Maandag 25/10/2021

Rockefeller, de eerste Bill Gates

De verschijning van een boek dat in de pers geprezen wordt als 'de definitieve biografie van John D. Rockefeller' is op zich opmerkelijk. JDR, zoals hij kortweg genoemd werd, was de eerste dollarmiljardair, de patriarch van de beroemdste Amerikaanse dynastie en misschien wel de meest controversiële zakenman aller tijden. Dat het boek verschijnt net nu het debat over de monopolistische praktijken van Bill Gates' Microsoft naar een climax gaat, prikkelt natuurlijk de nieuwsgierigheid. De parallellen tussen Gates en Rockefeller liggen dan ook voor het grijpen. 'In mijn wildste dromen had ik me geen beter moment voor het verschijnen van mijn boek kunnen voorstellen', zegt de auteur Bill Chernow stralend.

Tom Ronse

We ontmoeten Bill Chernow in de boekhandel van het Rockefeller Center in Manhattan, waar hij zijn boek komt voorstellen. "De plaats is goed gekozen", monkelt Chernow, een rijzige vijftiger met een grote grijze krullebol, "al heeft JDR hier nooit een voet gezet." Hij is in zijn nopjes. De Microsoft-controverse heeft de verkoop van zijn boek boven alle verwachtingen getild. "De gelijkenis tussen Gates en Rockefeller is inderdaad opvallend", zegt Chernow. "Ze zijn beiden prototypes van de selfmade man. Van een nederige positie werkten ze zich op tot de rijkste mannen ter wereld. Ze verwierven beiden controle over 90 procent van hun sector en werden beiden beschuldigd van monopolievorming en oneerlijke concurrentie. Maar ze zijn ook heel verschillend. Olie en software zijn totaal anders. En Rockefeller bewoog zich in een heel ander zakenklimaat dan Gates. Er waren geen regels. Rockefeller was veel brutaler."

Chernows kanjer is uiteraard lang niet het eerste boek dat over JDR werd geschreven. Maar in die vroegere biografieën werd de man volgens Chernow herleid tot een stereotype. Sommige verheerlijken hem als een gezegend product van de protestantse arbeidsethiek, andere karikaturiseren hem als een vraatzuchtig monster. Het werk van vorige biografen werd ook bemoeilijkt doordat JDR zo graag in de schaduw opereerde en zo weinig mogelijk aan de openbaarheid prijsgaf. In heel zijn leven gaf hij slechts twee interviews.

Maar Chernow, die voordien faam verwierf met een biografie over de financier J.P. Morgan, kreeg ongelimiteerde toegang tot alle privédocumenten van de Rockefeller-familie. "JDR's zoon David was zo behulpzaam dat ik er achterdochtig van werd", vertelt hij. Als er een reden was voor die achterdocht, dan heeft Chernow die niet gevonden.

In zijn boek probeert hij de complexere mens te ontdekken achter de stereotypen en zowel de bewonderenswaardige als de verachtelijke kanten van zijn karakter in de verf te zetten. Heeft hij na zijn jarenlange research sympathie gekregen voor de koudbloedige JDR? "Ja", antwoord hij na enig aarzelen. "Het is een liefde-haatverhouding. Hij had het beste en het slechtste van de menselijke natuur in zich."

Geld speelt vanzelfsprekend een hoofdrol in het verhaal van Rockefeller. Zijn leven lang werd hij erdoor geobsedeerd. "Zelfs toen hij een kind was", schrijft Chernow, "kocht hij snoep per pond, verdeelde het in kleine porties en verkocht die met een flinke winst aan andere kinderen." Als opgroeiende jongen zag hij zijn spaarzame moeder voortdurend piekeren over geld. En zijn vader kende maar één manier om zijn affectie te tonen: met bankbriefjes wuiven. Zijn moeders angst voor geldtekort werd ook de zijne; zijn honger naar de liefde van zijn vader werd geldhonger. Geld kreeg nog meer emotioneel gewicht voor hem toen hij verliefd werd op Laura Spelman. De vader van het meisje van zijn dromen, een rijke handelaar, weigerde hem haar hand omdat hij niet genoeg verdiende. Negen jaar lang maakte hij Laura het hof terwijl hij intussen het fortuin vergaarde dat hem een waardige schoonzoon maakte in de ogen van haar vader. Geen wonder dat zijn geldlust nooit bevredigd raakte en dat respect voor hem een koopwaar werd.

Chernow zoekt de sleutel van Rockefellers karakter in zijn jeugdjaren en vooral in de invloed van zijn ouders, die dag en nacht verschilden. Zijn moeder, Eliza, was een strenge, diep religieuze vrouw. Orde, zuinigheid, godsvrucht, voorzichtigheid en voorzienigheid waren de deugden waar zij bij zwoer en die ze haar zoon inprentte. Van zijn vader leerde hij vooral hoe hij niet wou zijn, al erfde hij wel zijn eigenzinnigheid en paternalisme.

'Big Bill', zoals zijn pa genoemd werd, is een boek op zich waard. Hij was een bon vivant die aan de kost kwam als kwakzalver of 'botanische genezer', zoals hij zichzelf noemde. Hij schuimde het platteland af met een groot vat zelfgemaakt 'medicijn' dat hij aan goedgelovige zielen verpatste als een wondermiddel tegen alle kwalen, van kanker tot zweetvoeten.

Het gezin kende bittere armoede. Op school mocht John niet op de klasfoto omdat zijn kleren er te versleten uitzagen. Big Bill verdiende nochtans een aardige duit met zijn bedrieglijk handeltje. Maar terwijl hij maandenlang op de hort was, raakte het geld telkens op in zijn gezin, ondanks Eliza's spaarzaamheid. En dan kwam Big Bill thuis en was het feest. Hij had nieuwe paarden, dure nieuwe kleren en smeet met geld.

Hij bedroog zijn vrouw, soms openlijk, soms in het geniep. Op zeker ogenblik moest er in het veel te kleine huis van de Rockefellers plaats worden gemaakt voor de bijzit van pa, die hij even regelmatig zwanger maakte als zijn eigen vrouw. Na veel verhuizen liet Big Bill een mooi huis voor zijn gezin bouwen in Cleveland. Daarna vertrok hij prompt naar Philadelphia, waar hij opnieuw huwde en een nieuw gezin begon. Nochtans bleef hij nog tientallen jaren lang onverwacht opduiken in Cleveland, waar hij voor korte tijd weer familievader speelde, om dan opnieuw te verdwijnen.

Voor zijn zoon was die situatie diep vernederend en hij probeerde ze zoveel mogelijk geheim te houden. Volgens Chernow hield hij er een neiging tot geheimdoenerij aan over die hij zijn leven lang bewaarde, zowel in zijn privéleven als in zijn zakenpraktijken.

De vrouw die John Rockfeller huwde, was in vele opzichten een kopie van zijn moeder. Laura Spelman, die 'Cettie' werd genoemd, was net als Eliza Rockefeller vroom (John leerde haar kennen in de kerk), streng, sober en deugdzaam. Maar als echtgenoot en vader was John de tegenpool van zijn vader. Hij was trouw (pas als bejaarde man had hij moeite om zijn handen van de vrouwen te houden), zorgzaam en besteedde zoveel mogelijk tijd bij zijn vrouw en vier kinderen. Ondanks hun rijkdom vonden John en Cettie dat hun kinderen ontbering nodig hadden, want dat staalt het karakter. De kinderen moesten een fietsje delen. "Ik ben zo blij dat mijn zoon me verteld heeft wat hij voor zijn kerstdag wil", vertelde Cettie aan een buur, "want nu kan ik het hem ontzeggen."

Het grootste deel van het boek gaat natuurlijk over JDR's zakencarrière. Het begin daarvan is interessant maar niet ongewoon. Echt boeiend wordt het wanneer hij zich, na enkele bescheiden suksessen, in de pas ontloken oliesector werpt. Dat gebeurde in 1862, drie jaar na de ontdekking van olie in Pennsylvanie. Olie werd gezuiverd tot kerosine of lampolie. De vraag ernaar was fel gestegen door de burgeroorlog en de industriële expansie die erop volgde en door de uitputting van walvisolie, tot dan de traditionele brandstof voor lampen. Maar het aanbod steeg nog sneller dan de vraag omdat op vele plaatsen olie werd ontdekt en er veel te veel raffinaderijen werden gebouwd.

De olieprijs zakte in enkele jaren van 12 dollar naar 2,40 dollar per vat. Maar er kwam geen marktcorrectie. Het aantal producenten bleef groeien, ondanks de dalende winstvoet. De sector was, zoals de meeste grondstoffensectoren vandaag, in de greep van een deflatoire spiraal.

Rockefeller, die vreesde dat hij al zijn oliewinsten zou verliezen, begon te twijfelen aan Adam Smiths 'onzichtbare hand' en vervloekte het "moordende concurrentiesysteem". "Zoals Karl Marx" - dixit Chernow - droomde hij ervan om het te vervangen door coöperatie - onder zijn verlichte leiding, welteverstaan. Hij had zich toen al opgewerkt tot de grootste en efficiëntste raffinadeur in Cleveland. Hij onderscheidde zich van zijn concurrenten doordat hij verder keek dan zijn neus lang was. Hij probeerde niet simpelweg zoveel mogelijk olie op de markt te gooien. Hij was de eerste die investeerde in tankwagens die hij verhuurde aan de spoorwegmaatschappijen, die zo afhankelijk van hem werden. Hij was de eerste die olietanks liet bouwen aan de oostkust voor de uitvoer van kerosine naar Europa. Hij was de eerste in zijn sector die zijn kapitaalbasis vergrootte door een aandelenmaatschappij te vormen. Hij was de eerste die constant technologische vernieuwing nastreefde om zijn kosten te drukken en zo prijzenoorlogen te winnen. Hij was de eerste die integratie in zijn sector doorvoerde - van ontginning tot afgewerkt product. Hij was de eerste die zijn olie verkocht onder een merknaam die consumenten een uniforme kwaliteitsstandaard garandeerde (vandaar de naam van zijn firma: Standard Oil). En hij was de eerste die van de spoorwegmaatschappijen een ruime afslag afdwong, in ruil voor een regelmatige vracht.

Zijn grootste coup was een geheim akkoord dat hij in 1872 afsloot met de drie grote spoorwegmaatschappijen. Het akkoord bepaalde dat de spoorwegen hun tarieven voor olietransport flink zouden verhogen maar Standard Oil een enorme afslag zouden geven. Standard Oil kreeg bovendien een premie voor elk vat olie dat zijn concurrenten via de spoorwegen transporteerden. De bedoeling was duidelijk: Rockefellers concurrenten in de grond boren. Wat de spoorwegen daarbij wonnen was een ordelijke markt met een grote, voorspelbare klant die hen beschermde tegen interne concurrentie. Een provisie van het akkoord specifieerde het aandeel van elke spoorwegfirma in het olietransport.

Rockefellers concurrenten waren natuurlijk woedend toen het akkoord in werking trad. Hun protest werd een regelrechte revolte die de oliestreken in rep en roer zette. De politieke druk werd zo groot dat het akkoord na enkele maanden al werd opgedoekt. Maar intussen had Rockefeller zijn slag geslagen. De angst om gekelderd te worden was zo groot dat hij 22 van zijn 26 concurrenten in Cleveland kon opkopen, de meeste voor een appel en een ei. In hun verkoopcontracten moesten ze bovendien beloven dat ze voor altijd uit de oliebusiness zouden blijven.

Deze episode, die de geschiedenis inging als 'het bloedbad van Cleveland', maakte van Standard Oil zo'n mastodont dat JDR zonder moeite een steeds wurgender greep op de oliesector kreeg. Hij gebruikte daartoe allerlei middelen. Zo kregen winkels die andere olie dan Standard Oil verkochten, naast hun deur plotseling een door Standard Oil gefinancierde concurrent wiens koopwaar lager geprijsd was dan de hunne.

In 1877, vijftien jaar nadat hij zijn eerste raffinaderijtje kocht, controleerde JDR 90 procent van de oliemarkt. Hij dwong de meeste van zijn resterende concurrenten om deel te nemen aan een oliekartel waarin hij de plak zwaaide. Het ging om een soort voorloper van de OPEC, die ook productiequota oplegde om de olieprijs te beschermen.

Daarna groeide Standard Oil min of meer op automatische piloot. JDR breidde zijn imperium uit naar andere sectoren zoals staal, spoorwegen en banken. Hij werd steeds rijker maar begon zich te vervelen. In 1896 trok hij zich terug uit het actieve zakenleven, net toen de auto-industrie van start ging. Dankzij de vraag naar olie die de auto meebracht, steeg zijn fortuin nog veel sneller dan toen hij nog werkte. Toen hij op rust ging, bezat hij 200 miljoen dollar (3,5 miljard in huidige dollars), in 1913 een miljard dollar, 285 miljoen meer dan de Amerikaanse begroting in dat jaar.

Rockefeller had geen schuldgevoelens over de brutale methoden waarmee hij zijn fortuin had verdiend. Hij noemde zichzelf een door god gezonden redder van de olie-industrie. De meeste Amerikanen dachten daar anders over. Sinds het 'bloedbad van Cleveland' had hij de reputatie van een roofdier en zijn later sukses maakte dat nog erger. Rond de eeuwwisseling was hij de meest gehate man in Amerika.

De druk om zijn imperium op te breken werd steeds groter. In 1911 werd Standard Oil op last van het Opperste Gerechtshof opgebroken. JDR leed daar geen schade door. Hij behield een kwart van de aandelen van Mobil, Chevron, Exxon en de 31 andere bedrijven waarin zijn imperium werd opgesplitst. Zijn fortuin bleef groeien. Maar zijn kwalijke reputatie knaagde aan hem. Hij was een der eersten die pr-specialisten in dienst nam om zijn imago op te poetsen. En hij wijdde zich met hart en ziel aan goede werken. Ook dat deed hij zoals niemand het voor hem had gedaan. Niet alleen schonk hij enorm veel weg - 475 miljoen tegen 1922 - hij was ook de eerste die filantropie op een zakenleest schoeide.

Veel van die inspanningen waren lofwaardig maar in 1915 kreeg de reputatie van Rockefeller een nieuwe deuk door het beruchte 'Ludlow-bloedbad'. En deze keer vloeide er echt bloed. In 1913 brak een staking uit bij CFI, een kolenmijnenbedrijf in Colorado waarvan JDR de hoofdaandeelhouder was. Meer dan 11.000 mijnwerkers eisten betere werkomstandigheden en de erkenning van hun vakbond. De werkomstandigheden waren hemeltergend. In 1913 alleen al waren 464 mijnwerkers gedood of verminkt door mijnongevallen. De bedrijfsleiding weigerde te onderhandelen en zond een privéleger naar de mijnen die de stakers uit hun huizen zette. De stakers trokken zich terug in een tentenkamp en hielden vol, ondanks sneeuwstormen en beschietingen door CFI's privéleger. Op een ochtend zaaide dat leger blinde terreur in het kamp. Eerst beschoten ze het met machinegeweren, dan staken ze het in brand. Er vielen vele doden, waaronder twee vrouwen en elf kinderen. JDR speelde geen rechtstreekse rol in de onderdrukking van de staking, maar hij haatte vakbonden en misprees arbeiders, die volgens hem hun lonen verkwanselden aan whisky en sigaretten. Voor zijn zoon John junior, die het bloedbad verdedigde, had hij niets dan lof.

De storm van protest die in heel het land opstak, maakte grote indruk op John junior die de Rockefeller-stijl geleidelijk omboog naar een meer gematigde, vakbonsvriendelijke koers. Maar daar had JDR niets meer mee te maken. De patriach trok zich terug op zijn landgoed en werd een minzame, charmante grijsaard die in 1937 stierf.

Verdient Bill Gates het nu om met de meedogenloze JDR vergeleken te worden? De woorden van een concurrent van JDR tijdens het 'bloedbad van Cleveland' ("we moesten verkopen of we zouden verpletterd worden") krijgen een echo in wat Harvard-professor Andrew Shapiro zegt over de software-industrie vandaag: "Het basispatroon is opgekocht worden door Microsoft of bankroet gaan". En net zoals JDR van de spoorwegen een premie afdwong voor de olie die ze transporteerden, of die van Standard Oil was of niet, dwong Microsoft van computermakers een premie af voor elke pc die ze verkopen, met of zonder Windows.

Betekent dit dat Microsoft zoals Standard Oil moet worden opgebroken? Chernow is er niet zo zeker van. "De eenheid die Microsoft oplegt in software vergemakkelijkt de communicatie", zegt hij, "Rockefeller had niet helemaal ongelijk. Concurrentie is niet altijd voordelig voor de consument."

Ron Chernow, TITAN, the life of John D. Rockefeller, Uitg. Random House, New York. 773 pp, 30 dollar.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234