Woensdag 11/12/2019

Roberto Bolaño in 10 cijfers

Pas na zijn dood door een leverziekte groeide de Chileense schrijver Roberto Bolaño (1953-2003) uit tot een cultauteur. De rijkdom van zijn grillige oeuvre vol bizarre personages deed de literaire wereld naar adem happen. Nu is De wilde detectives weer beschikbaar. Portret van een woelig leven in cijfers.

7 jaar was Roberto Bolaño toen hij zijn eerste verhaal schreef. Hij werd geboren in Santiago de Chili op 28 april 1953. Zijn vader was een truckchauffeur en amateur-kampioen boksen, terwijl zijn moeder, een lerares, de jonge, dyslectische Bolaño aanmoedigde in zijn liefde voor poëzie. Later noemde hij zichzelf "een magere, bijziende boekenwurm". Op school werd hij vaak uitgelachen. Het verhaal dat hij op zijn zevende schreef was een sprookje over enkele kippen op een boerderij die tot grote verbazing van de andere dieren verliefd worden op een eend. Op zijn tiende had Bolaño een eerste baantje te pakken: ticketverkoper op de buslijn Quilpue-Valparaiso.

Op zijn vijftiende verhuisde de familie naar Mexico City. Bolaño werd er een straatjochie, die zichzelf literair opkweekte via het stelen van boeken.

8 dagen zat Bolaño in de gevangenis in Chili. In 1973 was hij naar zijn geboorteland teruggekeerd om er "de revolutie te helpen opbouwen" en het socialistische regime van Salvador Allende te steunen. Maar na de coup van de rechtse dictator Augusto Pinochet werd hij opgepakt en in de gevangenis gegooid, op verdenking van terrorisme. Dankzij twee voormalige klasgenoten die hem bewaakten én vrijlieten, kon hij de dans ontspringen.

Bolaño beschreef zijn belevenis onder meer in het verhaal Dance Card. Er kwamen geen martelingen, zoals hij had verwacht, maar ''s nachts hoorde ik hen in de kleine uurtjes anderen martelen; ik kon niet slapen en ik vond niets anders dan een achtergelaten Engels magazine om te lezen. Het enige interessante artikel ging over een huis dat ooit van Dylan Thomas was geweest.'

Er zijn Mexicaanse vrienden die het hele verhaal in twijfel trekken. Bolaño was nooit vies van wat mystificatie. Later zou hij fel uithalen naar het Chileense literaire establishment. Vooral Isabel Allende moest het zwaar ontgelden. In de roman Nocturno de Chile (2000) beschrijft hij de sterfbedbekentenis van priester en literair criticus Sebastian Urrutia Lacroix en zijn betrokkenheid bij het Pinochet-regime via opus Dei. Het boek is in de vorm van één lange paragraaf gegoten.

21 jaar is het langharige woelwater Bolaño als hij in Mexico de door het surrealisme beïnvloede 'anti- status-quo'-poëziebeweging opricht. Ze noemen zich de Infrarealisten, sturen literaire bijeenkomsten in de war en zwaaien luidkeels met manifesten. Gabriel García Márquez wordt uitgescholden als "een man die erop kickt dat hij zoveel presidenten en aartsbisschoppen heeft gekend; Mario Vargas Llosa: zelfde soort, maar meer gepolijst". In zijn roman De wilde detectives zal hij de beweging en zijn aandeel erin vrolijk-grimmig parodiëren.

12 stielen, dertien ongelukken: dat vat de eerste Spaanse jaren van Bolaño samen. In 1977 verhuisde hij naar het kustplaatsje Blanes aan de Costa Brava. Op zijn visitekaartje prijkte: "Roberto Bolaño. Dichter en vagebond". Hij tuimelde van het ene armoedige baantje in het andere en was onder meer vuilnisophaler, afwasser, ober en campingnachtwaker, om er ten slotte een juwelenzaakje op na te houden.

Toen hij in 1990 een zoon kreeg, zwoer hij de poëzie radicaal af en ging hij proza schrijven, omdat daar meer geld mee te verdienen was en hij een erfenis wilde nalaten. Hij deed mee aan plaatselijke verhalenwedstrijden en raapte wat prijzengeld samen. Intussen boerde zijn gezondheid achteruit. Verhalen over een heroïneverslaving deden hardnekkig de ronde.

48 uur na elkaar werkte Bolaño soms toen hij in de jaren negentig als een bezetene begon te schrijven. De ene roman na de andere vloeide uit zijn pen, en langzaam groeide zijn faam. Bizarre personages, complexe plots en ongerijmde thema's waren schering en inslag.

In Nazi Literature in the Americas (1996) stelt hij een ironische catalogus op van imaginaire, fascistische schrijvers, in Het lichtende kwaad (Estrella distante, 1996) vertelt hij over een piloot van het Pinochet-regime die met zijn vliegtuig in de lucht ontregelende en avant-gardistische gedichten schrijft ('wolkenverzen') en tegelijk een folterspecialist is. Amulet (1999) brengt het verhaal van een vrouw die in de badkamer zit tijdens de legerraid op de universiteit van Mexico in 1968.

"Zijn boeken zijn vloeiend, tegelijk serieus en met vrolijke lust geschreven. Hoewel op montere toon verteld, zijn ze ook donker, ze gaan steeds over moord, corruptie, de onvermijdelijkheid van geweld, literatuur en bijna altijd over dode of verdwenen schrijvers", schreef Sander Pleij in Vrij Nederland. "Heel zijn werk is intertekstueel, interreferentieel en zelfreflexief. En het staat vol dromen (en iedereen weet: niet te veel dromen!)"

1999 In dat jaar beleefde Bolaño zijn internationale doorbraak met De wilde detectives, dat in hetzelfde jaar bekroond werd met de Premio Romulo Gallegos, de voornaamste literaire prijs van Zuid-Amerika, eerder toegekend aan... Márquez en Vargas Llosa. Dichters Arturo Belano en Ulises Lima, alter ego's van Bolaño en zijn vriend Mario Santiago, noemen zich in deze totaalroman 'viscerale realisten'. Ze houden zich in Mexico in leven met drugs en zoeken zich te pletter naar Cesarea, een dichteres die in de jaren twintig is verdwenen. Het leidt tot eindeloze, planetaire omzwervingen in diverse tijdvakken. Bolaño's gevoel voor humor in het boek werd vergeleken met Buster Keaton en de Marx Brothers.

1 maand voor zijn dood gaf Bolaño een interview aan de Mexicaanse Playboy en vertelde hij hoe hij zijn eerste afwijzingen incasseerde: "Ik heb dikke tranen gelaten telkens als ik een slechte recensie kreeg, ik sleepte me over de vloer, ik krabde mezelf. Ik ging voorgoed stoppen met schrijven, ik verloor mijn eetlust, rookte minder, ging aan sport doen, deed wandelingen langs de kust, overigens minder dan dertig meter van mijn huis, en ik vroeg aan de meeuwen, wier voorvaderen de vis aten die Ulysses opvrat, waarom ik, waarom? Ik deed toch niemand kwaad?"

Op de vraag wat hij gedaan zou hebben als hij geen schrijver was, antwoordde Bolaño dat hij "absoluut zeker een inspecteur bij de moordbrigade zou zijn geweest. Ik zou iemand zijn die 's nacht alleen naar de plaats van het misdrijf zou zijn teruggekeerd, niet bang voor de spoken. Misschien was ik dan wel echt gek geworden. Maar als inspecteur zou dat gemakkelijk opgelost kunnen worden met een kogel in de mond."

5 boeken hebben zijn leven veranderd, aldus Bolaño. "De vijf boeken die mijn leven hebben bepaald zijn er in werkelijkheid vijfduizend. Maar ik noem er toch vijf als punt van de speer: Don Quichot van Cervantes, Moby Dick van Melville, het volledig werk van Jorge Luis Borges, Hopscotch van Julio Cortázar, A Confederacy of Dunces van John Kennedy Toole. En ik zou daarbij nog moeten aanvullen: André Breton, Jacques Vaché, Alfred Jarry, Georges Perec, Franz Kafka, Georg Lichtenberg, Ludwig Wittgenstein, Adolf Bioy Casares, Petronius, Titus Livius, Pascal."

50 jaar was Bolaño toen hij op 15 juli 2003 in Spanje stierf aan een leveraandoening. Een leverdonor kwam te laat, ook al omdat Bolaño er de voorrang aan gaf zijn roman 2666 af te werken, die uiteindelijk postuum verscheen. Kettingroker Bolaño had zijn gezondheid al eerder geruïneerd door als een razende te schrijven.

De kwestie of hij nu al dan niet verslaafd was aan heroïne en aan de gevolgen daarvan stierf, bleef lang de literaire goegemeente beroeren. Literair agent Andre Wylie, die de nalatenschap in handen kreeg, zette later de puntjes op de i, ook in naam van de weduwe van Bolaño, in een reactie op een prijzend stuk van Jonathan Lethem: "Een wijdverspreid maar onjuist detail heeft zo te zien het stuk gehaald, en de weduwe van Robert Bolaño, Carolina López, en ik willen hier verduidelijken dat Roberto nooit aan een of andere drug verslaafd is geweest, ook niet aan heroïne. Dit oude misverstand lijkt te zijn afgeleid uit het toeval van Roberto's ziekte en het onderwerp van zijn verhaal The Beach. Hoewel dit verhaal in de eerste persoon is geschreven, is dit volledig een werk van fictie."

De officiële doodsoorzaak van Bolaño was een besmetting met het hepatitis C-virus.

2666 is de titel van zijn magnum opus. De roman verscheen in 2004, maar het waren de vertalingen in Europa en de Verenigde Staten die ervoor zorgden dat de hype rond de overleden schrijver in 2007 op kruissnelheid kwam.

Bolaño vond bij leven 'postuum' een raar woord. Het "klinkt als de naam van een Romeinse gladiator, een die onverslagen is". Ironisch genoeg handelt het 1.088 pagina's tellende, cryptische en barokke boek over de klopjacht van vier literatuurfanaten op de mysterieuze schrijver Benno von Archimboldi, die zich zou ophouden in een grensgebied Santa Teresa, tussen de VS en Mexico, het decor van honderden onopgehelderde moorden. Na zijn verdwijning gaat zijn roem crescendo. Alweer passeert de horror van de twintigste eeuw de revue.

De lanceringsparty voor het boek in New York door uitgever Farrar, Straus and Giroux en Paris Review werd - volgens ooggetuigen - "the most chaotic fucking book party ever thrown, [which] will make all other book parties look like fucking well-oiled teutonic machines". In de nalatenschap blijven maar nieuwe romans opduiken, zoals Diorama, El Tercer Reich en Los sinsabores del verdadero policía ('De moeilijkheden van een echte politieman'). Zo groeit Bolaño uit tot de productiefste postume schrijver ooit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234