Zaterdag 06/06/2020

Requiemvoor eenkalkoen

Bobby Setter, stichter en hoeder van de enige echte Bobby Setter Band, gaat met pensioen. Eén optreden stond nog met een hartje omcirkeld in zijn agenda: het kerstdiner in Gasthof Palace op de Kluisberg. Schrijver Dimitri Verhulst, mét schoonouders, feestte mee.

Dimitri Verhulst

Omdat de donkerte der dagen de mensen nader tot elkaar brengt, was het kerstavond toen mijn vader me zei dat hij kanker had en hij het einde van het voetbalseizoen waarschijnlijk niet meer halen zou. Dat was het jaar waarin wij nauwelijks een hap van de kalkoen naar binnen kregen, iets waar de kat ruimschoots van profiteerde. Eendracht Aalst werd inderdaad zonder mijn vader kampioen en promoveerde naar eerste nationale. Kerstavond was het toen mijn pleegouders na ernstig conclaaf tot de conclusie kwamen dat ik een onopvoedbare, onhandelbare jongen was en ik mijn eerste van veel te vele dagen in een instelling doorbracht, waar het budget voor een kerstdis de creativiteit bevorderde zodat de gigantische gehaktbal op de tafel werd gekneed tot deze de vorm van een kalkoen aannam. De maden in dat gehakt waren nog niet gaan jeuken wanneer ik voor het eerst in mijn leven en uiteraard onder de zachte dwang van een hoofdopvoeder op een harde kerkstoel van gevlochten riet een middernachtsmis bijwoonde, waar ik de huismoeders van Belsele al hun tandvullingen kon zien terwijl ze godsvruchtig de lof der kribbe bezongen (met een gelukzalige glimlach, zodat ik begreep: geen enkele minnaar kan hier in Belsele concurreren tegen de genoegdoeningen van Ons Heer). En kerstavond was het toen ik als snotjong met mijn ouders aan de ronde keukentafel van Dikke Wis en Manke Fons zat te kokhalzen boven een aker dikke diarreekleurige soep waarop allerlei ingewanden van een kalkoen lagen te drijven, die ik moest opeten omdat zowel Dikke Wis als Manke Fons de oorlog hadden meegemaakt en dus in tegenstelling tot mij echt wel wisten wat lekker was, en dat de man in de televisie het belangrijkste deel van de tafelgesprekken voor z'n rekening nam en zei dat de zanger Louis Neefs was overleden. Nieuws dat insloeg als een bom, zodat het verdriet om de nooit nog één noot zingende Louis werd weggespoeld met een fles of tien verderf die Dikke Wis en Manke Fons nog uit Tenerife hadden meegebracht, waarna mijn vader begon te zingen: "Oh, oh ik heb wormen, oh, oh ik heb wormen, oh, oh en dat verveelt me zo oh-oh", waarna Wis een striptease deed, waarna Fons op zijn vrouw klopte, waarna mijn moeder met haar hoofd boven een emmer in slaap viel, waarna mijn vader in de tuin op handen en knieën op zoek ging naar zijn kunstgebit dat hij tussen de sparren van ons gastgezin had uitgekotst en dat werd schoongelikt door de hond. Waarna ik kerstavond definitief beschouwde als de zieligste aller avonden.

Nog voor ik drie regels van zijn gedichten begreep, keek ik ontzettend op naar de dichter Joseph Brodsky, al was het maar omdat deze man het verstand had jaarlijks met Kerstmis zijn rug naar de wereld te keren. Ieder jaar, wanneer overal ter wereld weer de grammofoonplaten van Bing Crosby werden afgestoft, trok de norse Rus zich terug op de bodem van een latere zee, Venetië, en schreef hij er een kerstgedicht. En zoals je kon verwachten bewasemde de dood iedere gedachte aan de geboorte, waarvoor Kerstmis toch symbool ging staan. In navolging van de Nobelprijswinnaar die de tiendigste maartember toevoegde aan de kalender en daarmee een datum bedacht waarvan ik het gevoel heb dat al mijn dagboeken hierop werden volgeklad, ben ik mij, als ik tenminste kon, met kerst gaan verstoppen. Geen gedicht, ik schrijf nu ieder jaar met kerst in heerlijke afzondering een nieuwjaarsbrief. Het zijn de enige brieven die ik nog met vreugde schrijf, na een alinea of drie voldoen zij aan de epistolaire eisen van een liefdesbrief. Op de brievenbus waarin ze vallen, staat ook mijn naam.

De donkerste dag van het jaar bracht ik met de bestemmeling van mijn nieuwjaarsbrieven door in Ovifat. Oud en Nieuw dreven er onafwendbaar de dichtbemiste bossen binnen, het voer in weemoed onverklaarbaar, alsof wij het leven herbegonnen en geen achtentwintig jaren naast elkaar hadden gekeken, alsof wij niet eerst al onze pogingen om te mislukken met een ander moesten opgebruiken vooraleer wij elkander mochten naderen; het voer in weemoed onverklaarbaar, alsof er roem zou zijn, geen kommer, altijd vers brood en witte rozen in huis. We zagen twee herten en de herten ons, ze zagen mij en een blonde schoonheid: zij voer van liefde naar intense droefheid, haar weemoed liet ze onverklaarbaar.

Ziedaar de najaarswandeling van een Brodskiaan, zijn romance met de woorden van een bewonderde.

Kerst is een gevaarlijk spel, je moet ervaren zijn in de somberte om het te spelen. En misschien moet ik het wel toegeven dat ik de somberte ben ontwend, tenminste toch voldoende om mij op kerstavond opnieuw onder de mensen te begeven, mijn vork in de borst van een kalkoen te steken, luidkeels vrede te wensen aan dat paar mensen op aarde van goede wil, op de dansvloer te tollen tegen de wijzers van al onze meedogenloze klokken in. Want dat, dat is wat ik dit jaar heb gedaan.

Bij de tweeduizend en tweede nageboorte van de Messias stopt de wereld niet met sterven. Ook België is op kerstavond weer een heel klein beetje meer doodgegaan, en bijna niemand die het heeft gemerkt.

Houdt u van orkestjes? Ik wel.

Zodanig hou ik van orkestjes dat ik er een punt van maak ieder jaar met de Belgische nationale feestdag naar een lukraak gat in Wallonië af te zakken, waar er altijd wel een paar planken in enkele bierbakken worden gemept als podium en waarop er vervolgens een orkestje de deunen speelt die steevast leiden tot een kusjesdans. De kreet 'Vive la patrie' leidt er een nummer van The Beatles in, en de Vlaming die daar een strofe van de Franstalige groep Indochine kan meezingen mag niet alleen rekenen op veel respect, maar ook op een avond van intense verbroedering. Ikzelf integreer er in eigen land door nooit een Jupiler maar een Jupe te bestellen, en uit mijn dak te gaan als de band 'Il y a des cactusses' speelt. Wat al die orkestjes zo onderscheidt van andere bands, is dat ze waarlijk alles kunnen spelen. Zij presteren het ten eerste om over een repertoire te beschikken dat je in geen enkele jukebox krijgt gestampt, ze spelen onverdroten van acht uur 's avonds tot de eerste vinkensuskewiet van 's anderendaags. En ten tweede kunt u recht op zo'n orkestlid afstappen en hem vragen of hij niet even 'Roll over Beethoven' uit zijn Taylor-gitaar wil rammelen en dat vervolgens opdragen aan uw tante Georgette, die precies vandaag vijftig jaar getrouwd zou zijn geweest als haar man het twintig jaar geleden niet was afgetrapt. En dan speelt zo'n orkestje ook 'Roll over Beethoven', zonder probleem en met plezier. Waar zij die duizenden partituren in hun hersenen opslaan en welke elementaire kennis ze uit hun kop moesten mesten om al die liedjesteksten en bijbehorende akkoorden er nog gestockeerd te krijgen weet ik niet, maar als bewondering datgene is wat je opbrengt wanneer iemand iets doet wat jij niet kan, dan is bewondering wat ik voel voor deze orkestjes. Vaak kom je ze niet meer tegen. De tijden dat wij nog naar trouwfeesten in de parochiezaal gingen en dat de zoon van de beenhouwer en zijn magistraal orkest daar garant stond voor vele bamba's en jaja paarden op de gang, die tijden zijn ongeveer echt wel voorbij. Een deejay is goedkoper, en zingt nooit vals. Een handvol orkestjes is nog zo zot om als Don Quichot ten strijde te trekken tegen de platenruiters, steeds met minder succes, en heden zijn we zo ver dat zelfs de peetvader van al deze bands er ook het bijltje bij neerlegt: Bobby Setter, zijnde de stichter en de hoeder van de enige echte Bobby Setter Band. Voor al uw trouwfeesten, voor ieder Bal van de Pompiers, voor elke Nacht van de Rijkswacht, voor het Gala van de Burgemeester en het Soiree Dansant van de Middenstand.

Bobby Setter (pseudoniem voor Bob Verhelst, maar met zo'n naam geraak je nooit een podium in Nashville op) gaat met pensioen, nagenieten op zijn ranch die hij plank per plank uit de States liet overbrengen en die hij ergens in het Vlaamse land heeft neergepoot samen met een optrekje voor zijn paardenknecht. De waarheid is dat de Don Quichote in Bobby Setter moegestreden raakt, hij een Bal van de Pompiers of tien te veel heeft meegemaakt waar er de laatste tijd meer werd gedanst op de plaatjes die de deejay tijdens de pauzes van zijn optreden draaide dan er een stoel werd verlaten op het moment dat het orkest zich Jerry Lee Lewis waande. Slechts weinig optredens stonden nog met een hartje omcirkeld in zijn agenda, maar een ervan was vaste prik en een goedmaker voor de rest van het hele jaar, én een niet te missen evenement voor vele van zijn trouwe fans: het kerstdiner in Gasthof Palace, helemaal bovenaan op de Kluisberg, de Mont de l'Enclus. Deze kerst heus wel voor het allerlaatst op deze plaats. De zwanenzang van een monument, een brok België die werd weggeslikt. En ik was daar, samen met mijn schoonouders, slip, slip, slip.

De laatste kilometers naar Gasthof Palace zitten in het collectieve geheugen van onze wielernatie, en pas door ze ook nog eens in de kuiten te hebben kunt u aanspraak maken op het godendom. Het asfalt staat volgekliederd met namen van geadoreerde wielrenners, wat in een steil naar de maan lopende straat toch op een smeekbrief aan de hemel lijkt. Het onkruid dat hier staat dronk heldenzweet, beukend over de Kluisberg en met hun hoofd op het koersstuur leken de sterksten der cyclisten hier op rammen, of stieren, opgehitst door het publiek, op zoek naar de rode lap van de laatste kilometer. De mensen die hier wonen en met veel zorg en gevoel voor burgerzin hun voortuintje onderhouden hebben fluim en snot van wereldkampioenen in hun haag. Dit stuk wegdek is de verzameling van spannende episodes uit evenzoveel Ronden, en er is België heel veel oneer aangedaan door de Kluisberg niet op een Monopolybord te plaatsen. Achtduizend knotsen zou een lapje grond u daar moeten kosten, wie er een hotel heeft staan is binnen. "Eindelijk godverdomme!", moet de renner denken die met zijn kleinste verzet de parking van Gasthof Palace haalt, "Eindelijk boven!" Als kerstavond moet worden doorgebracht op een 'n beetje heilige plaats dan kon mij dit keer niets ten laste worden gelegd.

Voor het loon dat u voor één dag fabriekslabeur opstrijkt bood de Palace een viergangenmenu aan, een allerlaatste keer feesten met de Bobby Setter Band tot een kot in de nacht (allez, profiteert er van), en zoveel drank als uw maag verdroeg. Voor dat laatste was ik een beetje bang, want ik was daar zoals gezegd dus met mijn schoonouders en geheel klassiek heeft het mij moeite gekost om in de gratie van deze mensen te vallen, ik was nu eindelijk zover en begreep dat ik bij de kleinste misstap weer helemaal opnieuw met een charme-offensief zou moeten beginnen. Die dingen gebeuren soms sneller dan je 't zelf in het snotje hebt. Ik was met een aantal goede voornemens naar hier gekomen: niet tegenstribbelen wanneer mijn schoonmoeder me vastgrabbelde om met haar een wals te dansen, de rook van mijn sigaretten niet uitblazen of dan toch in de richting van het plafond als het echt niet anders kon, en mij openstellen voor gespreksonderwerpen waar ik niets over te zeggen had. Mij dit alles voornemende bewonderde ik het interieur van de Palace, een combinatie van onberispelijk wit en bloedrood. De tent zat vol met hondstrouwe fans van Bobby, het tafeltje vlak voor het podium was gereserveerd voor een paar dat niet één optreden van zijn idool had gemist en dat weldra helemaal het noorden kwijt zal rondspertelen in een immens zwart gat. Wie hier aanwezig was moest je niet op een papiertje zetten dat er goed wordt geboerd in de Belgische muziek, die wist dat Karin Setter, de dochter en groepslid, in Amerika een absolute nummer 1-hit had gescoord met 'When your darling is only a memory'. Jaja meneer, in Amerika, daar kijkt gij van op hé.

Eigenlijk verschiet ik van niets meer, maar toen moest ik mijn eerste aperitief nog voor mijn neus gezet krijgen. Met kerst heet zoiets 'cocktail maison' en ik had nogal sterk het gevoel dat het een samengietsel was van alle flessen die Gasthof Palace het afgelopen jaar niet gesleten kreeg. Het enige wat ik met zekerheid herkende was helaas voor mijn persoonlijke smaak het slechtste: Martini. Je moet dat verstaan, ik kom uit een nest waar enorm werd neergekeken op Martini-drinkers en ik moet het dat nest nageven recht van spreken te hebben in kwesties als deze. Maar soit, het was kerstavond, en we zagen dit door de tralies van onze vingers. De obers deden hun werk naar behoren en schonken voortdurend huiscocktail in, of je daar nu om gevraagd had of niet. Ondertussen stegen we naar een aantal decibels waartegen de bewoners in de buurt van een luchthaven met spandoeken op straat komen en was mijn schoonvader me amicaal maar onzacht op de rug aan het kloppen; wij zijn dikke maten, patat.

Vier van die cocktails verder (gedronken tegen een snelheid waarmee je door de geluidsmuur breekt) schudden mij allerlei mensen de hand die bij nader inzien orkestleden bleken te zijn. Eigenlijk is dat een mooi gebaar: vlak voor een optreden even uw publiek komen groeten, een hand geven, een babbeltje slaan en hen een fijne avond toewensen. Ik heb het David Bowie nog niet weten doen en ik heb hem toch ook al een keer of drie aan het werk gezien. Diegene die naar mijn gedacht de hand van mijn geliefde iets te lang schudde was Roger, de bassist, en voltijds casanova. Roger is 58, probeert bij de vrouwen profijt te slaan uit het feit dat hij bij de Bobby Setter Band speelt, en neemt naar al zijn optredens zijn moeder mee. Een kranige dame van negentig en oneffen die van de directie niet aanwezig mag zijn op het nieuwjaarsoptreden van de Band in het casino van Knokke, omdat ze daar alleen maar is om naar haar zoon te kijken en er geen chique menu naar binnen wil schrokken. Roger is een goed mens, dat moet gezegd, want hij had aangeboden ons naar huis te rijden als na het feest alles was opgekraamd, zodat wij niet op een borrel meer of minder hoefden te kijken. Het vooruitzicht op een tijdens een kerstnacht verworven Bob-sleutel viel samen met de eerste fles witte wijn. Ergens in de keuken was op dat moment een kalkoen reeds al zijn pluimen kwijt.

Het eerste bord rivierkreeftjes verliet de keuken toen Bobby Setter ("van a one, a two, a one, two, three") zijn vingers in het pianoklavier drukte en begonnen was voor een set van vele uren. Hoe dikwijls heeft hij dit gedaan, dit aftellen zodat alle leden op de maat het eerste nummer openbraken? Hij deed het twintig keer op het Gala van de Belgische luchtmacht, hij deed het in het Prestige Luxe Hotel La Mamounia van Marrakech, hij deed het in Dubai in het Jumeirah Beach Hotel Burj Al Arab (naar verluidt het beste hotel ter wereld), in Zürich, Lausanne, Venezuela en Cannes. Hij deed het op al zijn Europese tournees met Fats Domino. En op de Kluisberg. Er waren nog geen drie noten gespeeld of er stond al volk onder de glitterbal te dansen, of ze daar nu met het eten waren of niet. Rock and Roll! Soms met nog een stukje krabbenpoot halvelings bengelend uit de mond, waarschijnlijk postuum graaiend naar de zee, spoedden vrouwen met opengesneden jurken zich naar de dansvloer. Er werden benen in de lucht gesmeten en hoge hakken gebroken. En ondertussen zag je kleine kinderen verdwaasd naar hun eigen ouders kijken omdat deze hen nog met vaak harde hand hadden geleerd stil te blijven zitten aan tafel. Geheel proefondervindelijk ben ik ook eens met nog een volledige aardappel in mijn mond gaan shaken: je moet daar voor zijn, het vraagt een gans andere invulling van het begrip 'dans'. Waar je ook keek was er beweging: obers in de weer met flessen, op en af dravend met borden, mannen op zoek naar een danspartner die dan ogenblikkelijk haar mes en vork weer neerlegde en haar zonder morren bij haar middel liet nemen en de rivierkreeftjes tussen slokdarm en maag liet klotsen op de muziek. Kauwen op je voedsel zat er hier niet in, hoe vlugger men dat victoriabaarsje achter de huig had hoe eerder men in de flikkering van het discolicht stond. Meer dan eens zag ik iemand het hoesje van een cd uit zijn kostuumzak diepen en ermee naar Bobby stappen om het te signeren, nu het nog kon. En vaker nog zag ik iemand de garnaalsaus in de gauwte van z'n lippen vegen, opveren, en de tafel op een haar na omverstoten bij het horen van een geliefkoosd lied.

Het leven speelt zich af tussen de soep en de patatten.

De kelder rode wijn werd naar boven gehaald, de jongste aanwezigen kregen een fopspeen in hun mond gepropt en werden op de armen van hun dansende moeder in slaap gewiegd. Het grut dat de luiers was ontgroeid en hier vanavond al zoveel had gezien dat het zich voornam zich voor eeuwig en altijd van de volwassenen te distantiëren had in de toiletten een interessante speelplaats gevonden waar het zich niet moest bekommeren om de bemoeienissen en de schaamtelijkheden van z'n bloedeigen ouders. Kinderen van negen moet je niet meer leren hoe ze zich moeten amuseren, zij plukken een kerstbal uit de dennenboom en slaan daarmee aan het voetballen, de Waalse jongens tegen de Vlaamse jongens, en de deur van de middelste mannen-wc is de goal. Vliegende keeper, voor het kleinste vergrijp een penalty.

Kerst is een familiefeest; per glas haalde ik de banden met mijn schoonvader nauwer aan en voelde ik mij steeds sterker geaccepteerd en een idealer schoonzoon, blijkens de meppen op mijn rug.

Bobby was in zijn element, daarover waren alle kenners het eens, en honkvaste fans beweerden zelfs dat ze hem in gans zijn indrukwekkende carrière zelden zo wild tekeer hadden zien gaan als nu. Hij speelde er nondedju niet naast, snel en hard. Alsof hij er de wereld met klem op wou wijzen dat hij het nog altijd kon, niet afgeschreven was. Sinds Tina Turner werd het dan ook moeilijk om je als muzikant op je zestigste als een gepensioneerde te gedragen, je krijgt dat niet meer verantwoord aan je publiek. De laatste dagen van december proberen radiostations ons te laten geloven dat er in de hele muziekgeschiedenis geen beter lied dan 'Smells like teen spirit' van Nirvana werd geschreven, maar Bobby en zijn trawanten komen met Will Tura uit de kast, Roy Orbison, Kurt Weill, Elvis Presley, Gilbert Bécaud en de 'Ketchup-song' en weten diep vanbinnen dat zij voor geen enkele ster uit geen enkele top-100 moeten onderdoen. En Bobby mag dan met zijn band de halve wereld hebben rondgereisd, hij loopt niet naast zijn schoenen: zo nu en dan bekroop een van de aanwezigen de lust om zelf eens een lied te zingen en dan stond Bobby met plezier zijn micro af. Als ik in huis loop te stofzuigen, dan droom ik er wel 'ns van samen met Tom Waits of met de Tindersticks op het podium te staan, maar ik ben er vrij gerust op dit nooit aan mijn idolen te moeten vragen. Bobby Setter had daar dus geen problemen mee en begeleidde een dolgelukkige veertiger die 'My Way' van Frank Sinatra zong in een Engels dat je vooral op Franse en Spaanse campings hoort. Maar kijk, hij zal het later zijn kleinkinderen wel kunnen vertellen nog samen met die legendarische band zijner dromen te hebben gezongen en geeft ons daar toch maar schoon het nakijken.

Twaalf uur was het, overal te lande staken pastoors met een perfect gevoel voor timing een kelk in de lucht en hieven koren het Magnificat aan, en alle leden van de Bobby Setter Band zetten een kerstmuts op hun kruin en speelden 'Silent Night'. Iedereen zoende iedereen, wenste elkaar een zalige kerst, en smeet zich in de ambiance als betrof het een generale repetitie voor oudejaar.

De kalkoen, die was toen dada. Wij droegen hem ten grave in onze magen en dekten zijn kadaver toe met crème au beurre.

"Trek het je niet aan, jong, het was de Martini", zei ik tegen mijn schoonvader, bij wie ik ondertussen in een beter blaadje stond en die nu de mannentoiletten had ondergekotst. "Dat kan iedereen overkomen", en dat meende ik maar al te zeer. De kalkoen was nog herkenbaar, misschien had hij toch wat beter op zijn eten moeten kauwen. Dat beest was nu helemaal voor niks geslacht, en dat kostuum zou toch ook naar de droogkuis moeten. Ik zag de kinderen denken: "Die meneer heeft overgegeven in het doelgebied, dat is een penalty!", maar daar waren zij vet mee, zij moesten nu een ander speelhoekje opzoeken.

"Aha", erlebte ik, want ik ben ook nog zo een kind geweest.

Mijn schoonmoeder was met rollen toiletpapier in de weer, ik begeleidde mijn schoonvader naar een stoel, en ondertussen hield mijn geliefde een leeg plastic bakje van het IJsboerke onder de ongelukkige zijn kin, voor de zekerheid. Zo worden stevige banden gesmeed. En zo gleed de Bobby Setter Band uit mijn leven, want het zag er niet naar uit dat mijn schoonpa zich deze nacht nog zou kunnen amuseren. Ik zal nooit kunnen vertellen hoe Bobby afscheid van zijn beminde publiek op de Kluisberg nam, hoe geëmotioneerd hij was, en wat zijn keuze voor zijn allerlaatste lied. En mijn enige kans om door rocklegende Roger naar huis te worden gereden was bij deze ook verkeken.

Buiten op de parking hoorde ik nog uit de verte en gedempt 'Dat heet dan gelukkig zijn'.

Ik naast mijn schoonmoeder. Zij aan het stuur, tegen vijftig per uur. Ik copiloterend. Op de achterbank mijn bijzonder stille schoonvader, en zijn dochter met een plastic bakje van het IJsboerke in de hand. De wegen zijn leeg tijdens een nog vroege kerstnacht, bevreemdend en onwezenlijk. We reden langs huizen waar gezelschapsspellen werden gespeeld, de cognac nu pas ter tafel kwam, grootvader zijn jaarlijkse sigaar opstak. Dit was het uur waarop in het hondenhok de botjes van de kalkoen over de draad werden gesmeten. Het raampje werd naar beneden gedraaid, de zuurtegraad in de wagen daalde, en in weemoed onverklaarbaar voer langs het open raam een heel oud kerstgevoel mijn kleren binnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234