Maandag 09/12/2019

Robby Cleiren Luc Nuyens

‘Theater maken is als een bank overvallen’

Donderdag gaat de nieuwe voorstelling van de Roovers in première in de Antwerpse Monty. Onvoltooid verleden tijd, een titel die uitnodigt om even achterom te kijken. ‘Maar niet te lang,’ zeggen Robby Cleiren (39) en Luc Nuyens (43), ‘want theater gaat over het moment, toneel is een oefening in het nu.’ Zo heeft Dora van der Groen het hen twintig jaar geleden op school geleerd.

en geleide: in 1994 studeerden Robby Cleiren, Sara De Bosschere, Luc Nuyens en Sofie Sente af aan het Conservatorium in Antwerpen. De bohemersromantiek in Die Raüber van Friedrich Schiller inspireerde het vurige viertal, de Roovers stonden op. Samen met vaste scenograaf Stef Stessel en per voorstelling wisselende gastspelers, trekken ze sindsdien hun streng in een drukbevolkt en gestaag veranderend theaterlandschap. Vanuit doorwrochte tekstbewerkingen herformuleren ze tijdloze maatschappelijke thema’s naar een herkenbare hedendaagse werkelijkheid.

Hoe gaat het met de Roovers vandaag?

Luc Nuyens: “Heel goed, je treft ons in de eindspurt van een bijzonder inspirerende repetitieperiode.”

Robby Cleiren: “Voor onze nieuwe voorstelling werken we heel anders dan we gewend zijn. Onvoltooid verleden tijd wordt geen klassiek stuk in vijf bedrijven. Dat soort structuren hebben we de voorbije jaren genoeg binnenstebuiten gekeerd. Dit is voor ons een nieuwe aanpak, totaal verschillend qua opbouw. We vertrokken met Ik dacht: mijn vader is God, de verhalenbundel die Paul Auster samenstelde. Dat boek snijdt, in 226 boogjes, dwars door Amerika: van arm naar rijk, van noord naar zuid. Dit materiaal geeft, zoals een plaat van Dylan, een on the road-gevoel. Daarom vonden we dat er een gitaar in moest, een instrument dat onder de arm mee te nemen valt. We nodigden Bjorn Eriksson, Eric Engels en Pieter-Jan De Wyngaert uit om mee muziek te maken, en Charlotte Vanden Eynde om te dansen.”

Nuyens: “Op de goeie momenten vloeit alles in elkaar over, waardoor er een heel nieuw universum tot stand komt. Elke avond zal anders zijn, het wordt een soort jazzconcert, maar dan met verhalen. Zeer prikkelend voor ons als spelers.”

Hoe moet ik mij dat voorstellen? Je studeert een paar flarden tekst in en je ziet op scène wel wat er van komt?

Cleiren: “Nee, maar we hebben wel meer gerepeteerd zoals muzikanten dat doen: zij nemen hun instrument vast en beginnen te spelen, gaandeweg vinden ze elkaar. Die houding hebben we als acteur proberen overnemen. We kozen elk een vijftal verhalen uit, waar we affiniteit mee voelden en daarmee gingen we de vloer op. In de verschillende voorstellingen zullen we elk twee tot drie van die verhalen brengen. We voelden wel aan dat de playlist een zorgvuldige dramatische opbouw moest hebben. Die mensen vertellen allemaal iets uit hun verleden. Als elk verhaal begint met: ‘Toen ik nog kind was...’, dreig je in een ongericht nostalgisch sfeertje terecht te komen.”

Nuyens: “Het is binnen een vaste opbouw telkens weer zoeken naar de magie van het moment, de kruisbestuiving tussen tekst, muziek en dans. We willen de dingen live laten gebeuren. Voelen: ‘ha, zij gaat die richting op, hoe kan ik daar passend op antwoorden?’ Op De Nachten kwamen we Gregory Frateur en Guy Van Nueten tegen in de catacomben van deSingel. Na een korte babbel zijn we op basis van deze verhalen beginnen improviseren voor een publiek. Niks in de handen, niks in de mouwen: een heel fijne, spontane ervaring. We sluiten deze reeks af met twee sessies in de Bourla, in het Antwerpse Kleppersprogramma. We spelen met de gedachte om onze hele theaterfamilie en een handvol muzikanten uit te nodigen om een feestelijke jamsessie te houden tot diep in de nacht. Maar goed, dat is dan, nu eerst een première op poten zetten.”

Auster poogde een ‘museum van het Amerikaanse leven’ samen te stellen. Maken jullie een Vlaamse realiteitenexpo?

Cleiren: “We proberen de typisch Amerikaanse verwijzingen elegant te ontwijken, maar we hebben de dingen niet radicaal naar de Kempen of de Westhoek vertaald. De verhalen die wij er hebben uitgepikt, gaan trouwens over universele onderwerpen: over het verliezen van je moeder of vader, over de liefde van je leven mislopen, of over de eerste erotische ervaring.”

Nuyens: “Er zitten ook hilarische verhalen in, echte slapstick, waargebeurde feiten waarvan je zegt: dit is erover. Maar zoals je soms ook bij Man bijt hond ziet: de realiteit overtreft vaak de fictie. Meer nog dan in het boek proberen we de alledaagse anekdotiek te overstijgen, suggereren we onderlinge verbanden. Soms visueel versterkt door fotoprojecties van Stef en soms abstract uitvergroot, met een choreografie van Charlotte.”

‘Een andere vorm, een andere werkwijze’, zeggen jullie. Geraakten de Roovers na zeventien jaar op zichzelf uitgekeken?

Cleiren: “Helemaal niet. Toegegeven, het is nu moeilijker dan pakweg tien jaar geleden om een stuk te vinden waarbij alle vier onze harten sneller gaan slaan. Dat zie je trouwens bij verschillende collectieven. Maar voor elke voorstelling proberen we eerlijke keuzes te maken. Ik geloof niet dat je anderen kunt boeien als je zelf niet gebrand bent. We werken trouwens bijna altijd met gasten, deze keer zochten we die in de muziek en dat heeft consequenties in de methodiek.

“We maken dit stuk niet omdat we merken dat het teksttheater onder vuur genomen wordt. Onze liefde voor de tekst zullen we nooit afzweren, wij blijven fundamentalisten op dat vlak. Maar af en toe moet je risico’s durven te nemen. Vorig jaar verlieten we ook al eens de vertrouwde paden met Ça brûle(coproductie met De Enthousiasten, SD). Die onderneming is niet volledig geslaagd, maar zulke dingen gebeuren bij keukenexperimenten. Maar opnieuw heb ik nu het gevoel dat dit een gezonde uitstap is die in het verlengde ligt van de dingen die ons boeien.”

Met Ça brûle kregen jullie inderdaad de wind van voren. Sluipt er dan onzekerheid in de Rooversrangen?

Cleiren: “Kritiek maakt niet onzeker, maar het knelt wel. Het doet een beetje pijn, zoals te kleine schoenen. We kennen ondertussen de regels van het spel. Een voorstelling maken is als een bankoverval. Je hebt twee opties: ofwel roof je de bank leeg en kom je met 2 miljoen buiten, ofwel word je gepakt en dan mag je een paar jaar de gevangenis in.”

Nuyens: “Na al die jaren leer je kritiek beter te interpreteren. Ik probeer altijd te kijken wie wat schrijft en waarom. Het raakt mij natuurlijk wel als iemand onze voorstelling de grond in schrijft. Je legt je hart en ziel, een deel van je leven in zo’n stuk. Dat is zoals een kind loslaten. Als iemand daar iets fout over zegt, dan doet dat verschrikkelijk veel pijn.”

Cleiren: “Dat betekent niet dat we de zelfkritiek schuwen. Qua interne audit kunnen de Roovers tippen aan grote bedrijven. Telkens weer houden we een grondig onderzoek, we wegen af en evalueren: ‘Welke beslissingen waren moedig en welke waren roekeloos? Hoe kunnen we dat verbeteren en waar liggen onze grenzen?’”

De drive van ‘het collectief’ wordt de laatste jaren nadrukkelijker in vraag gesteld. FC Bergman wordt bijvoorbeeld liever ‘makersgezelschap’ dan ‘spelerscollectief’ genoemd.

Nuyens: “Het klopt dat collectieven heel uitgesproken floreerden in de jaren negentig. Elke nieuwe generatie probeert zich te verhouden tot de vorige. Nieuwe lichtingen van spelers en makers zoeken telkens andere manieren om theater te definiëren. Dat frisse denken over toneel is heel interessant én nodig. Maar daar kleeft geen leeftijd of houdbaarheidsdatum op.”

Cleiren: “Ik heb aan de Bergmannen lesgegeven. Ik vind dat die gasten fantastische voorstellingen maken. Los van hun kwaliteiten, heerst er in theater ook altijd een sfeer van consumentisme. The sweet bird of youth, alles wat nieuw en fris is, krijgt een ander soort aandacht. En terecht, die fijne dynamiek hebben wij ook meegemaakt. Telkens wij met iets naar buiten kwamen, voelden we een nieuwsgierige opwinding bij pers en publiek: mensen wilden erbij zijn als het gebeurde. Vreemd genoeg stijgen er nu uit sommige hoeken andere geluiden op. Het wordt moeilijker om onze waren te slijten.

“Ik werkte onlangs mee aan een productie in de KVS (‘Van Plato tot Nato’, SD), de Roovers hebben met dat huis jarenlang prettig samengewerkt, in inspirerende omstandigheden. Dat is nu niet meer zo evident: er wordt gezegd dat er niks meer gebeurt en dat het allemaal zo weinig interessant is. Die houding, als zouden we het allemaal al eens gezien en gehad hebben, die ervaar ik niet bij makers en spelers. Zolang wij zelf niet het gevoel hebben dat we ons tot uit den treure staan te herhalen, timmeren wij met volle overtuiging en koppig enthousiasme verder aan ons weggetje.”

Er werd jullie destijds ‘een slordige wildheid’ verweten door sommige docenten. Nu geven jullie regelmatig les aan het Conservatorium. De oude vernieuwers worden willens nillens de nieuwe conformisten.

Nuyens: “Wij kregen les van Ivo van Hove, zijn generatie heeft KNS en KVS omver moeten werpen. Wij konden tegen onze lesgevers dus moeilijk zeggen: ‘Kom eens uit uw kot’, want dat deden ze. Dat blijven ze trouwens doen. Toch zoek je als student altijd een manier om het anders aan te pakken dan je voorgangers, om nieuwe impulsen in die dialoog te brengen. Als studenten nu tegen mijn lessen ingaan, vind ik het net interessant worden, ik heb niet liever. Dat verplicht je om even stil te staan bij je eigen parcours. Je wordt uitgedaagd en in vraag gesteld.

“Je kruipt op een podium om een eigen verhaal te vertellen, om een persoonlijke bijdrage te brengen in het brede theaterlandschap. Anders heeft het toch geen zin? Er zullen altijd mensen staan roepen dat je passé bent, maar dat is dan hun probleem, niet het mijne. Je moet niet bezig zijn met perceptie, want dan doe je niks. Uiteindelijk moet je zelf beslissen: deze keuze is de moeite waard, dus dat doe ik. Daar zit de essentie.”

Cleiren: “Het is natuurlijk wel belangrijk dat je blijft communiceren, dat je een publiek bereikt. Als je toehoorders wegvallen, sta je voor jezelf te preken en dan houdt het op.”

Nuyens: “Dat is waar, maar dat is nog iets anders dan je conformeren.”

Cleiren: “Het heeft evenmin zin om bij elk nieuw geluid in het landschap je kar te keren en mee te huilen met de jonge wolven. FC Bergman en de Roovers zijn gevormd door dezelfde Dora van der Groen. Toch levert dat een verschillend resultaat op. Wat wij vinden in tekstmateriaal vinden zij in beeld. Dat is toch schitterend, zolang we beiden maar doen waar we in geloven, geëngageerd onze passies volgen.”

Nuyens: “Als ik lees dat de dagen van het teksttheater geteld zijn, dan denk ik: het is aan ons om het tegendeel te bewijzen.”

Jullie zijn geen twintig meer. Hoe combineer je een geregeld gezinsleven met gepassioneerde overgave in de kunsten?

Nuyens: “Door efficiënter met de uren om te springen dan vroeger.”

Cleiren: “Dat klopt. Sinds ik een gezin heb, heb ik geleerd om intenser te genieten van de gelimiteerde tijd die mij rest om te lezen, om even helemaal alleen met toneel bezig te zijn.”

Nog in het kader van waardig ouder worden in de kunsten: waar staan de Roovers over nog eens zeventien jaar?

Nuyens: “Geen flauw idee, ik denk niet meer zoveel na over de toekomst. Er zijn zoveel dingen in het leven die je zelf niet te beslissen hebt. Ik word met de jaren wel meer gewaar dat die passie voor het theater heel fundamenteel is. Als ik al van iets droom, dan is het: dit blijven doen tot ik erbij neerval.”

Cleiren: “Ik wens de Roovers de middelen toe om nog regelmatig feestjes te geven waarop we andere spelers kunnen uitnodigen, om samen nog talloze wonderschone teksten uit dat grote repertoire te brengen. Dat ziet er in de toekomst niet zo evident uit, maar daar mag je nu niet te veel mee bezig zijn. In deze voorstelling zegt iemand over een martinicocktail: ‘Een slokje van deze sensuele samenstelling en je verleden en je toekomst botsen op elkaar in een uitgekristalliseerd ogenblik: nu.’ Het nu, daar gaat het in theater toch om?”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234