Dinsdag 11/05/2021

Revolutionair tegen wil en dank

'Het postuur van een koekenbakker, de houding van een schoenlapper, de omvang van een vatenmaker, de manieren van een textielkoopman en het gezicht van een cabaretartiest,' zo beschreef een tijdgenoot de beroemdste romancier van de negentiende eeuw, Honoré de Balzac. Toch bezat de auteur ook een bijna dierlijke uitstraling die vooral adellijke vrouwen fascineerde. Madame de Pommereul sprak over het opvallende voorhoofd van de schrijver 'met een weerschijn als van een lamp' en over 'zijn bruine ogen met goud erin, die alles even duidelijk uitdrukten als zijn woorden.'

Frans Aerts

Tweehonderd jaar geleden, op 20 mei 1799, werd Honoré Balzac (toen nog zonder het aristocratische 'de') geboren in de hoofdstraat van Tours: de rue de l'Armée d'Italie. Onder het wisselend politieke gesternte zal de straat nog tijdens zijn leven vier keer worden herdoopt: tot rue d'Indre-et-Loire, tot rue Napoléon, tot rue Royale. Bij zijn dood, op 18 augustus 1850, heette ze rue Nationale, wellicht de geschiktste straatnaam voor het geboortehuis van een schrijver die met La comédie humaine meer dan wie ook de Franse romankunst van de vorige eeuw belichaamt.

Die schitterende titel La comédie humaine gaf hij pas in 1841 aan de serie boeken waarin regelmatig dezelfde personages terugkeerden. Sommige komen we maar één enkele maal tegen, andere zijn vaste klanten, zoals Rastignac of Vautrin, bandiet en later hoofd van de politie, gemodelleerd naar de historische figuur Vidocq, een dwangarbeider die het tot politicus bracht. Sinds het begin van dit Balzac-jaar 1999 brengt de Franse krant Le Monde in elke wekelijkse literatuurbijlage een karaktertekening van een figuur uit de Comédie, telkens door een vooraanstaand auteur of criticus.

In totaal bevat de Comédie 95 volledige boeken, plus nog 48 die niet werden afgewerkt. Specialisten hebben nagerekend dat de cyclus zowat 2.500 personages telt; in zijn voorwoord schreef Balzac daarover: "Mijn werk heeft zijn geografie gelijk het zijn stamboom heeft en zijn families, zijn plaatsen en zijn voorwerpen, zijn personen en zijn gebeurtenissen; gelijk het zijn wapenboek heeft, zijn edelen en zijn burgers, zijn ambachtslui en zijn boeren, zijn politici en zijn dandy's, zijn leger, enfin, heel zijn wereld!" In het Maison Balzac, in de Parijse rue Raynouard, neemt de stamboom van zijn romanpersonages twee muren van de eerste verdieping in beslag. Balzac, dat is een hele samenleving: "Moi, j'aurai porté une société tout entière dans ma tête."

In zijn omgeving, in zijn familie, had de schrijver die 'menselijke komedie' grondig leren kennen. Alles stond in dienst van het menselijk opzicht; zo weigerde zijn vader, die heel moeizaam de ladder van de ambtenarij was opgeklommen, tussenbeide te komen toen zijn eigen broer wellicht ten onrechte werd geguillotineerd - alleen om zijn eigen naam niet te compromitteren. Ondertussen publiceerde die voorbeeldige directeur van de bevoorrading van het militaire garnizoen van Tours, vader Bernard-François Balzac, wel moraliserende brochures in de trant van Mémoire sur le scandaleux désordre causé par les jeunes filles trompées et abandonnées.

Over zijn moeder noteerde Honoré dat ene verschrikkelijke zinnetje: "Ze haatte me, nog vóór ik geboren was." Enkele jaren later zou ze van haar lievelingszoontje bevallen, Henri-François, het kind van een minnaar - niet van haar drieëndertig jaar oudere echtgenoot.

Honoré werd op kostschool geplaatst bij de paters oratorianen in Vendôme. In de zes jaar dat het kind daar onafgebroken verbleef, kwam zijn moeder hem tweemaal bezoeken. Misschien helpt een ongelukkige jeugd inderdaad bij een schrijverscarrière? Later ging Honoré op zoek naar een vervangmoeder: al zijn minnaressen hadden zowat haar leeftijd. Zijn eerste en grote liefde, Laure de Berny, was tweeëntwintig jaar ouder dan hijzelf, ze was nog geboren aan het hof van Versailles als dochter van een hofmusicus en een hofdame van de koning. Hun verhouding werd later vereeuwigd in een van zijn bekendste romans, Le lys dans la vallée. Al die vrouwen waren van adel, net als zijn vriendin en geldschieter de Poolse gravin Hanska, met wie hij kort voor zijn dood in het huwelijk zou treden. Heel het wezen van Balzac wortelde immers nog in het Ancien Régime.

Politiek bevond Balzac zich helemaal rechts; toen in juni 1848 tijdens de repressie van een hongeropstand zesduizend doden vielen en gevangenen zomaar in hun cellen werden afgemaakt, sympathiseerde hij met de onderdrukker. Die houding contrasteert totaal met het mededogen voor de onderdrukten en bedrogenen in zijn oeuvre. In zijn lijkrede vatte Victor Hugo die paradox als volgt samen: "Of hij het wil of niet, of hij ermee instemt of niet, de auteur van dit enorme en vreemde oeuvre is van het sterke ras van de revolutionaire schrijvers." Balzac wordt de scherpzinnige observator van zijn tijd genoemd, maar zijn grootste talent lag wellicht in zijn profetisch vermogen. Niemand heeft zo vroeg de eeuw der massa's voorvoeld, of de aankomende bedreiging van cultuur door consumptie.

Geen enkele historische auteur heeft bovendien zoveel bladzijden geproduceerd als deze dwangarbeider van de literatuur. Daarbij treft zijn inzicht in zowel de maatschappelijke mechanismen als in de individuele menselijke ziel. Een commentator noemde zijn werk ooit "une université du regard". De auteur leert ons vooral ánders te kijken, om achter het masker van de gedegen burger de trekken van het monster te ontwaren.

Als romanfiguren koos Balzac bij voorkeur bestaande personen, van wie hij de trekken enigszins bijtekende. Zoals de woekeraar Golseck, die als een spin zijn web weeft in de duisterste gangen van La comédie humaine: "Een vaalbleke figuur met zorgvuldig gekamd haar, onaandoenlijk gelaat, de ogen verscholen achter een oogscherm uit de klep van een oude pet, dunne lippen, zoetsappige manier van spreken, weinig gebaren. Hij spreekt nooit luid en hij raakt nooit in opwinding. Zijn slachtoffers schreeuwen soms wel; dan volgt er een stilte als in een keuken waar een eend wordt geslacht." Centraal in de cyclus staat de kille figuur van baron Nucingen, vertegenwoordiger van het nieuwe kapitalisme, gemodelleerd naar bankier baron James Rothschild. In zijn schaduw opereert de streber Rastignac, tevens minnaar van barones Nucingen.

Ook in zijn persoonlijk bestaan werd de auteur bijzonder aangetrokken door het gewin van de beurs- en zakenwereld, zonder veel succes evenwel. Hij richt bijvoorbeeld een uitgeverij en een drukkerij op om het hoofd boven water te houden en organiseert zelfs een expeditie om de antieke mijn van Cagliari op Sardinië weer op te starten. Hij bedenkt een ananaskwekerij, een opiumplantage op Corsica, een plan om de productie van peperkoek in Parijs te centraliseren: allemaal even rampzalige initiatieven. Om aan gevangenis en deurwaarders te ontkomen huurt hij onder valse naam een huis met verscheidene uitgangen, zodat hij tijdig de wijk kan nemen. Dat huis is nu het Maison Balzac, annex museum, in de rue Raynouard - niet ver van de Eiffeltoren.

Ondertussen blijft Balzac onverstoorbaar kapitalen spenderen aan kleermakers, juweliers, meubelontwerpers en interieurarchitecten. Wanneer hij zich in juli 1843 op weg begeeft naar Rusland om eindelijk de hand te vragen van gravin Hanska (hij leerde haar tien jaar voordien kennen), heeft hij in zijn koffers een luxueuze, onbetaalde garderobe en een collectie sieraden met onder meer drie trouwringen.

En toch, hoezeer geld ook centraal staat in leven en werk, het gaat ook altijd over de liefde, in iedere gedaante. Over de prille liefde, de liefde voor kinderen, de liefde van hoeren, de berekende liefde, de liefde tussen alle standen. De echtelijke liefde komt er wel bekaaid af. "Het huwelijk is een hard beroep," zucht Véronique en zij denkt daarbij aan haar afzichtelijke echtgenoot. "Het huwelijk, zoals dat nu bestaat, lijkt me een wettelijke vorm van prostitutie," roept markiezin d'Aigemont uit in La femme de trente ans, een formulering die Marx bijna woordelijk zal overnemen in zijn Communistisch manifest. Deze Julie d'Aigemont, getrouwd met de absolute onbenul en brute militair markies d'Aigemont, ontmoet op haar dertigste de jonge Charles de Vandenesse - het begin van haar echte leven. De hele roman klinkt als een roep om bevrijding, als één aangehouden kritiek op de condition féminine in die burgerlijkste en vrouwonvriendelijkste van alle eeuwen.

In haar essay over de liefde in La comédie humaine wijst Marie-Jeanne Durry er nochtans op hoezeer bij de auteur liefde en ambitie zijn verweven: liefde blijft het geëigende middel om maatschappelijk hogerop te geraken. Het gevoel is bovendien onlosmakelijk verbonden met rancune: men neemt wraak op een echtgenoot door diens vrouw tot maîtresse te nemen, of op de eigen echtgenote, wanneer men zelf wordt bedrogen "zoals die man die de minnaar van zijn vrouw onder haar ogen laat inmetselen en die, als zij kreunt bij het hoger worden van de muur, onverstoorbaar blijft zeggen: 'Je hebt bij het heilige kruis gezworen dat daar niemand was'."

Zoals de uitleencijfers van bibliotheken getuigen, blijft Balzac erg populair. Het meest gelezen worden Vader Goriot, Kolonel Chabert en Eugénie Grandet, allemaal vrij recentelijk vertaald door Hans van Pinxteren. Zopas verscheen ook Nicht Bette, de vertaling van La cousine Bette, het drama van de lelijke oude vrijster die zich wreekt op het onrecht dat haar door de natuur en haar familie is aangedaan.

Balzacs kracht, maar ook de ergernis die hij bij sommigen opwekt, zit hem vooral in zijn schitterende beschrijvingen. In de manier waarop hij als geen ander een situatie, een decor, een personage, schetst, waarbij de beelden elk gevoel voor maat lijken te tarten. Daarin blijft Balzac vooral de meester van de sfeer; in de beginzin van Eugénie Grandet wordt bijvoorbeeld de hele uitzichtloosheid van het leven in een kleine stad samengeperst: "In sommige provinciestadjes staan huizen die zo naargeestig aandoen als de somberste kloosters, de droogste zandgronden of de treurigste ruïnes." In zo'n decor kan vervolgens het drama losbarsten - vaak niet meer dan een van de talloze episodes uit de eeuwige menselijke komedie.

Tweehonderd jaar geleden werd in Tours de grootste romancier van de moderne tijd geboren: nog steeds worden traditie en avant-garde afgemeten aan de manier waarop zij zich in zijn verhaalkunst inschakelen - of zich tegen zijn voorbeeld lijken af te zetten.

Honoré de Balzac (uit het Frans vertaald door Hans van Pinxteren), Nicht Bette, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 502 p., 1150 frank.

Liefde in de provincie

'In het onschuldige, monotone leven van ieder meisje komt eens het het heerlijke moment waarop de zon begint te stralen in haar hart, waarop de bloemen tot haar spreken, waarop de warmte van haar kloppend hart zich mee gaat delen aan haar brein, daar invloed op uitoefent en al haar gedachten samen doet smelten tot één onbestemd verlangen. Dan breekt de tijd aan van argeloze melancholie en zoete geneugten! Als kinderen beginnen te zien, glimlachen ze; als een meisje zich vaag de impuls van de natuur gewaar wordt, glimlacht zij zoals ze glimlachte als kind. Als het licht het eerste in het leven is waarop wij onze liefde richten, is de liefde dan niet het licht waarop het hart zich richt? Voor Eugénie was het moment aangebroken waarop haar ogen opengingen voor het leven.

Zoals alle meisjes uit de provincie stond ze vroeg op, deed haar gebed en begon aan haar toilet, een bezigheid die van nu af aan betekenis voor haar had. Eerst borstelde zij haar kastanjebruine haar glad; daarna stak ze haar zware vlechten op in een wrong, zorgde dat er geen pieken uitstaken en schikte haar kapsel zo keurig dat het in zijn eenvoud de schuchtere naïviteit van haar gezicht nog accentueerde. Zij dompelde haar handen een paar keer in helder water, dat haar huid rood en hard maakte, keek naar haar mooie volle armen en vroeg zich af hoe haar neef toch aan zulke zachte blanke handen en zulke welgevormde nagels kwam. Zij trok nieuwe kousen aan en haar mooiste schoenen. Zij reeg haar corset toe, zonder één vetergat over te slaan. En nu zij er voor de eerste keer in haar leven aantrekkelijk uit wilde zien, was zij blij dat zij net een nieuwe jurk had gekregen, die haar goed stond.

Toen zij haar toilet had gemaakt, hoorde zij de kerkklok slaan en telde tot haar verbazing maar zeven slagen. Omdat zij ruim de tijd had willen hebben om zich goed te kleden, was zij te vroeg opgestaan. Daar de kunst haar vreemd was een haarlok op wel tien verschillende manieren te laten vallen en er het effect van te bestuderen, ging Eugénie met haar armen over elkaar voor het raam zitten en keek naar de binnenplaats, de smalle tuin en de hoge terrassen daarboven. Het had iets triests, dit beperkte uitzicht, maar het ademde toch ook iets van die geheimzinnige schoonheid die zo kenmerkend is voor eenzame oorden of de woeste natuur.'

Uit: Honoré de Balzac (vertaald door Hans van Pinxteren), Eugénie Grandet, Veen, Amsterdam, 1996, p. 65-66.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234