Zaterdag 19/09/2020

InterviewMarie-Pierra Kakoma

Rijzende (pop)ster Marie-Pierra Kakoma: ‘Ik ben bij mezelf in therapie gegaan’

‘Ik kan dagen, weken zwijgen indien nodig. Toen ik op straat leefde, gebruikte ik mijn stem op een bepaald moment alleen nog om te zingen.'Beeld © Stefaan Temmerman

De Brusselse Marie-Pierra Kakoma aka Lous and The Yakuza, maakt vandaag furore als popster, model én spreekbuis voor de Belgische Black Lives Matter-beweging. Maar haar leven ging niet bepaald over rozen. ‘Als dakloze was ik ineens zo depressief dat ik met mezelf moest lachen.’

Na Parijs, Berlijn, Londen en een korte pit- en pr-stop in thuisbasis Brussel vertrekt de 24-jarige Lous – straattaal voor ‘soul’ – weer met haar Yakuza-crew richting Parijs, waar haar label, Sony Music France, gevestigd is. Normaal gezien had ze nu, onder andere, opgetreden op Dour, Pukkelpop, Lowlands en Roskilde. Maar ook met een gecancelde concertagenda heeft de opkomende artieste haar handen vol tijdens deze coronazomer. Nieuwe videoclips draaien, aan de lopende band interviews geven, poseren voor de lens van Nicolas Ghesquière, creatief directeur van Louis Vuitton: het mag duidelijk zijn dat tijd met Lous and The Yakuza kostbaar is.

Na wekenlang over en weer mailen met haar management verkrijg ik uiteindelijk een strak getimed uurtje met de artieste met Congolees-Rwandese wortels, en dat in de afgehuurde lobby van het hippe Brusselse Serra-hotel. Met in haar kielzog een cameraploeg van Arte die haar 24 uur volgt, en vergezeld van haar hoogsteigen maquilleuse stelt Lous breed glimlachend voor buiten nog even een sigaretje te roken voor we aan het gesprek beginnen. Verpakt als voorstel is de vraag in de eerste plaats een vriendelijk gebod; Lous weet heel goed wat ze wil.

Behalve tonnen charisma beschikt de muzikante ook over een imposante verschijning: lang en tenger, op haar hoge voorhoofd het bekende Y-vormige symbool dat ‘Handen hoog, geopend naar de hemel’ betekent, aan elke smalle vinger een gigantische gouden ring.

BIO

• geboren op 27 mei 1996 in Lubum­bashi, Congo • moeder vluchtte naar België, zij volgt in 2000, vader blijft in Congo • gezinshereniging in Rwanda in 2005, gaat in 2011 terug naar Brussel • leeft in onmin met haar ouders, belandt vanaf 2015 een tijd op straat • eerste single ­‘Dilemme’ is al 5,6 miljoen keer bekeken op YouTube • singles ‘Tout est gore’ en ‘Solo’ zitten ook al aan meer dan een miljoen views • album Gore is voor later dit najaar

“Je zou het niet zeggen, maar diep vanbinnen ben ik een loner”, vertrouwt ze me niet veel later toe.

“Ik praat veel, maar enkel wanneer mensen dat van mij verwachten. Vraagt niemand mij wat, dan heb ik er geen enkel probleem mee mijn mond te houden. Ik kan dagen, weken zwijgen indien nodig. Toen ik op straat leefde, gebruikte ik mijn stem op een bepaald moment alleen nog om te zingen.”

Om te begrijpen waarom de dochter van gerespecteerde dokters op haar achttiende ’s nachts in Brusselse metrostations moest bivakkeren, moeten we even terug in de tijd.

Geboren in Lubumbashi als de derde van vier kinderen van een artsenpaar spendeert Marie-Pierra Kakoma haar eerste vijf levensjaren in Congo, waar op dat moment een burgeroorlog woedt. Haar Rwandese moeder wordt gevangengenomen wanneer zij twee jaar oud is, en ontvlucht uiteindelijk het land richting België. De rest van het gezin volgt wanneer Marie-Pierra vijf is. In België woont de familie Kakoma in een benauwde flat, ondanks het doktersdiploma van de ouders.

Enkele jaren later verhuizen ze daarom terug naar Afrika: ditmaal naar post-genocide-Rwanda. Op haar vijftiende mag Marie-Pierra na lang aandringen samen met haar oudere zus terugkeren naar België, waar de meisjes een Brusselse kostschool bezoeken. Aangezien ze steeds goede punten behaalt, vat ze vervolgens een rechtenstudie aan. So far, so good, tot Marie-Pierra haar ouders inlicht dat ze de universiteit vaarwel wil zeggen om haar muziekdroom na te jagen. Dat stuit op groot onbegrip.

“Zangeres worden, dat was voor hen iets wat je enkel deed als je echt geen andere opties had. In de hoop dat ik tot inkeer zou komen en zou terugkeren naar Rwanda, zetten ze hun financiële steun stop. Maar dat was natuurlijk buiten mijn koppigheid gerekend. Als kind al wilde ik alles steeds op mijn eigen manier doen.”

Het leidt tot een breuk met haar ouders. “Ik was nochtans altijd een mama’s-en-papa’s-kindje; we hebben elkaar altijd graag gezien. Maar het was een van de zeldzame keren in mijn leven dat ik echt kwaad was. Woede maakt normaal geen deel uit van mijn leven; het doet me fysiek pijn. We hebben elkaar destijds heel heftige dingen voorgeworpen. Het heeft even geduurd eer we elkaar konden vergeven. Vandaag is onze band, ondanks de afstand – mijn moeder woont in Rwanda, mijn vader nu in Congo – opnieuw heel goed. Normaal bezoek ik hen elke zomer.”

Terwijl ze zichzelf naarstig muziektheorie bijbrengt en schrijft aan wat haar debuutalbum moet worden, probeert Marie-Pierra zich aanvankelijk staande te houden met allerlei tijdelijke rotjobs. Maar wanneer dat “door enkele slechte beslissingen” misloopt en ze haar huur niet meer kan betalen, belandt ze op straat. “Een donkere periode”, zegt ze daar nu over.

Precies hoe donker het voor hun dochter wordt, weten Marie-Pierra’s ouders lang niet. “Ik was te trots om mijn familie en vrienden in te lichten dat ik geen huis meer had. Mijn ouders hebben dat uiteindelijk via interviews vernomen. Dat vonden ze moeilijk, ja. Maar ik wilde hen niet kwetsen. Er zijn ook vandaag nog veel dingen die ik niet vertel omdat ik hen geen pijn wil doen.”

In die tijd is Marie-Pierra overdag druk met doen alsof ze níét dakloos is: ze schrijft en neemt nummers op en vraagt de vrienden met wie ze samenwerkt terloops of ze bij hen kan douchen. Ze verwarmt zich ‘s nachts aan de luchtroosters van metrostations Montgomery of Louiza – betere Brusselse buurten waar ze zich toch een klein beetje veiliger voelt.

Maar het zijn niet de andere daklozen die Marie-Pierra vreest. “Er was natuurlijk veel wanhoop en diepe miserie, maar ik leerde vooral veel over vriendschap en liefde. Hoewel niemand echt iets had, waren ze steeds bereid om met mij te delen. Van de anderen, de niet-daklozen, leerde ik wat haat was: voorbijgangers waren superagressief, spuwden of schopten me terwijl ik probeerde te slapen.”

Dankzij de onverwacht helpende hand van de Belgisch-Congolese hip­hopster Damso, een oude jeugdvriend van Marie-Pierra, weet ze uiteindelijk weg te komen van de straat. “Ik was meerderjarig, dus op papier zou ik in staat geweest moeten zijn om in mijn eigen onderhoud te voorzien. Maar ik geloof niet dat je op je achttiende al alles weet. Had ik ten minste de steun van mijn ouders nog gehad, dan had ik waarschijnlijk ondanks alles gelukkig kunnen zijn op straat. Maar ik was niet gelukkig. Ik zou zelfs durven te stellen dat ik pas sinds zo’n anderhalf jaar voor het eerst in mijn leven écht gelukkig ben.”

Beeld © Stefaan Temmerman

Als kind al maakt Marie-Pierra kennis met het donker. Opgegroeid tijdens de Tweede Congolese Burgeroorlog leert ze wennen aan het veelvuldige vluchten en verhuizen, de lange periodes waarin ze van een of beide ouders gescheiden leeft. “Ik was negen toen ik vanuit België met mijn broer en zussen in Rwanda arriveerde. Mijn ouders hadden ons verteld dat we twee maanden op vakantie bij mijn grootouders zouden gaan. Ik vond het ondertussen al niet meer vreemd om mijn ouders zo lang niet te zien.

“Maar toen ik doorhad dat we voor ongedefinieerde tijd in Rwanda bleven, brak mijn hart. De alomtegenwoordige armoede overweldigde me. Er was geen elektriciteit of warm water in huis, en overal liepen mensen zonder armen of met maar één been. Aangezien ik een erg gevoelig kind was, kwam al dat leed hard binnen.

“Ik herinner me nog goed dat ik aan de schoonmaakster van mijn grootmoeder vroeg wat dat was: genocide. IJzig kalm vertelde die totaal getraumatiseerde vrouw mij toen dat soldaten voetbal gespeeld hadden met het afgehakte hoofd van haar baby.

“Het eerste jaar in Rwanda was ontzettend hard, maar het was niet alleen verdriet; ik ontdekte er ook de schoonheid van Afrika.”

In ‘Tout est gore’ zing je ‘On vit et puis on oublie, car tout est gore’. Ook je debuutalbum heet Gore. Was ‘vergeten’ voor jou de enige manier om alle gortigheid die je meemaakte te verwerken?

“Gore is de naam van een subcategorie horrorfilms: films waarin het geweld zo extreem bruut en bloederig is dat het grappig wordt.

“Eenzelfde absurditeit beleefde ik toen ik op straat leefde. Op een bepaald moment was ik zo depressief dat ik met mezelf moest lachen; ik leek wel waanzinnig. Maar het werkte, want ik voelde me beter nadien. ‘Wees niet cliché’, zei ik toen tegen mezelf, ‘trap niet in die val’. Wees niet die dakloze die iedereen verwacht op straat aan te treffen. Want ik was omringd door depressieve mensen; hoop verdwijnt snel wanneer je op straat slaapt.

“Maar toen heb ik mezelf een schop onder de kont gegeven. Waarom probeer ik me niet uit deze klotesituatie te bevrijden in plaats van mezelf zo te beklagen? Wie zonder hoop leeft, kan evengoed dood zijn.”

Maar hoe heb je die traumatiserende ervaringen een plaats gegeven? Zocht je professionele hulp?

“Kijk, een goede therapeut zal je nooit vertellen wat te doen. Hij of zij luistert naar je verhalen, en stelt je de juiste vragen, probeert te achterhalen waar bepaalde gedachten en gevoelens vandaan komen. En dat heb ik gedaan, ik ben bij mezelf in therapie gegaan. Ik heb ontzettend veel gemediteerd en geschreven, in muziek omgezet. Met vrienden sprak ik er eerder zelden over. Ik ben toch vooral iemand die het alleen wil klaren.”

Geloof je dat er een kern van waarheid zit in het cliché van lijden voor de kunst?

“Nee, want ik heb erg gelukkige mensen ontmoet die de beste muziek maken. Uiteraard heeft mijn ervaring mijn sound bepaald, maar dat betekent niet dat ik vind dat trauma’s een vereiste zijn om goede muziek te maken.

“Jongere artiesten zeggen me vaak dat ze niet weten of ze wel iets te vertellen hebben omdat ze niet dezelfde beproevingen als ik hebben doorstaan. Waarom geen songs over je gelukkige kindertijd schrijven, antwoord ik dan. Daarmee beur je mensen op. Herinner je je nog die megahit ‘Call Me Maybe’ (uit 2012, van Carly Rae Jepsen, red.)? Dat lied gaat over niets meer dan je oog op iemand laten vallen en hopen dat hij of zij je opbelt. Maar juist omdat iedereen zich daar wel in kan herkennen, scoorde het zo goed.”

Miljoenen streams op Spotify en Madonna’s kinderen die fan zijn: je was the next big thing dit jaar. Valt jouw grote doorbraak nu in het water door corona?

“Ik geloof in lotsbestemming. Als dit de manier is waarop dingen moeten verlopen, accepteer ik dat. Want ik geloof niet dat mijn beurt nu verspeeld is. Ik heb mijn hele leven nog om te toeren.

“Natuurlijk betreur ik dat ik dit jaar niet meer kan optreden, maar er bestaan triestere dingen in het leven. Mijn problemen zijn minimaal, werkelijk. Zelfs als corona nog tien jaar aanhoudt, vinden we uiteindelijk wel een manier om alsnog veilig concerten te organiseren. Daarin ben ik optimistisch. Van livestreaming ben ik echter geen fan, omdat je dan voor een camera performt, in plaats van voor je fans. Die energie van het publiek is cruciaal voor mij.”

‘Ik vond het verwarrend dat mensen hier zo geobsedeerd zijn door schoonheid.’ Beeld © Stefaan Temmerman

Hoe bracht je de quarantaine door? Was het een vruchtbare periode voor jou?

“In de eerste week van de quarantaine maakte mijn vriendje het uit. Het was mijn eerste relatie, en dus mijn eerste breuk, wat me veel inspiratie gaf om over te schrijven. Verliefd zijn is een van mijn lievelingsgevoelens in het leven. Al sinds mijn kleuterjaren ben ik voortdurend verliefd. Niet dat die personen mijn gevoelens altijd beantwoordden. (lacht) Het voelt heel vreemd om nu niet verliefd te zijn.

“Nadat ik de eerste maand van de quarantaine op mezelf doorbracht, trokken mijn jeugdvriend Kevin en mijn jongere zusje Sarah bij me in. Dat was een heel fijne, productieve periode. Ik heb zo veel nieuwe songs geschreven dat ik op een bepaald moment klaar dacht te zijn met een víérde album.”

Je staat bekend om je hoge productietempo. Vanwaar komt die drive?

“Op mijn negende schreef ik mijn eerste vijftig bladzijden tellende sprookje waarin het vrouwelijke hoofdpersonage het heft in eigen handen neemt, omdat ik gefrustreerd was door de passiviteit van de klassieke Disney-prinsessen. Daarna schreef ik een thriller over de oorlog tussen Japan en Rusland, en nog niet zo lang geleden werkte ik een epistolaire liefdesroman af: Elle en Mathilde heet die.

“Ik zou die werken ooit willen uitgeven, maar dat is een extra job op zich. Hetzelfde geldt voor schilderen: mijn hele huis hangt vol met schilderijen. Mijn jonge zusje vroeg me onlangs waarom ik zo veel talenten heb. Zelf zie ik dat niet zo. Met muziek kan ik het meeste mensen bereiken, maar ik probeer gewoon graag veel uit.

“In de loop van de jaren heb ik ontdekt dat songwriting mij gelukkig maakt. Het werk begint voor mij pas ná het schrijven. Daarnaast ben ik erg gedisciplineerd. Ik heb altijd geloofd dat dat me ver zou brengen in het leven. Ik zou zelfs zeggen dat ik beduidend meer discipline dan talent heb.”

Op je debuutalbum schuw je de moeilijke thema’s niet. Zo heb je het ook over de zogeheten verkrachtingscultuur. Seksueel geweld: nog een van je via muziek uitgedreven demonen?

“Eén op de tien vrouwen wordt tijdens haar leven verkracht, één op de vijf seksueel geïntimideerd. Bij zwarte vrouwen ligt dat cijfer nog hoger.

“Helaas leven we nog steeds in een wereld waarin verkrachters ongestoord minister kunnen worden; kijk maar naar de kersverse Franse minister van Binnenlandse Zaken (Gérald Darmanin wordt beschuldigd van verkrachting, red.). Hoewel dit het verhaal van zo ontzettend veel vrouwen is, schamen veel van hen zich voor wat hen overkomen is.

“Dáárom wilde ik er een lied over maken. Ik bevestig hiermee niet dat ik zelf slachtoffer was van seksueel geweld, maar ik ontken het ook niet. De reden daarvoor is dat ik de song voor zich wil laten spreken. Zodra mijn album uit is, kan ik het er misschien in interviews over hebben.”

Je bent een jonge, aantrekkelijke vrouw die zich graag opkleedt. Heb jij het gevoel daarom vaak niet serieus genomen te worden?

“Ik heb het geluk omringd te zijn door mannen die heel woke zijn. Al mijn beste vrienden zijn mannen – prachtige mannen die gendernormen en -stereotypen voortdurend deconstrueren. Maar ik heb zelf wel erg geworsteld met de schoonheidsstandaarden, en dan vooral de Europese versus de Afrikaanse. Want in Afrika zijn ronde vormen de norm.

“Ik kreeg voortdurend te horen dat ik meer moest eten. Desondanks had ik geen complexen over mijn lichaam. Mijn ouders vertelden ons altijd dat we perfect waren zoals we eruitzagen.

“Daarbij leerde mijn moeder me ook dat schoonheid sowieso vanbinnen zit. Daardoor voel ik me enkel lelijk wanneer ik me lelijk gedragen heb.

“Om dan als tienermeisje naar Europa te verhuizen en ineens mega geseksualiseerd te worden omdat ik volledig aan het hier geldende schoonheidsideaal voldeed, was erg bevreemdend. Mensen denken me te complimenteren door me meteen te vertellen hoe mooi ze me vinden, maar daar hou ik helemaal niet van. Over tien jaar heb ik misschien enkele rimpels hier en daar: vinden ze me dan nog steeds mooi?

“Daarbij vinden deze mensen me in de eerste plaats knap omwille van mijn westerse gelaatstrekken. Hoe vaak ik wel niet te horen krijg dat ik eruitzie als een wit persoon met een zwarte huid: zó fout.

“Ik vond het vooral verwarrend dat mensen hier zo geobsedeerd zijn met schoonheid. Op mijn Brusselse kostschool, waar ik het enige zwarte meisje was, was iedereen ontevreden over haar uiterlijk; dat choqueerde me. Mijn klasgenotes vonden zichzelf lelijk omdat ze er niet uitzagen als een of ander model of actrice. Toen begreep ik dat de schoonheidsstandaarden binnen de blanke gemeenschap onmogelijk hoog zijn. Dun, lang en blond zijn, volstond niet. Onzin vond ik dat; ik vertelde mijn vriendinnen steeds dat ze prachtig waren.”

'Ik heb meer discipline dan talent.'Beeld © Stefaan Temmerman

In hoeverre maakten die extreem hoge eisen jou als tienermeisje met Afrikaanse roots onzeker?

“Niet. Ik ben nooit onzeker geweest over mijn uiterlijk. Mijn Instagram-volgers vragen me vaak naar het geheim achter mijn zelfvertrouwen. Maar ik heb gewoon altijd al erg in mezelf geloofd.”

Des te groter was mijn verbazing toen je onlangs een Instastory over je eetstoornis postte.

“Mijn hele community was verbijsterd. Wat mij wederom verbaasde: yo guys, ik ben graatmager, natuurlijk heb ik een eetstoornis, duh. Ik schrok ervan hoeveel van mijn vrouwelijke volgers ook problemen met eten hebben. Daarom plan ik samen met enkele van hen een livestream te doen over het onderwerp – kijken hoe we de conversatie kunnen verderzetten.

“Begrijp me niet verkeerd: ik eet niet zo weinig omdat ik mager wil zijn, of omdat ik mentale issues heb. Ik kán simpelweg niet meer eten. Dat komt doordat ik op mijn achttiende – toen ik besloot mijn passie te volgen in plaats van verder te studeren – zo ontzettend blut was dat ik mezelf simpelweg niet meer dan één maal per dag kon veroorloven. Toen ik kort daarna op straat belandde, ontwikkelde dat ongezonde eetpatroon zich verder.

“Tegenwoordig forceer ik mezelf om te ontbijten, maar het blijft een struggle. Het onregelmatige, intensieve muzikantenleven waarbij je voortdurend onderweg bent, maakt het natuurlijk ook niet gemakkelijk om evenwichtig te eten.”

Ervaar je als popster en model geen druk om zo mager te blijven?

“Ik wil graag gezond zijn. Mijn lichaam is voortdurend uitgeput; momenteel ben ik zelfs te zwak om aan sport te doen. Mijn beide ouders zijn dokter: gezondheid was een groot thema bij ons thuis. Mijn moeder vertelt mij elke videocall opnieuw dat ik meer moet eten.

“De quarantaine heeft mij ook op dat vlak deugd gedaan: ik ben maar liefst vier kilogram bijgekomen. Het kan best zijn dat bepaalde klanten mij niet meer zullen boeken wanneer ik wat meer weeg, maar dat kan me weinig schelen. Ik geloof trouwens dat ik de campagnes die ik echt graag wil nog steeds zou krijgen, ook al woog ik honderd kilo meer.”

Hoe ga je om met je alsmaar groter wordende roem?

“Ik schrik me nog steeds te pletter wanneer fans me vanuit het niets op straat benaderen. Maar op mijn niveau valt het voorlopig nog mee; voor iemand als Angèle moet die worsteling met de bekendheid gigantisch zijn. Ik wil niet zo groot worden als haar. Of misschien wel zo groot, maar niet zo exposed.

“Dat is moeilijk. Je moet jezelf natuurlijk wel promoten en interviews geven als je opgepikt wilt worden. Daarom heb ik besloten dat ik nu op alles ‘ja’ zeg, maar voor mijn volgende plaat doe ik geen promo meer.”

Je gebruikte je bekendheid ook om je volgers op de been te brengen voor de Brusselse Black Lives Matters-protesten, die je mee organiseerde. Hoe kijk je daar nu, twee maanden later, op terug? Hebben ze voldoende teweeggebracht?

“Institutioneel racisme en anti-blackness zijn nog steeds overal: in België, overal ter wereld. Dat kunnen zulke optochten helaas niet meteen veranderen. Wat ik wel een grote overwinning vind, is dat de koloniale geschiedenis van België nu verplicht tot de eindtermen van het secundair onderwijs behoort.

“Maar misschien wel het grootste probleem blijft de ondervertegenwoordiging. Bij mijn label ben ik de enige zwarte persoon. En dat is niet uitzonderlijk: zo goed als de hele muziekindustrie is blank. Ik werk nooit samen met zwarte mensen. Behalve in mijn videoclips dan. Daarin zijn enkel zwarte dansers te zien. Dat is een statement, ja.

“Maar hoe ga je zwarte muziek promoten, als je mijn cultuur niet begrijpt? Mijn sound is geïnspireerd door soul, hiphop, r&b en afro; ik maak 100 procent zwarte muziek.

“Gelukkig heb ik een fantastisch, erg begripvol team, maar ik heb hen veel moeten uitleggen. En nog steeds is het een voortdurend bijsturen en verklaren – een opvoeding die een blanke artiest nooit hoeft te geven.”

Zijn in de Black Lives Matter-strijd woede en verontwaardiging de enige juiste gevoelens of wordt beter meer ingezet op samenwerking?

“Ik kan me in beide vinden. Soms wil ik samenwerken, soms kan ik huilen van pure woede.

“Wat George Floyd overkomen is, reflecteert de haat waar zwarte mensen dagelijks mee geconfronteerd worden. Mensen zeggen weleens dat het racisme hier toch niet zo erg is als in Amerika, waar donkere mensen voortdurend neergeschoten worden. Maar het is niet omdat het racisme hier minder agressief is, dat het niet aanwezig is.

“Ik heb 37 appartementen moeten bezoeken voor ik een contract mocht ondertekenen. ‘We zijn niet zeker of je wel zult betalen’, kreeg ik dan te horen van een makelaar die waarschijnlijk tien keer minder verdient dan ik.”

Welke raad geef je blanke mensen die de strijd willen steunen, maar niet goed weten hoe?

“De eerste stap is jezelf informeren. Google white supremacy en de KKK, want het is niet omdat je zelf een ruimdenkend wit persoon bent met enkel aardige witte vrienden dat discriminatie en racisme niet bestaan.

“De tweede stap is naar ons luisteren, onze getuigenissen accepteren. Want beweren dat je mijn kleur niet ziet, is hetzelfde als mijn problemen niet zien. En vervolgens komt het er natuurlijk op aan ons niet enkel mentaal te ondersteunen, maar ook de daad bij het woord te voegen. Laat bijvoorbeeld van je horen wanneer iemand een ongepaste opmerking over zwarten maakt.

“Uiteraard is er ruimte voor blanken binnen de Black Lives Matter-beweging – als onze bondgenoten.

“De toespraak over liefde die ik op het Poelaertplein voor de verzamelde menigte hield, viel niet bij iedereen in goede aarde. Afgaande op de haatreacties die ik op Instagram ontvang, zijn het vooral blanke mannen tussen de 30 en 60 die een probleem met mij hebben. Ze schrijven me dat ik beter zou terugkeren naar mijn eigen land. Wel, de laatste keer dat ik het checkte, was mijn eigen land nog steeds verwoest door Belgiës koloniaal bewind.

“Maar hoe vijandig ze mij ook bejegenen, ik antwoord hun steeds dat ik hen graag zie. Daar snappen ze natuurlijk niets van.”

Gore, het debuutalbum van Marie-Pierra Kakoma, verschijnt dit najaar.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234