Maandag 25/01/2021

Rock

The Beta Band

Folkhop op zijn Gregoriaans

Vergeet Oasis, Travis of The Stereophonics. Wie echt interessante Britse rockbands wil horen, doet er veel beter aan zich in zijn stulp terug te trekken met een stapeltje platen van Mogwai, Radiohead of The Beta Band. Laatstgenoemd kwartet debuteerde twee jaar geleden, na drie veelbelovende ep's, met een titelloze langspeler die zoveel ideeën bevatte dat de muziek er haast door werd verstikt. Zanger Steve Mason en zijn posthippies probeerden toen nog iets te veel te bewijzen en sneden, in hun verregaande experimenteerdrift, zichzelf af en toe de pas af. Een beginnersfoutje, blijkt nu: opvolger Hot Shots II, genoemd naar een film met Charlie Sheen, klinkt al een stuk coherenter, zonder dat The Beta Band daarom zijn tegendraadsheid heeft opgegeven.

De groep maakt dezer dagen pastorale, naar de sixties verwijzende folkpop met veel akoestische gitaren, waar bizarre elektronische geluidjes, hiphop- en technobeats en psychedelische melodieën worden doorgeroerd. De meerstemmige, canonachtige samenzang lijkt haar zelfs te zijn ingefluisterd door Gregoriaanse monniken. Door en door Engelse muziek dus, waarin de eenvoud primeert maar ook ruimte is voor onweerstaanbare grooves.

Dit keer werkte The Beta Band met Colin 'C-Swing' Emmanuel, een heuse r&b-producer die onder anderen met Jamelia en Beverley Knight heeft gewerkt. De man staat in voor een warm en helder klankbeeld, maar heeft de lo-fi-trekjes van weleer intact gelaten. In het verleden sampleden de Beta's al Bonnie Tyler, in 'Squares', het openingsnummer van Hot Shots II gebruiken ze een stukje uit 'Daydream', een hit uit 1968 van de Belgische Wallace Collection. Helaas bedienen ze zich van de versie van The Gunter Kallman Chorus, die onlangs ook al op een plaat van I Monster opdook. Andere hoogtepunten zijn 'Gone', dat versierd is met fraai gitaar- en pianospel, 'Quiet', waarin vroege Pink Floyd wordt gecombineerd met een dancebeat, en de single 'Broke', waarin zowaar twostep- en dancehall-componenten verborgen zitten. 'Eclipse', de afsluiter, gaat dan weer over het contrast tussen mensen die met vragen zitten en zij die de antwoorden hebben.

The Beta Band klinkt op Hot Shots II organischer en toegankelijker dan ooit. Maar laat je niet misleiden: onder de oppervlakte zitten nog steeds een hoop venijnige weerhaakjes verborgen.

The Beta Band, Hot Shots II, Regal/EMI.

Perry Farrell

Hoofd in de wolken

Nu Perry Farrell deze zomer weer op tournee gaat met zijn vroegere band Jane's Addiction, is het moment misschien niet zo goed gekozen, maar de man die we ook kennen als het brein achter Porno For Pyros en het rondtrekkende Lollapalooza-festival, brengt dezer dagen zijn eerste soloplaat uit. Song Yet to Be Sung is een songcyclus die geïnspireerd is door de komst van het nieuwe millennium en in 1999 al een paar keer live werd uitgevoerd. Het is een optimistisch werk, dat blijk geeft van geloof in de toekomst, maar met zijn posthippie-ethiek en hang naar spiritualiteit toch ook een beetje zweverig overkomt.

Als muzikant legt Farrell nog steeds de nodige verbeelding aan de dag. Alleen is zijn werk, zeker in compositorisch opzicht, lang niet altijd even trefzeker. Soms klinken zijn psychedelische uitspattingen een tikje gedateerd en gaan zijn songs gebukt onder een dikke laag bombast. Anderzijds blijft Perry Farrell een eclecticus die exotische instrumentencombinaties niet schuwt en daardoor hybride stijlen ontwikkelt die de luisteraar meer dan eens de oren doen spitsen.

'Happy Birthday Jubilee' is een triomfantelijke rocksong die zich voortbeweegt op een ritme dat je veeleer op een drum'n'bass-plaat zou verwachten, 'King Z' koppelt een reggaeritme aan Egyptische strijkers en het dubby 'Admit I', waarin een harmonica in de clinch gaat met funky blazers, herinnert aan de hoogdagen van The Clash. 'Nua Nua' (Samoaans voor regenboog) is pure world beat, terwijl Farrell zich in 'Our Song' en de titeltrack van zijn meest poppy zijde laat horen.

Voor Song Yet to Be Sung heeft de zanger zich omringd met een hele stoet producers en gastmuzikanten, als daar zijn Marius DeVries, Mad Professor, Jon Brion, Flea van de Chili Peppers en collega's uit zijn vroegere bands zoals gitarist Dave Navarro, drummer Stephen Perkins en bassist Martyn LeNoble. Het resultaat is een gevarieerde plaat waarop organisch en elektronisch, lichaam en geest, ritme en melodie nagenoeg perfect in evenwicht zijn. Echt iets voor mensen die permanent met hun hoofd in de wolken leven.

Perry Farrell, Song Yet to Be Sung, Virgin.

Os Ipanemas

Braziliës eigen Buena Vista

Hoewel Os Ipanemas in de meeste naslagwerken over Braziliaanse muziek schromelijk over het hoofd wordt gezien, mag deze afrosambagroep gerust legendarisch worden genoemd. Haar enige plaat, tijdens één spontane sessie opgenomen in 1962, was enorm invloedrijk in de periode waarin de harde, percussieve samba uit de sloppenwijken van Rio de Janeiro zich, onder invloed van de bossanova, geleidelijk ging ontwikkelen tot de veel lyrischer samba-canção.

Os Ipanemas ging die vorm combineren met Afrikaanse ritmen en Europese jazz, maar klonk nog altijd rauw genoeg om ook bij de armen die op straat leefden in de smaak te vallen. Want de verfijnde, gesyncopeerde bossanova, zoals die werd gespeeld door Tom Jobim en João Gilberto, sloeg toch vooral aan bij de intellectuele burgerij. Het debuut van Os Ipanemas was niet alleen zijn tijd ver vooruit, onder meer door het gebruik van Afro-Braziliaanse dialecten en instrumenten, het kende ook een enorm succes. Een opvolger bleef echter uit: de groep splitte en percussionist Wilson des Neves zou voortaan zijn diensten verhuren aan Braziliaanse sterren als Caetano Veloso, Chico Buarque en Jorge Ben.

Producer Joe Davis, de man die het Londense Far Out-label leidt en in die hoedanigheid ook al werk van Joyce en Marcos Valle heeft uitgebracht, is er nu in geslaagd, na een hiaat van bijna veertig jaar, de oorspronkelijke leden van Os Ipanemas weer samen te brengen en hen een nieuwe plaat te laten opnemen. Op The Return of The Ipanemas worden de sferen en de thema's van hun veertig jaar oude debuut weer helemaal opnieuw tot leven geroepen: sensuele ritmen, subtiel akoestisch gitaarwerk, een schuifelende, jazzy trombone en liedjes over liefde, onderdrukking, spiritualiteit en nostalgie. Het enige dat niet altijd overtuigt is de zang, die af en toe een beetje afglijdt naar supermarktniveau. Maar wie nummers als 'Sacunde' en 'Icarai' heeft gehoord, beseft meteen dat deze tweede langspeler van Os Ipanemas een unieke gebeurtenis is. Of hoe de Brazilianen, totaal onverwacht, toch nog met een antwoord op Buena Vista Social Club op de proppen komen.

The Ipanemas, The Return of, Far Out Recordings/Lowlands.

Chris Whitley

Vernieuwing en traditie

Chris Whitley, een Amerikaan die jaren in Gent heeft gewoond, is niet alleen een begenadigd gitarist, ook als songschrijver hoeft hij van niemand lessen te krijgen. Met folk en blues als basisingrediënten heeft hij het jongste decennium een eigen stijl ontwikkeld, die hem het respect van collega's als Daniel Lanois en Bob Dylan opleverde. Whitley is echter niet het type artiest dat op zijn lauweren blijft rusten. Hij is voortdurend op zoek naar nieuwe uitdagingen en exploreert graag onbekend terrein. Dat doet hij ook weer op Rocket House, zijn zevende cd, waarop hij terugkeert naar de sound van Terra Incognita uit 1997 maar tegelijk experimenteert met loops, geprogrammeerde beats, abstracte elektronica en de scratchings van DJ Logic. Het resultaat is muziek die wortelt in de traditie maar tegelijk fris en spannend aandoet.

'Radar' en 'Say Goodbye' zijn gedreven rocknummers die zich al na enkele beluisteringen in je hoofd nestelen, dochter Trixie leent haar soulvolle stem aan 'Chain' en 'Serve You' en voorts wordt Chris Whitley op zijn nieuwe plaat bijgestaan door Blondie Chaplin (zie ook The Beach Boys), Bruce Hornsby (op wurlitzer) en Dave Matthews (op akoestische en elektrische gitaar). Net als de hier vorige week nog bewierookte Joe Henry is Whitley er op een overtuigende manier in geslaagd zijn rootsy songs een eigentijds kleedje aan te meten, zonder afbreuk te doen aan hun unieke karakter. Na Live at Martyr's en de coververzameling Perfect Day met Billy Martin en Chris Wood, krijgen we dus eindelijk weer eens een gelaagde Whitley waar met geen tank aan te ontkomen valt.

Chris Whitley, Rocket House, Ulftone/Bertus.

Ian Hunter

Scherpe blik, radde tong

Lange tijd niets meer vernomen van Ian Hunter, de krullenbol met zonnebril die in de vroege jaren zeventig zijn stembanden leende aan Mott the Hoople. Dat gezelschap dankte zijn doorbraak weliswaar aan David Bowie, van wie het in volle glamrockperiode de hit 'All the Young Dudes' cadeau kreeg, maar zelf liet Hunter zich als songwriter evenmin onbetuigd: 'All the Way From Memphis', 'Roll Away the Stone' of 'Saturday Gigs' haalden een voor een de toptwintig en ook zijn latere soloplaten of zijn projecten met gitarist Mick Ronson waren altijd wel goed voor een handvol memorabele songs. Zijn liedjes werden de jongste decennia overigens vaak gecoverd: zowel Willie Nelson als Barry Manilow hebben werk van hem op hun repertoire staan.

Inmiddels woont Ian Hunter al een kwarteeuw in Amerika, al zal hij zijn Britse accent wel nooit meer kwijt raken. En zoals blijkt uit nummers als 'Ripoff', het ironische 'Morons' en het semi-akoestische 'Death of A Nation' houden de typische levensstijl en het politieke reilen en zeilen in zijn land van oorsprong hem nog altijd bezig.

Op Rant, zijn nieuwe langspeler, werpt Hunter zich weer op als een messcherpe observator met een radde tong, die weinig sympathie kan opbrengen voor meelopers en kuddedieren. In muzikaal opzicht is er de jongste dertig jaar niet veel veranderd: de man schrijft nog altijd puike maar vrij traditionele rocksongs, nu eens stevig, swingend en aanleunend bij het oude Mott-universum, zoals 'American Spy' en 'Still Love Rock'n'Roll', dan weer gevoelig, melodieus en slepend, zoals de naar Dylan knipogende ballad 'Soap'n'water', het tussen blues en folk zwalkende 'Wash Us Away' of het door een mijmerende piano en sterk gitaarwerk aangedreven 'Dead Man Walking'. Zeker, dit is volstrekt amodieuze muziek, waar de doorsnee zestienjarige wellicht geen boodschap aan zal hebben, maar Ian Hunter geeft nog altijd blijk van passie, eerlijkheid en energie en heeft, ook op zijn 55ste, nog altijd iets te melden. Voor wie houdt van no nonsense-rock, gespeeld op echte instrumenten, is Rant dus een geschenk uit de hemel.

Ian Hunter, Rant, Papillon/RAM.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234