Dinsdag 18/05/2021

Revolutionair tot in de kist

Fidel Castro, de onverbiddelijke vader van de Cubaanse revolutie en de ultieme overlever van de Koude Oorlog, is dood. Hij stierf vrijdagavond op 90-jarige leeftijd. Een portret.

Weinig regeringsleiders, of het moesten pausen en monarchen zijn, hebben het voorrecht gehad dat Castro zijn hele politieke leven genoot: te volstaan met alleen de voornaam. Zelfs onder zijn talloze tegenstanders, in de eerste plaats de Cubanen die de revolutie afvielen, is de naam Fidel niet uit den boze.

Of toch niet privé, want in het publieke debat gebruikten de anticastristen uitsluitend en hardnekkig zijn achternaam, Castro. Zo hoorde het volgens ongeschreven wetten ook jaren: Castro was de benaming voor critici en neutrale waarnemers, Fidel die voor de vrienden en het Cubaanse volk.

Maar Fidel was meer dan een naam: voor veel Cubanen, en vooral zij die bang waren voor zijn lange schaduw, was hij 'él de barba', 'die met de baard'. De onuitspreekbare die, als hij toch geciteerd werd, met een summier handgebaar werd voorgesteld: van de kin af naar beneden.

De baard heeft de man gemaakt, zoals zijn revolutie het land gemaakt heeft. Maar anders dan Ché Guevara, wiens iconische kracht tot vandaag doorspeelt in de verbeelding, is Fidel Castro nooit een poster boy geworden.

Antiheld

De Cubaanse leider had dan wel een buitenmaats ego met alle driften, ingevingen en bevliegingen die daar eigen aan zijn, een persoonlijkheidscultus heeft hij nooit gevoerd. Op Cuba staan geen standbeelden van Castro, zijn geen straten of pleinen naar hem genoemd en voelde zijn alomtegenwoordigheid in de eerste plaats abstract aan: hij besliste, kondigde aan en voerde uit (of correcter: voerde uit en kondigde vervolgens aan, toen het feit voldongen was), nietsontziend, met harde hand.

De jongste jaren pas, toen Castro's keiharde betuttelingen, bemoeienissen, moraliseringen en geboden een enigszins verzachtende want grootvaderlijke allure hadden gekregen, verscheen zijn gezicht weer vaker in het straatbeeld. Enige tijd geleden bijvoorbeeld, op de graag gefotografeerde propagandaborden waarop 'Vamos bien' te lezen stond, 'het gaat goed met ons'.

Zo goed is het Castro zelf uiteindelijk niet vergaan. Anders dan Ché Guevara, en anders dan hij misschien in zijn jongensdromen had bevroed, is de Líder Máximo geen revolutionaire dood op het slagveld gestorven, wel die van een ouder, verzwakt heerschap wiens tijd onherroepelijk gekomen was.

Fidel Castro leefde een decennium langer dan zijn plotse ziekte, in de zomer van 2006, had doen vermoeden. Alle doodstijdingen ten spijt herstelde hij goed en zette hij zich weer aan het schrijven. Zijn reflexiones in de staatspers of op de website cubadebate.cu gingen over alle dingen des levens, over internationale politiek, de VS en Guantánamo, het leefmilieu en het onrecht in de wereld. Heel af en toe, enkele maanden geleden nog naar aanleiding van het historische bezoek van Barack Obama aan Cuba, verscheen hij op een foto, of schoot hij met scherp: zo had hij weinig vertrouwen in de toenadering met de VS en de nieuwe koers van zijn broer Raúl.

Het neemt niet weg dat Fidel Castro een oude man geworden was, een lijdend man wellicht, wiens laatste levensjaren hem op de alledaagse menselijkheid terugwierpen. Hij oogde als een antiheld die moeizaam vooruitslofte in een trainingspak dat er niet uitzag. Was dit de politieke leider op wie de Amerikaanse inlichtingendienst CIA jarenlang jacht maakte?

Maar Castro moest Christus aan het kruis niet navolgen om herinnerd te worden. Zijn leven leest als een roman waarin de werkelijkheid elke fictie overtreft, en waarin nu eens Don Quichot, dan weer Robin Hood of Jekyll en Hyde aan zet lijken. Castro's leven is ook de spiegel van een tijdperk, de tweede helft van de 20ste eeuw: revolutionaire bewegingen en dekolonisering, de Koude Oorlog en de spanningen tussen Oost en West, het einde van de Koude Oorlog en de spanningen tussen Noord en Zuid, tussen communisme en kapitalisme, tussen etatisme en liberalisme, tussen dictatuur en democratie.

Toespraken

Alle ismen heeft Castro overleefd, elf VS-presidenten zag hij passeren, hij doorzwom alle waters. Letterlijk ook, want in een van zijn eerste jeugdige pogingen tot heldendom, die om de Dominicaanse dictator Trujillo omver te werpen, moest de revolutionair zwemmend ontkomen. Ook zestig jaar geleden, op 2 december 1956, bij Fidels landing met het jacht Granma in de Zuid-Cubaanse mangroves, was het al nattigheid, drassigheid en geploeter waarop hij en zijn rebellen onthaald werden. De troepen van sterke man Batista schoten er intussen flink op los.

Fidel Castro was, sinds ook zijn oude aartsvijand Augusto Pinochet het loodje legde, het laatste gezicht van de Latijns-Amerikaanse militaire regimes. Maar compleet anders dan de Chileen zal Castro niet uitsluitend negatief herinnerd worden. Meer nog, gesteld dat zoiets objectief mogelijk zou zijn, kan bij telling van de voor- en tegenstanders het pleit fors in het voordeel van de eersten uitvallen.

Velen waar ook ter wereld prijzen Castro voor zijn harde standpunten jegens de VS, voor zijn vastberadenheid om van onderwijs, volksgezondheid en ontwikkeling politieke topprioriteiten te maken, en daar fel geprezen successen in te boeken. Velen zullen Castro ook herinneren als 's werelds grootste exporteur van dokters, verplegers, leraren en soldaten - bijvoorbeeld naar de revolutionaire brandhaarden in Afrika.

Met heimwee en bewondering zal ook teruggedacht worden aan Castro's legendarische toespraken. Sommige ervan duurden tot zeven uur lang en zetten met name de heersende wereldorde in zijn hemd. Zo onderbouwd, onderhoudend en pedagogisch klonk Castro's discours dat zelfs een hagiografie als Cien horas con Fidel ('100 uren met Fidel') van Le Monde Diplomatique-journalist Ignacio Ramonet interessante lectuur oplevert.

Maar Castro zal ook postuum gehaat, dan wel hevig bekritiseerd worden. Omdat de Cubanen onder zijn bewind nooit vrije burgers waren, altijd aan censuur, controle en vervolging onderworpen bleven, gigantische revolutionaire offers moesten brengen voor resultaten die alles welbeschouwd onder de verwachtingen bleven; omdat vijf decennia na de revolutie de Cubanen een diep verdeeld volk zijn, getraumatiseerd door bootvluchtelingen- en andere dodelijke drama's; omdat de nationale verzoening een werk van lange adem dreigt te worden; omdat Castro nooit pragmatisch genoeg geweest is om zijn economie te moderniseren, tenzij dan in de jaren 90, toen het regime voor zijn overleven op onder meer joint ventures, dollarisering en cuentapropismo (burgers die voor eigen rekening werken, niet voor de staat) aangewezen was. Nogmaals: broer Raúl probeert vandaag te redden wat er te redden valt.

Niemand weet hoeveel succesrijker de revolutie had kunnen zijn als ze niet vrijwel van meet af door het stupide, nog altijd niet opgeheven VS-handelsembargo werd getroffen. Evenmin als we weten of Castro ook zonder embargo de touwtjes zo strak in handen had kunnen houden. Het feit is dat de Cubaanse leider 50 jaar lang bijna alles wat fout ging in zijn land aan de 'blokkade' weet, en dus aan Washington.

Geheel volgens het marxistische recept heeft het regime de officiële zelfkritiek, correctie en rectificatie steeds hoog in het vaandel gedragen, maar nooit zo hoog dat Castro en zijn broer er de ultieme conclusies uit trokken - bijvoorbeeld door hun baan in de waagschaal te leggen en algemene vrije verkiezingen uit te schrijven.

De enige mislukking waar Fidel de persoonlijke verantwoordelijkheid voor nam, was die van de suikerrietoogst van 1970, toen de zelfopgelegde, 'heroïsche' 10 miljoen ton niet gehaald werd. "U hebt het recht mijn ontslag te eisen, maar dat zou niets aan de zaak veranderen", sprak hij een door collectieve depressie getroffen menigte toe. Waarna hij, gehavend maar niet geknakt, tot de orde van de dag overging en zichzelf opnieuw uitvond, zoals hij dat zo vaak zou doen.

Die 'oogst van 10 miljoen' is intussen ook alweer 46 jaar geleden. In de jaren 80 werd Castro ervan verdacht het revolutionaire vuur in het buitenland aan te steken: in Centraal-Amerika (Nicaragua, El Salvador) en het Caraïbische gebied (Grenada) waaide de linkse wind zo hevig dat hij het brutale militaire interventionisme van de Amerikaanse president Ronald Reagan tot gevolg had.

Voor Reagan - niet de meest subtiele denker - waren Managua, Havana en het Kremlin één pot nat. Dat was een misvatting van formaat, want hoewel Cuba jarenlang aan de Sovjet-sonde lag, probeerde het zichzelf ook structureel als niet-gebonden voor te stellen. Anders dan zijn collega's in de Oost-Europese satellietstaten van Moskou behield Castro een opvallende marge voor eigen (en eigengereid) beleid.

Die onafhankelijkheid was het die het Cubaanse systeem na de val van de Muur in staat stelde overeind te blijven, een krachttoer die de meeste waarnemers destijds verbaasde.

Rakettencrisis

Dat de VS altijd een diep wantrouwen zijn blijven koesteren jegens Fidel Castro en dat velen in Washington hem lang als een politieke psychopaat beschouwden, valt mogelijk terug te brengen naar de spannendste dagen van zijn bewind, de rakettencrisis van 1962.

Een jaar eerder had Castro de door de VS geleide Varkensbaai-invasie door Cubaanse ballingen gepareerd, nu werd hij voor de Amerikanen ook een dodelijke bedreiging. Castro had de Sovjet-leider Nikita Chroestsjev immers de toestemming gegeven 162 atoomraketten te installeren op Cuba.

Zoveel is na het einde van de Koude Oorlog, en na meerdere academische ontmoetingen tussen de hoofdactoren van destijds, wel duidelijk geworden: als het aan Fidel gelegen had, dan was er op de fatale knop gedrukt. "Ja, ik had het gebruik van de wapens aanbevolen", zei hij in 1992 aan voormalig VS-minister van Buitenlandse Zaken Robert McNamara. Op de vraag wat er dan van Cuba zou zijn geworden, antwoordde Castro: "Het zou totaal vernield zijn."

Tot op het einde zou Castro verbitterd geweest zijn omdat hij in de zoektocht naar een uitweg voor de oktobercrisis van 1962 veeleer als een probleem dan als een deel van de oplossing beschouwd werd. Uiteindelijk werkten de presidenten Kennedy en Chroesjtsjev over Castro's hoofd heen aan een uitweg. De raketten werden tegen zijn zin weggehaald, zij het met de Amerikaanse belofte dat Washington Cuba nooit zou aanvallen. Daar hield het zich ook aan.

Castro, de zoon van een Galicische grootgrondbezitter in oostelijk Cuba, is altijd een publieke figuur geweest, gepokt en gemazeld in de politiek, allesbehalve een family man ook. Wat kan er dan over zijn privéleven gezegd worden? Dat hij meerdere vrouwen gehad heeft, vader van minstens zeven kinderen is, volgens Forbes een 'persoonlijk' fortuin op buitenlandse rekeningen staan heeft - wat vermoedelijk niet klopt en door Cuba zelf hevig ontkend wordt. Hoe dan ook heeft de president de antikapitalistische soberheid en gestrengheid niet alleen aan zijn volk maar ook aan zichzelf en zijn familie opgelegd.

Anders dan broer Raúl, die er met zijn inmiddels overleden vrouw Vilma en hun kinderen een veel royalere levensstijl op nahield, heeft Fidel - volgens nabije getuigen zeer tot ongenoegen van zijn echtgenote (toch al 45 jaar aan zijn zij) en would be first lady Dalia Sotto del Valle - zijn kinderen nooit een voorkeursbehandeling gegeven.

Een rantsoenboekje, een sueldecito ofte 'salarisje', misschien nog net een staats-Lada en een gemeubileerde kamer in Punto Cero, het zwaarbewaakte compound dat de familie in de riante wijk Siboney in het westen van Havana betrekt: zo leefden Fidelito, Angel, Antonio, Alex, Alejandro, Alexis en Alina - Castro's naar de VS uitgeweken dochter, waarvandaan ze in een eigen radioprogramma jarenlang haar gal spuwde op vaderlief.

Heropvoedingskampen

Was Castro's revolutie een historische noodzaak? Heeft hij de meerderheid van de Cubanen in het revolutionaire avontuur meegekregen omdat Cuba zo onderontwikkeld was? Omdat het juist redelijk ontwikkeld was? Of omdat het te ongelijk ontwikkeld was? En vooral, hoe zou het Cuba zonder de revolutie vergaan zijn, als het een aan de VS-economie gebonden suikerexporteur gebleven was, met nu eens autoritair-militaristische, dan weer semidemocratische of maffiose trekjes?

Als de Cubaanse economische elite het succesverhaal van Havana had geschreven, in plaats van dat van Miami? Als Castro's revolutionaire moraal de kunst, literatuur en seksualiteit (compleet met heropvoedingskampen voor homoseksuelen en prostituees) niet op hun kop gezet, maar op hun beloop gelaten had?

Het zijn stuk voor stuk vragen die stof tot debat leveren, en er debet aan zijn dat in bibliotheken waar ook ter wereld de sectie Latijns-Amerika doorgaans voor de helft met Cuba- of Castro-gelieerde literatuur gevuld is. Het zijn, meer nog, vragen die de Cubanen zichzelf zullen moeten stellen, nu de pijler waarop al hun dromen, bewondering, frustraties en verwensingen geschraagd waren niet meer is.

Zonder Fidel, en met Raúl in de rol van pragmatische overgangsfiguur, is Cuba hetzelfde land niet meer.

"Het socialisme of de dood", dreunde Fidel Castro sinds de instorting van de Sovjet-hulp eind de jaren 80. ('Wat is het verschil tussen die twee?', vroegen veel ontgoochelde Cubanen zich af.) Sleurt Fidel het Cubaanse socialisme mee in zijn graf, of houdt Raúl het in al dan niet aangepaste versie overeind? Geen Cuba-expert of CIA-agent, en die zijn talrijk, die er benul van heeft.

De laatste keer dat we van Fidel hoorden, was in april van dit jaar, in de tuin van de Belgische ambassade in Havana. Toen spraken we met een kleinzoon van hem, ook Fidel genaamd. "Het gaat goed met mijn grootvader", vertelde hij. "Hij is wat sneller moe dan vroeger, maar hij blijft boeken lezen en studeren, dag en nacht. Hij is erg begaan met de voedselproblematiek in de wereld, en hoe veel te veel eten aan veevoeder opgaat."

Fidel Castro werd, zoals Raúl eerder op de staatsomroep had aangekondigd, weinige uren na zijn dood gecremeerd ('Is er wel een autopsie geweest?', vroegen boze tongen zich prompt af). Castro's urne zal negen dagen door Cuba reizen, alvorens ze bijgezet wordt in de stad waar hij het vuur van de revolutie aanstak: Santiago de Cuba.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234