Scott McCloud en bassist Johnny Temple, zijn ook actief bij New Wet Kojak, een nevenproject dat in de loop der jaren almaar belangrijker is geworden. De muziek van Kojak (dit weekeinde te zien in Dour, op Rock Herk en op Cactus in Brugge) klinkt, door toedoen van een saxofonist, rijker, jazzier en sexier en doet af en toe een beetje denken aan die van de betreurde Morphine. Na drie puike langspelers komt de groep nu op de proppen met een vijf tracks tellende ep, die alweer de atmosfeer van kille, natgeregende straten oproept. 'Do the Math' deelt zijn baslijn met 'Our Lips Are Sealed van The Go Go's; 'Sophia Loren' is een in feedback gedrenkte ode aan een Italiaanse actrice en 'Year of the Sheep' sluipt je oor binnen als een roofdier dat op het punt staat zijn prooi een klauw in de rug te planten. Geloopte strijkers, wah wah-gitaren, opspattende synths en een stem die onder de kalmeermiddelen lijkt te zitten: New Wet Kojak maakt muziek die perfect past bij de avondschemering.

Girls Against Boys, Series 7: Original Soundtrack, Koch New Wet Kojak, No 4 EP, konkurrel

Bonny Billy

Hartzeer en passie

Will Oldham, de man met de vele pseudoniemen, houdt niet van stilzitten. Zijn jongste, als Bonnie 'Prince' Billy uitgebrachte cd Ease Down the Road ligt amper enkele maanden in de winkel, of daar komt hij alweer aanzetten met de mini-cd More Revery (speelduur: een kwartier), waarop hij, samen met een patente begeleidingsgroep, zes covers uit zijn hoed tovert. Dit keer noemt de Paleiswachter zich kortweg Bonny Billy, een naam die vorig jaar ook al op Get on Jolly prijkte. In muzikaal opzicht is er echter weinig veranderd: de muziek klinkt hooguit een beetje luider, sneller en steviger dan we van Oldham gewend zijn.

Het gekozen materiaal is vrij obscuur en wijst andermaal op 's mans eclectische smaak. Maar of hij nu songs speelt uit de seventies of de nineties, voor Bonny Billy maakt het weinig verschil: de liedjes van John Phillips, PJ Harvey, Bill Withers, The Renderers, John Holt en Tim McGraw klinken een voor een alsof ze uit Oldhams eigen koker afkomstig zijn. Bovendien handelen ze allemaal over hartzeer en passie en horen ze dus op een of andere manier samen. Een vrolijke Frans zal Will Oldham wel nooit worden, maar zijn doodsdrift lijkt op More Revery toch een beetje getemperd. Al bij al dus een positief plaatje.

Bonny Billy, More Revery, Temporary Residence/Konkurrent

Dirk Steenhaut

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234