Zondag 28/11/2021

'Rivaliteitmaakt de koers zo mooi'

Van Petegem? 'Een luierik.' McEwen en Zabel? 'Geen echte coureurs.' Merckx? '(grijnst) Ik had nóg meer klassiekers gewonnen als Eddy samen met mij was begonnen." Aan het woord is Rik Van Looy, beter bekend als de keizer van Herentals, bijna negenenzestig inmiddels maar nog altijd even recht-voor-de-raaps en eigenwijs als in zijn beste dagen. De dagen waarin hij ons land twee regenboogtruien en nog meer legendarische wielerrellen cadeau deed. 'Tegenwoordig mag je niet lastig meer zijn.'

Jeroen de Preter en Tony Landuyt / foto Stephan vanfleteren

Oog in oog staan met Rik Van Looy is altijd even schrikken. Twintig jaar lang hing hij dag in dag uit over het kromme stuur gebogen, maar vandaag is zijn rug nog altijd rechter dan een liniaal. Romp noch aangezicht vertonen de uitzakkingsverschijnselen die je bij een althans op papier bejaarde man verwachten mag. Van kaalhoofdigheid of vergrijzing nauwelijks een spoor. De tijd lijkt op deze man zo weinig vat te hebben dat de vraag rijst of het wel een mens van vlees en bloed is die voor je staat. Het is een vraag die allicht veel van zijn generatiegenoten zich wel eens hebben gesteld. Want Van Looy was een van de beste, zo niet de beste klassieke renner die er ooit is geweest. Hoeveel koersen hij precies gewonnen heeft, weet niemand precies te zeggen. De voorzichtigste bronnen spreken van 507, de keizer zelf telde er 514. Om een idee te geven: zijn grote rivaal Merckx klokte af op 525 zeges, waarvan 35 Tour-etappes. Van Looy verzamelde in zeven Rondes evenveel ritoverwinningen. Als klassieke renner zijn de twee grote rivalen dus op z'n minst elkaars evenknie.

Op Van Looys erelijst prijkt drie keer Parijs-Roubaix, twee keer de Ronde van Vlaanderen, twee keer Parijs-Tours en twee keer Parijs-Brussel. Ook Milaan-Sanremo, Luik-Bastenaken-Luik en de Waalse Pijl schreef hij op zijn palmares. En dan was er nog het wereldkampioenschap van 1960 in Leipzig en, een jaar later, dat in Bern. "Het WK is de mooiste eendagswedstrijd die er is", vindt Van Looy. "Als je wint, rijd je het hele jaar met die trui. Wie won er vorig jaar de derde Tour-rit? Dat weet niemand nog. Maar iedereen weet nog wie er het afgelopen jaar wereldkampioen werd. Dat is de grote aantrekkingskracht van die wedstrijd. Vergeet ook niet dat er maar één wereldkampioenschap per jaar is. Als je in een klassieker wordt geklopt, komt er een week of een maand later nog een kans om een andere te winnen. Een wereldkampioenschap is eenmalig. Daarom is het ook altijd zo'n nerveuze koers. Stressbestendigheid is een voorwaarde om wereldkampioen te worden."

Rik I en Rik II

Van Looy was geen rasechte massasprinter zoals we die nu kennen. Zeker, hij had een meer dan behoorlijke spurt in de benen, maar het grote verschil maakte hij toch door aan te vallen, aan te vallen en, als ook dat niet hielp, nog eens aan te vallen. "Sprinters van het type Zabel had je toen nog niet", zegt Van Looy. "Je kon het je niet veroorloven om je de hele wedstrijd weg te steken en pas toe te slaan in de laatste rechte lijn. Ik heb niet één keer meegemaakt dat een wereldkampioenschap op een massasprint eindigde. We gingen altijd weer met een groepje naar de meet. Behalve in 1956. Toen was iedereen er nog bij. (lacht) Nu ja, iedereen... veel meer dan twaalf renners waren er niet meer in koers."

Van Looy had nog een wereldkampioenschap of drie meer kunnen winnen. Maar daarvoor had hij de medewerking nodig van de voltallige Belgische ploeg. En die kwam er niet altijd, zeker niet in het begin van zijn carrière.

In Kopenhagen, 1956, stak Van Looy, nauwelijks tweeëntwintig, voor het eerst de neus aan het venster. Hij werd tweede, achter de toenmalige wereldkampioen Rik Van Steenbergen, toen uiteraard nog de kopman van de Belgische ploeg. Sindsdien gaan Van Steenbergen en Van Looy als respectievelijk Rik I en Rik II door het leven. "In Kopenhagen was er afgesproken dat ik mijn eigen kans mocht gaan", vertelt Van Looy. "Van Steenbergen kreeg de ploeg achter zich, Fred De Bruyne en ik hadden een vrije rol. Tegen de afspraken in heeft Fred toen de spurt aangetrokken voor Van Steenbergen. Van toen af was het altijd wringen tussen Fred en mij. (grijnst) Zo hebben we ooit de Ronde van Lombardije verloren omdat we te lang bleven surplacen... Rivaliteit? Wees daar maar zeker van. Rivaliteit moet er zijn, vind ik. Die maakt de wielersport zo mooi."Een jaar later, op het WK van 1957 in Waregem, zat Van Looy er naar eigen zeggen nog dichter bij. Rik II strandde echter op de vierde plaats, volgens hem omdat hij in de tang genomen werd door de ploegmaats van Rik I. Samen met Marcel Janssens ging Van Looy in Waregem de laatste ronde in, maar hun vlucht leidde tot niets. "Marcel Janssens weigerde mee te werken in de ontsnapping. Als hij had meegereden, werd ik dat jaar ongetwijfeld wereldkampioen. Maar Marcel was een ploegmaat van Van Steenbergen (die opnieuw wereldkampioen werd, JdP/TL). Ik neem Marcel niets kwalijk. Het was zijn goed recht om voor zijn kopman te rijden. Ik ben er toen ook niet zo lang bij blijven stilstaan. Ik was nog jong, ik zat in de opbouwperiode van mijn carrière. Als ik toen had gewonnen, had ik meteen alle druk op mijn schouders gehaald. Met de kampioenentrui rond je schouders houdt iedereen je in het oog. Je móét presteren in die trui."

De moeder aller wielerrellen

Een derde grote kans om net als Van Steenbergen en Merckx drie wereldtitels op zijn naam te schrijven miste Van Looy in 1963, toen in Ronse misschien wel het meest besproken wereldkampioenschap ooit werd verreden. "Dit bij slecht weder (koude wind en regen) verreden kampioenschap liep uit op een sisser", staat er in Velo 64, het wereldjaarboek van de wielersport. "De Belgen hadden de wedstrijd beheerst. Ter uitzondering van Frans Aerenhouts (val tijdens de tiende ronde) reden allen nog in de 'groep der 28', die naar de eindspurt trok. Die spurt verliep onregelmatig en tot de laatste meter... Van Looy, die heel wat werk verzet had, nam op 250 meter der aankomst vrankweg de leiding. Ook Gilbert Desmet en Benoni Beheyt gingen op hetzelfde ogenblik aanvallen. Van Looy verzwakte spoedig en zwenkte helemaal naar links om Beheyt te gaan opvangen. Deze duwde Van Looy met de hand terzijde en stak hem in de allerlaatste meter voorbij." Was van Looy van zijn lijn afgeweken? Moest hij eigenlijk niet gedeklasseerd worden? Hijzelf, bijna heel België eigenlijk, vond van niet. In Humo van 26/12/1963 mocht Van Looy uitgebreid uitleggen hoe hij "ineens" opmerkte dat Beheyt, die enkele minuten eerder nog krampen had voorgewend, "uit alle macht aan het spurten was. Dat was een absoluut onverwachte situatie voor mij en ik heb er instinktmatig op gereageerd door schuin op hem af te schieten. Als ik naast hem geraakte, zou hij de wind voor mij afsnijden. Dat was geen onregelmatig maneuver. Ik zat op kop en mocht dus rijden naar believen, in tegenstelling met de voorschriften op de wielerbanen".

Wat er ook van zij: Benoni Beheyt, een bescheiden knecht, werd, tegen alle onderlinge afspraken van de Belgische ploeg in, wereldkampioen in Ronse. Tot grote ontgoocheling van de duizenden Van Looy-supporters, die hun woede naar verluidt zelfs met de vuist probeerden te bekoelen, en tot even grote verbijstering van de andere Belgische renners, die de nieuwe kampioen nooit in hun rangen zouden sluiten. Na het wereldkampioenschap in Ronse werd van Beheyt nog bitter weinig vernomen.

Negenendertig jaar later kan Van Looy de grootste Belgische wielerrel ooit relativeren. Hij heeft er ook geen moeite meer mee om de hand in eigen boezem te steken. "Ik heb toen in de eerste plaats mezelf geklopt", vertelt hij. "In de laatste kilometer ontsnapte Tom Simpson, ik ging erachteraan, kwam bij hem en hield even in. Dat had ik niet mogen doen. Als ik of hij nog 100 meter langer had doorgereden, was dat WK voor mij geweest. Maar ik maakte een fout door de benen stil te houden. Daardoor kreeg ik mijn verzet niet meer goed rond en werd ik uiteindelijk nog voorbijgereden door Beheyt. Ik had ook kunnen blijven zitten, maar dan had Simpson zeker gewonnen. Een spurt is altijd gokken. Ik heb toen verkeerd gegokt. Je hebt op zo'n ogenblik echt geen tijd om na te denken. Alles gebeurt in een reflex."

Wakker ligt Van Looy er allang niet meer van, al blijft hij het betreuren dat hij niet in de voetsporen van Van Steenbergen en Merckx kon treden door een derde wereldtitel op zijn naam te zetten. "Dat zou mooi geweest zijn. Maar bon, ik had ook vijf, misschien wel zes keer Parijs-Roubaix kunnen winnen. Het heeft niet veel zin om daar een leven lang over te blijven piekeren. Mijn palmares ziet er denk ik wel goed genoeg uit. Ik heb zowat alles gewonnen wat er toen aan eendagswedstrijden te winnen was."

'Anquetil was de grootste'

Rik Van Looy beleefde zijn gloriedagen tussen 1956 en 1965, met andere woorden: tussen de klassieke hegemonie van Van Steenbergen en Eddy Merckx in. "Van Steenbergen was mijn grote voorbeeld", zegt Van Looy. "Ik keek bij het begin van mijn carrière enorm naar hem op, al was er natuurlijk ook wel rivaliteit tussen ons. Wat wil je? Ik was tweeëntwintig en hongerig, hij was dertig en op het hoogtepunt van zijn carrière. Ik werd al snel Rik II gedoopt. Rik I probeerde Rik II van de top weg te houden, en Rik II probeerde Rik I van de top te stoten." De strijd tussen de twee Rikken beleefde een nieuw hoogtepunt tijdens het wereldkampioenschap van 1959 in Zandvoort. Na de wedstrijd werd Van Looy twee weken geschorst door de wielerbond, officieel omdat hij in de achtervolging ging op Van Steenbergen. "Het verhaal klopt niet", zegt Van Looy. "Er was een ontsnapping van een stuk of zeven renners, onder wie André Darrigade (de latere winnaar, JdP/TL). Een groepje met Van Steenbergen en ik reed voluit om die mannen terug te pakken. Plots laten twee renners die in het wiel van Van Steenbergen zaten een gat vallen. Ik fietste dat gat dicht. Lap, een schorsing aan mijn broek."

Nog geen tien jaar later zorgde een troonswissel opnieuw voor commotie in wielerminnend België. Deze keer was het de keizer van Herentals die op de troon zat en was het de jonge Eddy Merckx die zich opmaakte voor de troonsbestijging. De legendarische rivaliteit tussen Van Looy en Merckx ontstond al vroeg. In 1965, Merckx was toen negentien, debuteerde het jonge supertalent bij Solo Superia, de ploeg waar Van Looy de onbetwiste kopman was. Langer dan een jaar zou Merckx het onder Van Looy niet uithouden. "Als Van Looy in de gaten krijgt dat hij niet in staat is om de wedstrijd te winnen", verklaarde Merckx ooit aan La Dernière Heure, "dan geeft hij nog liever de zege aan een tegenstander dan aan een ploegmaat."

Het zou nooit meer goed komen tussen de twee wielergoden. In 1998, naar aanleiding van 's keizers vijfenzestigste verjaardag, haalde Merckx in de krant Het Volk herinneringen op aan zijn voormalige ploegmaat. De rivaliteit, om niet te zeggen haat, spatte er nog altijd vanaf. "Op menselijk vlak", zei Merckx toen, "hebben we nadien nog vaker meningsverschillen gehad en echte dikke vrienden zijn we nooit geworden. Toch wil ik langs deze weg Rik proficiat wensen met zijn verjaardag, want ik kan vandaag niet aanwezig zijn op het feest in Bobbejaanland."

Voor de onderlinge wrevel was echter niet alleen de mislukte samenwerking bij Solo Superia verantwoordelijk. Merckx verweet Van Looy voortdurend dat die niets anders deed dan aan zijn wiel plakken. Tot vandaag doet Van Looy geen moeite om dat te ontkennen. "Het was toch niet meer dan logisch dat ik Merckx viseerde? Als je vandaag Parijs-Roubaix wilt winnen, moet je zien dat je met Museeuw mee bent. Wie eind jaren zestig koerste, moest meespringen met Merckx. Als je hem te veel voorsprong gaf, was hij meestal voorgoed weg."

Van Looy heeft niet veel zin meer om de oude vetes nog eens op te rakelen. Beweer echter niet dat de kannibaal voor hem een jaar of vijf te vroeg kwam. Zo bovenmenselijk goed was Merckx nu ook weer niet, oordeelt Van Looy. "Ik had zelfs liever gehad dat Merckx een jaar of vijf vroeger geboren was", stelt hij beslist. "Ik zou vast en zeker nog meer koersen gewonnen hebben. Nu was het altijd aan mij om de koers te dragen. Iedereen hield mij in het oog. Als Merckx in mijn beste tijd had gereden, zou de druk ook op zijn schouders gelegen hebben. Dan had ik niet altijd moeten aanvallen. Elke renner weet dat het veel gemakkelijker is om een koers te rijden als je alleen maar moet wachten tot de grote favoriet gaat. En Eddy was te kloppen. Iedereen is te kloppen. Ook hij heeft wel eens een goede ontsnapping gemist. In 1967 werd ik tweede in Parijs-Roubaix. Marcel Janssens won toen. Merckx deed dat jaar ook mee, maar ik heb hem niet gezien."

Wordt de suprematie van Merckx vandaag dan een beetje overschat?

"(ontwijkend) Zijn erelijst ligt daar, daar kun je niet over discussiëren. Je kunt je wel afvragen wie er allemaal reed in die tijd. Had Merckx een even mooi palmares bij elkaar gefietst als er in zijn tijd een echte goede klimmer was opgestaan? Je weet dat niet, hé? Als ik niet tegen Anquetil had moeten koersen, had ik misschien ook wel een grote ronde gewonnen. Nu, daar is niets aan te doen. Dat is de wet van de koers.

"Voor mij is Anquetil de grootste die er ooit geweest is. Hij heeft een enorme indruk op me gemaakt. Zijn manier van rijden was echt uniek. Hij reed altijd achteraan in het peloton, tot er iemand ontsnapte die een bedreiging vormde voor het klassement. Dan was het: hup, naar voor en tempo rijden. Tot hij de vluchter weer te pakken had. Dan liet hij zich opnieuw uitzakken naar de staart van het peloton. Er was een groot wederzijds respect tussen ons. Wij waren bevriend, maar vreesden elkaar tegelijk. (lacht) Zo raadde hij me vaak aan om niet naar de Tour te komen. Niet dat hij dacht dat ik hem ging kloppen, maar ik zou de koers nerveuzer maken door altijd maar aan te vallen. En dat had hij natuurlijk niet graag."

Van Looy heeft nooit aanspraak kunnen maken op een eindzege in de Tour. Geen klimmer, heette het vaak, maar daar is hij het zelf niet mee eens. "Ik kon goed uit de voeten bergop. Ooit ben ik pas aan het eind van een koninginnenrit geklopt door Bahamontes. Ik heb zelfs eens de bergprijs gewonnen in de Ronde van Italië. Ik had zeker meer kunnen presteren in de grote rondes. Maar goed, in 1960, nadat ik wereldkampioen was geworden, heb ik me toegelegd op de piste. Dat was in die tijd minstens zo belangrijk als het rondewerk. Zo'n zesdaagse betekende toen nog letterlijk: zes dagen op de fiets zitten. Alleen tussen 5 en 9 uur mocht je even gaan slapen, in kleine cabines onder de piste. En 's zondags moesten we naar de eucharistieviering, op het middenplein van de piste. Als je niet ging, stuurden ze je naar huis."

'Ik, met mijn karakter...'

"De Ronde van Frankrijk wint elk jaar nog aan belang", stelt Van Looy vast, en niet tot zijn genoegen. "Die koers is nu zo belangrijk dat de helft van de renners niets anders rijdt dan de Ronde. Als je de groene trui en twee ritten in de Tour wint, is je seizoen meer dan geslaagd en hoef je voor de rest van het seizoen geen klap meer uit te voeren. En wat stelt dat voor, zo'n Tour-etappe winnen? Je een hele dag in het peloton laten meevoeren om dan, zoals Zabel altijd doet, in de laatste rechte lijn toe te slaan. Nee, daar kan ik geen respect voor opbrengen. Zo'n peloton mag dan wel 45 kilometer per uur rijden, als je met tweehonderd man bent, hoef je geen trap te geven. McEwen, Zabel, Cipo, dat zijn geen echte renners voor mij. Ze koersen niet. Eén keer heb ik Cipo zien koersen. Tijdens Gent-Wevelgem dit jaar. Dat was knap."

Wat Van Looy vandaag in de wielrennerij mist, is net datgene waar hij zelf garant voor stond. Strijd, rivaliteit, ruzie, een rel, hij deinsde er allemaal niet voor terug, integendeel. "Vandaag mag je niet lastig meer zijn", zucht hij. "Er zijn te veel van die rare ongeschreven wetten die het vuur uit de wedstrijd halen. Je mag niet aanvallen tijdens de bevoorrading, je mag niet aanvallen als er iemand aan het wateren is, je mag niet afstoppen voor een ploegmaat, je mag geen gat laten vallen voor een ploegmaat... (wegwerpgebaar) Komaan zeg. Armstrong is naar het schijnt nog altijd kwaad op McEwen omdat die twee jaar geleden eens aangevallen zou hebben terwijl de gele trui toevallig aan het plassen was. Jongens toch. Als ik McEwen was, ik zou hem onmiddellijk vragen of hij zich dan misschien bergop wat zou kunnen inhouden.

"Het ergste van al is dat je vandaag niet eens koersen moet winnen om veel geld te verdienen. Je kunt gemakkelijk 800 UCI-punten bij elkaar fietsen met een paar mooie ereplaatsen en voor de rest geen enkele koers winnen. Bij een ploeg als Cofidis worden ze zelfs betaald per punt. Zo kun je toch geen ploeg, geen renners maken?"

Van Looy werkt vandaag nog altijd halftijds voor de Vlaamse Wielerschool in Herentals. Aan vuur is er bij de jonge garde zeker geen gebrek, vindt hij. Het loopt volgens Van Looy pas mis wanneer de talentvolle renners de overstap maken naar de semi-professionele ploegen. "Die ploegen zetten alle goede renners bij elkaar. Daar leren ze om nooit tegen elkaar te rijden. Dat is natuurlijk onzin. Zo kun je toch geen renner worden? Ik, met mijn karakter, had dat nooit aanvaard."

Het kleverige asfalt van zolder Aan vuur zal het aanstaande zondag niet ontbreken, voorspelt Van Looy. Het parcours van Zolder mag er op papier dan wel gemakkelijk uitzien, de praktijk heeft hem geleerd dat schijn bedriegt. "Het is een veel lastiger parcours dan van veel mensen denken. Ik weet waarover ik spreek. In 1963 ben ik op hetzelfde circuit kampioen van België geworden. Het asfalt plakt echt aan je wielen. Het is net of er constant iemand aan je achterwiel hangt. Iedereen zegt dat het een spurt zal worden. Dat wil ik nog wel eens zien. Als er vroeg in de wedstrijd een paar wegrijden en ze rijden door, ga ze dan nog maar eens terughalen. Ik geef het u op een blaadje: er komt zondag geen massaspurt. Omdat er te veel renners zijn die niet kunnen winnen als het op een spurt aankomt. Ze zullen er niet op wachten om door Freire, Cipo, Zabel of McEwen te worden geklopt."

Van Looy acht de Belgen zeker niet kansloos. "In de breedte zijn de Belgen goed. Wauters, Museeuw, Van Petegem, ze kunnen allemaal winnen. Van Petegem ook, ja. Alleen: hij is een luierik, hé. Als hij mee de koers moet maken, constant bij de twintig eerste rijden en dan nog een zware finale rijden, dan haalt hij het niet. Hij kan alleen winnen als hij zich lang genoeg kan wegsteken. En dan in de finale ontploffen."

Eén belangrijke naam is nog niet gevallen. Die van Ludo Dierckxsens, ook een Kempenaar, even aanvalslustig als Van Looy en een graag geziene gast in de Vlaamse Wielerschool. "We zullen Ludo zien, zondag", glundert Van Looy. "Daar ben ik zeker van."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234