Dinsdag 01/12/2020

InterviewBoeken

Rob van Essen en Wessel te Gussinklo, de literaire prijsbeesten van het jaar: ‘Dat mensen minder lezen, is dat wel zo erg?’

Rob van Essen (l.) en Wessel te Gussinklo: ‘Heel veel boeken die vandaag verschijnen zijn gewoon lectuur, die mensen aanbiedt wat ze willen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Wessel te Gussinklo (78) kreeg dit jaar de Bookspot en Rob van Essen (56) de Libris, de twee grote literaire prijzen die ons nog resten. Een dubbelinterview over de voor- en nadelen van hun streng-protestantse opvoeding, het gis- en miswerk van het schrijven en de toekomst van het boek.

“Het was decennia geleden dat ik nog zo getwijfeld had aan een roman”, zegt de een, waaraan de ander meteen “net zoals ik” toevoegt. “Dit was het boek dat ik wilde schrijven en het boek dat zichzelf wilde schrijven, maar ik zou er geen nieuwe lezers mee aantrekken, dacht ik.”

Ten onrechte dus, want die een en die ander zijn Wessel te Gussinklo en Rob van Essen, respectievelijk de winnaars van de Bookspot en de Libris, de twee grote literaire prijzen die ons taalgebied nog rijk is.

ROB VAN ESSEN * geboren op 25 juni 1963 in Amstelveen (NL) * schrijver, recensent en vertaler * verliet de middelbare school voortijdig, studeerde een jaar kunstgeschiedenis * debuteerde als schrijver in 1996 met Reddend zwemmen * schreef acht romans, twee autobiografische kronieken en twee verhalenbundels * roman Visser werd in 2009 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs * won dit jaar laatstgenoemde prijs met de roman De goede zoon

WESSEL TE GUSSINKLO * geboren op 9 januari 1941 in Utrecht (NL) * romanschrijver en essayist * studeerde psychologie in Utrecht en Zürich *debuteerde in 1986 met De verboden tuin (Anton Wachterprijs) * won de F. Bordewijkprijs en de ECI-prijs voor De opdracht (1995) * bekroond met de BookSpot Literatuurprijs voor De hoogstapelaar (2019)

Ergens is hun twijfel wel te begrijpen. De hoogstapelaar en De goede zoon, zoals hun romans heten, zijn eigenzinnige boeken, waardoor ze niet meteen gedoodverfde winnaars waren. Nee, die Libris was zonder enige twijfel voor Ilja Leonard Pfeijffers Grand Hotel Europa, wist iedereen en Manon Uphoff zou met haar autobiografische incestverhaal Vallen is als vliegen ongetwijfeld de Bookspot wegkapen. Niet, dus.

Van Essens De goede zoon speelt in de nabije toekomst. Het basisinkomen is ingevoerd, waardoor iedereen zich steendood verveelt, de middenklasse en masse musea bezoekt en romans schrijft en de lagere klasse uit plunderen gaat. Het is een inventieve roman, maar ook een tedere. De titel verwijst naar een tweede lijn die van Essen door zijn boek weeft, over zijn moeder die stierf terwijl hij zijn boek schreef, en die hij de twintig jaar daarvoor iedere woensdag had bezocht en geholpen met eten. En het is ook een bijzonder grappige roman.

In De hoogstapelaar keert Te Gussinklo voor de derde keer terug naar Ewout Meyster, die hij in De verboden tuin al toonde als kind en in De opdracht als veertienjarige. Inmiddels is Ewout zeventien en vindt hij dat hij zich een positie bij elkaar moet pochen en blaffen. Hij grossiert in oneliners van Camus en Sartre, en droomt ervan net als Napoleon of Churchill te worden, een imposante man die met een paar woorden de wereld aan zijn voeten krijgt. Maar hoelang is het wachten op het moment dat zijn illusie van almacht kapotspat tegen de muur van de werkelijkheid?

“In grote lijnen is De hoogstapelaar mijn verhaal”, verklapt Te Gussinklo. “Ik was een heel vervelend kereltje, opstandig, een schreeuwertje. Veel personages komen zo uit de realiteit, maar in feite doet dat er niet toe. Mijn boek gaat niet over de details, maar wel over de sfeer, over suggestie en rafeligheid.”

Rob van Essen: ‘Je moet je lezer meenemen in een achtbaan. Maar steeds minder lezers zijn nog bereid kotsend uit het bakje te hangen.’Beeld Thomas Sweertvaegher

We zitten in het huis van Wessel te Gussinklo, niet ver van de kust op het Zeeuwse eiland Noord-Beveland – zijn landgoed noemt hij het lachend, op meer dan een hectare grond. Zijn vrouw Odilia heeft erwtensoep met plakjes rookworst erin voor ons klaargemaakt en terwijl we praten wordt het zachtjesaan donker, tot alleen nog een paar kaarsen ons bijlichten.

In Zeeland start de streng-protestantse Biblebelt, die noordoostwaarts richting Duitse grens trekt, een keten van gemeenten waar het christendom de alfa en de omega van het leven vormt. Dat christendom duikt trouwens ook in hun boeken op. Allebei hebben ze een streng-protestantse, gereformeerde achtergrond. Heel lang duurt het dan ook niet voor God opduikt in ons gesprek.

“Ik kom uit een echte domineesfamilie”, vertelt Te Gussinklo. “Veel ooms waren dominee in Zeeland. De bekende Tien van Renesse, verzetslui die in 1944 door de Wehrmacht werden terechtgesteld, zijn door mijn oom naar de galg begeleid, samen psalmen lezend en ‘Een vaste burcht is onze God’ zingend.

(keert zich naar Van Essen) “Mochten jullie ’s zondags fietsen?”

Van Essen: “Nee, natuurlijk niet. Wij woonden tegenover de kerk, dus wij gingen altijd te voet. Als je van heel ver uit de buitengewesten moest komen, mocht je fietsen. Maar niet naar een vriendje, want met vriendjes spelen mocht niet op zondag. Dan zat je thuis te lezen, en twee keer naar de kerk natuurlijk, ’s ochtends en ’s avonds, altijd met mijn moeder. Mijn vader ging alleen ’s ochtends. Moeders leken steevast veel geloviger dan vaders.

“Voor mannen was godsdienst toch vaak een soort hobby. Op familiefeesten werd er tegen elkaar opgeboden wie de meeste dominees kende. Dit gaat over het heden, merkte ik al gauw, en niet over het verleden.”

Te Gussinklo: “Maar er werd toch ook over theologische vragen gediscussieerd? Protestanten zijn ideologen. Ze staan met zijn allen in de verte te staren, onderling uitmakend wat ze ervan vinden, terwijl katholieken in de kerk zitten en het onder elkaar uitzoeken: ‘Jij kunt beter drinken dan ik’. Roomsen zijn geen ideologen, dat zijn psychologen. En daardoor ook een beetje corrupt natuurlijk, want elke psycholoog is corrupt. Terwijl het bij protestanten maar over één ding gaat: zuiverheid. Al hebben ze natuurlijk ook wel hun stiekeme kantjes.”

Waarom hebben jullie de kerk de rug toegekeerd?

Rob van Essen: “Omdat ik er op een bepaald moment niet meer in geloofde. Dat is het grote voordeel van zo’n strenge godsdienst. Het is zo absurd dat je, zodra ook maar de minste twijfel toeslaat, meteen weg bent. Als kind mochten wij naar de openbare bibliotheek. Mijn ouders waren ooit uit de kerk getreden en later weer teruggekeerd. Zij kenden de andere kant. Ik heb nooit goed geweten waarom ze waren teruggekeerd, wellicht uit een verlangen naar nestwarmte.

“In de openbare bibliotheek las ik op mijn elfde of twaalfde boeken over de evolutietheorie. Daarin werd uitgelegd dat de aarde helemaal geen zesduizend jaar oud was, en dat de wereld niet geschapen was in zes dagen. Dat klonk allemaal veel plausibeler dan wat er in de kinderbijbel stond. Op dat moment verloor ik mijn geloof.

“Eerst kwam er nog wel een fase waarin ik heimwee had naar die liefdevolle Jezus. Een bovenste beste peer was hij toch, wat tot een hippie-achtig geloof leidde, maar ook dat hield niet lang stand. Ik groeide op in een kleine gemeenschap. Radio en tv waren taboe en van internet was nog lang geen sprake. We kregen te horen dat wij behouden zouden blijven en de rest van de wereld verloren zou gaan. Als je dan de rest van de wereld leert kennen, zie je meteen dat het volstrekt ongeloofwaardig is dat juist die tienduizend of honderdduizend leden van de Gereformeerde Gemeenten gered zouden worden en die andere zes miljard niet.

“Mijn eerste reactie was dat ik dominee of zendeling moest worden om al die andere mensen te bekeren en te redden. Niet veel later zag ik dat dit volstrekte onzin was, en dat als het systeem werkelijk zo in elkaar zou zitten, je er in feite geen deel van zou willen uitmaken.”

Wessel te Gussinklo: ‘Ik was het zwarte schaap, werd uitgestoten. Tot mijn vijftigste heb ik geen contact meer gehad met mijn familie, helemaal gebroken.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Wessel te Gussinklo: “Daar had ik helemaal geen last van. Over evolutie dacht ik nooit na. Egocentrisch als de pest was ik. Ik was dertien of veertien en zag in het geloof een angstvallig vastgrijpen van een strohalm. Iedereen zoekt bescherming, merkte ik, en de zelfverzonnen god kon die bieden. Dat was een van de eerste dingen die ik tegen de dominee zei tijdens mijn catechisatie, dat iedereen een vader nodig heeft en dat God de vader was die de mensen zich eigen maakten.

“Die catechisatie opende wel op meer vlakken mijn ogen. Zo werd er over de Papoea’s gezegd dat zij uit het wezen van de natuur hadden kunnen zien dat Jezus voor hen gestorven was. Ze hadden het kunnen weten, maar ze wisten het niet, en dus waren ze voorbestemd om naar de hel te gaan. Jammer, maar het was niet anders.”

Van Essen: “Die verhalen waren er bij de vleet, wanhopige noodgrepen waar je de nietjes nog in zag zitten. Het was niet meer dan zelfhypnose om het systeem hanteerbaar te houden.”

Te Gussinklo: “Predestinatie ook. Er zullen er twee in een vertrek staan, zegt de Bijbel. De een is uitverkoren en de ander verworpen. Of anders gezegd: er zullen er twee op de wereld zijn, de een woont in Europa en is uitverkoren, en de ander woont op Papoea en is verworpen.

“De dominees gingen met me wandelen. Nadien gingen ze naar mijn moeder en zeiden ze: ‘Zo’n dikke buik van al die groene, onverteerbare appeltjes die hij gegeten heeft.’ Dat ging dan over Sartre en Nietzsche.”

Heeft het nadien nog invloed gehad op jullie schrijven?

Van Essen: “Dat kan bijna niet anders. We zijn erdoor gevormd.”

Te Gussinklo: “Het heeft me een heleboel opgeleverd, kennis ook; de Bijbel is een prachtboek. Taal, structuur: ‘In den beginne was het woord, en het woord was bij god, het woord was god.’ Taal is beeld en overtuigingskracht. Dat weten wij schrijvers als geen ander. Ik had vier dominees in mijn directe familie. Daar moest ik me tegen verdedigen, want ik was de enige ongelovige in de totale familie, en die bestond wel uit een man of tachtig. Ik was het zwarte schaap, werd uitgestoten. Tot mijn vijftigste heb ik geen contact meer gehad met mijn familie, helemaal gebroken. Nadien weer met een paar neven en nichten, maar een echte band is er nooit meer ontstaan. Daarvoor is het dan te laat.

“In Zwitserland ben ik een psychoanalytische opleiding gaan volgen, waar ik natuurlijk evenmin iets van geloofde. Dat is gewoon een systeem met aannames en modellen, uitstekend om je tegen te verzetten. Niets is mooier om kapot te denken en je eigen gedachten te scherpen dan een rigide systeem. Het had iets van het protestantisme. De werkelijkheid was niet in vaste categorieën te vatten, ontdekte ik, maar wel in percentages: zoveel procent waar en zoveel niet. Ik heb er de waarheid leren wegen. Sommige zaken zijn 80 procent waar en sommige vijf. Niets is ooit helemaal waar.”

Van Essen: “En zelfs dat niet. (lacht) Ik herken het gevoel. Begin jaren tachtig ben ik een half jaar lid geweest van de Socialistische Partij, die vrij marxistisch-leninistisch georganiseerd was, met scholing en zo. Tijdens het weekend de deuren langs. Na een maand of zes zag ik zulke verontrustende gelijkenissen met de Gereformeerde Gemeenten dat ik het er niet meer uithield. Dominee, kerkenraad, je kon het er echt overheen plakken, en ook dat diepe geloof en die absolute zekerheid, terwijl het toch zo niet werkt.”

Te Gussinklo: “Precies, zoals Mulisch zei: wanneer je net naast een ster kijkt, zie je haar beter. Zo is schrijven ook. Je moet om het raadsel heen schrijven. Dan evoceer je iets wat je zelf geen naam kunt geven, maar waarvan je wel het gevoel hebt dat het heel dichtbij is. Je moet steeds naar de essentie streven zonder ze te kunnen vatten. Schrijven is iets weten en het niet onder woorden kunnen brengen. En daarvoor zijn de juiste woorden onontbeerlijk, taal dus.”

Rob van Essen: ‘Dat is het grote voordeel van zo’n strenge godsdienst. Het is zo absurd dat je, zodra ook maar de minste twijfel toeslaat, meteen weg bent.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Van Essen: “Taal is inderdaad het enige wat je hebt. De lezer moet idealiter zeggen dat hij iets gezien of gevonden heeft, maar hij mag niet precies weten wat dat dan wel is. Het raadsel moet een raadsel blijven. Misschien moet de vraag van de lezer zelfs groter zijn na het lezen dan ervoor, maar hij moet zich wel bevredigd voelen. Fictie mag kort gezegd nooit non-fictie worden.

“En dat geldt voor mij als schrijver ook. Ik heb de wereld die ik beschrijf in mijn boeken niet volledig in mijn hoofd. Ik leg hem niet uit aan de lezer, want ik weet ook niet waarover het gaat. Een boek is een samenzwering tussen schrijver en lezer en je staat er allebei een beetje machteloos bij. Als ik een goede schrijfsessie heb, weet ik niet hoelang ik aan het werk ben. Dan pas ben ik een schrijver geworden. Ik heb nooit herinneringen aan die sessies en ik kan ook niet precies uitleggen wat er dan gebeurt. Het is zoiets als geluk proberen uit te leggen. Dat lukt je gewoonweg niet.”

U plant uw boeken dus niet?

Van Essen: “Nee, ik heb wel een vaag einde in mijn hoofd, maar er gebeurt onderweg nog zoveel dat dit einde toch weer verandert. Ik ben ook wel eens opgehouden voor het einde. Ik was gewoon klaar. Wanneer ik een scène schrijf, denk ik iedere keer weer: aha, deze kant gaat mijn boek op. Maar stel nu dat ik die middag was gaan fietsen in plaats van die scène te schrijven, dan had ik ze wellicht een dag of een week later geschreven en dan had ze er heel anders uitgezien. Dan had zich misschien een andere zijweg geopend en was het boek anders afgelopen. Ook als schrijver sta je er dus naar te kijken en kun je het niet uitleggen.

“Zeker nadat je zo’n Libris gewonnen hebt, moet je constant vragen beantwoorden over je boek, maar eigenlijk is dat helemaal niet te doen. Je weet na een tijd welke antwoorden werken bij mensen en je weet welke fragmenten zelfstandig voorgelezen kunnen worden, maar het boek kun je niet uitleggen. Die uitleg is het boek zelf. Mij heb je hierbij niet nodig, zou je dan tegen al die vragenstellers moeten zeggen, maar dat kan natuurlijk niet, want je geeft een lezing waar je geld voor krijgt, en mensen willen daarvoor iets terug. Dus geef je netjes antwoorden en voor je het weet dreig je een vereenvoudigde versie van jezelf te worden. In feite zou het boek zichzelf moeten laten interviewen. Dat weet veel meer dan ik. Als schrijver ben je altijd een beetje de dienaar van je boek. Je loopt er een beetje achteraan.”

Te Gussinklo: “Als schrijver werk je in een soort wolk van aanwezigheid. Het is een lucide niet-weten. In De opdracht schreef ik over Ewout als kind dat opgroeit in een wereld met een dwingende moeder en een ontbrekende vader. Daardoor ontwikkelt hij fetisjistische neigingen met vrouwenkleren en zo.

“Die ontwikkeling was een noodwendigheid waar ik bij het schrijven van De hoogstapelaar aan vastzat. Ik had hem in theorie zichzelf ook kunnen laten automutileren met scheermesjes. Waarom deed ik dat niet? Omdat dit te veel voor de hand had gelegen. Ik had dus geen keuze, ook al ben ik zogezegd de schrijver die alles bepaalt. In die wolk van aanwezigheid werkt dit wel en dat niet. Als schrijver heb je daar niet tussen te kiezen. Zoals Goethe zei: ‘Es kann so sein, es muss so sein, es ist.’”

Van Essen: “Ik vind dat een mooi beeld, die wolk. Schrijven is niet iets met paden en weggetjes, zoals mensen wel eens denken.”

Te Gussinklo: “Het motto van het boek waar ik nu aan werk is ‘La vérité est une personne’. Er is geen waarheid, er zijn alleen mensen die gezien worden als verkondigers van de waarheid en die hun toehoorders kunnen enthousiasmeren, zoals Hitler dat bijvoorbeeld kon. Toen het Duitse leger bij Stettin stond en de nederlaag onafwendbaar leek, vergaderde hij met zijn generaals. Niemand geloofde nog in de overwinning. Hitler sprak hen toe en even later tuimelden ze naar buiten in de vaste overtuiging dat ze gingen winnen. Hoe is het mogelijk, denk je dan, in die omstandigheden, vijftig Russen voor iedere Duitser.”

Van Essen: “Wat ik me dan afvraag, is hoever ze moesten lopen voor die overtuiging weer verdwenen was.”

Nu u het toch over politiek hebt: Ewout herinnerde me constant aan Thierry Baudet.

Te Gussinklo: “Daar heb ik nooit aan gedacht bij het schrijven, maar ik begrijp wel wat je bedoelt. In de Volkskrant schreef Bo van Houwelingen een bijzonder lovende recensie van mijn boek. Ze leek het Ewout-personage zo goed te kunnen doorgronden dat ik meer wilde weten over haar. En wat blijkt? Ze is de ex van Baudet.”

Wilde u als schrijver net zo’n redenaar worden en mensen kunnen overtuigen?

Te Gussinklo: “Nee, ik wilde begrijpen. Ik wilde het raadsel uitdrukken.”

Van Essen: “Ik wilde gewoon schrijven, punt. De wereld tonen dat ik het kon. Mijn vader schreef christelijk-gereformeerde kinderboeken waarvan er trouwens eentje nog steeds in druk is, over de Tweede Wereldoorlog natuurlijk, want heel veel gereformeerde jeugdboeken gingen over de Tweede Wereldoorlog. (lacht) Mijn vader schreef, dus ik begon ook te schrijven, op zijn typemachine, echte imitatio patris.”

Nog iets wat jullie boeken gemeen hebben: ze zijn grappig. Het is wellicht de eerste keer dat de belangrijkste literaire prijzen naar humoristische romans gaan.

Van Essen: “Het was dus een goed jaar voor de literatuur. (lacht) Ik vind het altijd een compliment als mensen zeggen dat ze hardop hebben moeten lachen met mijn boek.”

Wessel te Gussinklo: ‘‘Wat een somber boek’, zeiden de juryleden. ‘Moesten jullie dan niet lachen met die scène waarin Hitler tapijten vreet’, vroeg ik, maar ook dat niet.’Beeld Thomas Sweertvaegher

Te Gussinklo: “Ik kreeg recent ook de Zeeuwse Boekenprijs. Na de uitreiking sprak ik een paar juryleden en mijn eerste vraag was: hebben jullie moeten lachen? ‘O nee’, zeiden ze, ‘wat een somber boek, en nog wel over zo’n akelige jongen’. Vreselijk is dat. Moesten jullie dan niet lachen met die scène waarin Hitler tapijten vreet, vroeg ik, maar ook dat niet. Ik vind dat nochtans een grappig verhaal. Hitler werd een Teppenfresser genoemd, iemand die heel de tijd ijsbeert en dus het tapijt verslijt. Een onwetende vertaler maakte daar in het Nederlands tapijtenvreter van, wat aanleiding gaf tot de legende dat hij echt stukken uit een tapijt trok met zijn tanden. Dat is toch grappig?”

Van Essen: “Er hangt een zweem van verdachtheid om humor heen. Mensen durven vaak niet te lachen met een boek. Na een lezing vragen ze me dan of ik het niet erg vond dat ze lachten. Ik vind dat verbazingwekkend, want ik lach zelf heel graag bij het lezen. Je moet je lezer meenemen in een achtbaan. Je mag best een paar keer over de kop gaan en een looping maken. Je mag hem zelfs kotsend uit het bakje laten hangen, maar hij moet wel weer aankomen. Hij mag niet uit het bakje vallen. Maar steeds minder lezers zijn nog bereid kotsend uit het bakje te hangen. Ze willen vooral over zichzelf lezen. Ze willen zich niet langer overgeven aan de literatuur, maar er hun eigen leven in terugvinden. Ik noem dat in mijn boek enigszins ironisch de emancipatie van de lezer. Waarom zouden ze zich laten voorschrijven in welke avonturen ze worden meegesleept? Ze hebben toch zelf hun avonturen? Eigenlijk weten ze het allemaal zelf veel beter.”

Te Gussinklo: “Dat is het enorme verschil tussen literatuur en lectuur. Heel veel boeken die vandaag verschijnen zijn gewoon lectuur, die mensen aanbiedt wat ze willen. Rob en ik schrijven niet om het de lezer aangenaam en plezierig te maken. Wij schrijven in de stille hoop dat we hem naar ons toe kunnen lokken. Wij bieden hoogstens aan, maar wij pleasen niet.”

En dus wordt er steeds minder gelezen?

Te Gussinklo: “Of lezen een niche wordt, weet ik niet. Kijk naar de eerste druk van Reves De avonden, uitgegeven in 1947 op zeshonderd exemplaren. Het laatste exemplaar daarvan werd pas verkocht toen hij in 1963 beroemd werd met Op weg naar het einde.”

Van Essen: “We hebben gewoon een hele goede tijd achter de rug, van eind jaren vijftig tot eind jaren negentig.”

Te Gussinklo: “Toen de leerplicht maakte dat iedereen kon lezen en er nog geen afleiding was van tv of internet. De Bijenkorf had toen nog een goede boekenafdeling en mensen stonden tot op straat voor een handtekening van een schrijver.”

Van Essen: “Dat is de wereld waarin mijn generatie schrijvers opgroeide. Wij wilden daar bijhoren, maar zodra we schreven was die wereld weg. Je had toen grote literatuurbijlagen in kranten en weekbladen. Er was een omgeving waarin je als lezer thuis kon komen. Dat is nu toch helemaal weg. Ik recenseer al twaalf jaar voor het NRC en ik heb alles alleen maar kleiner zien worden, zowel de krant, de boekenbijlage als de recensies zelf. Dat was de goede tijd en die komt nooit meer terug. Mensen voelen zich niet meer verplicht om dit of dat boek te lezen.”

Zelfs op de Nederlandse tv verdwijnt het laatste boekenprogramma.

Van Essen: “En er wordt ook geen literatuuronderwijs meer gegeven op school omdat de leraren niet meer lezen. Is dat allemaal wel zo erg als we denken, vraag ik me dan af. Zelfs al heb je goed literatuuronderwijs, dan nog zul je per klas maar een paar leerlingen over de streep trekken. Dat was vroeger zo en dat is vandaag nog steeds zo. Je moet daar nuchter in blijven. Als er steeds minder mensen behoefte hebben aan literatuur, moet die behoefte dan kunstmatig in stand gehouden worden? Geeft dat een meerwaarde aan de maatschappij? Mensen zullen altijd wel verhalen opzoeken, op wat voor manier dan ook, in tv-series of games bijvoorbeeld.”

Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar, Koppernik, 372 p., 21,50 euro.

Rob van Essen, De goede zoon, Atlas Contact, 382 p., 21,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234