Woensdag 16/06/2021

Reportage n In Atjeh voelen de mensen niks meer

Lijken kennen geen schaamte. Met hun achterwerken liggen ze omhoog in het water

Geen plaats om te bidden, geen tijd om te huilen

Banda Atjeh

Van onze corespondent

Michel Maas

'Ik voel niets meer', zegt Murizal als hij opnieuw een groepje gevulde lijkzakken passeert. 'Eerst was ik verdrietig maar dat is voorbij. Ik ben opgehouden te voelen.' Murizal spreekt uit wat anderen denken. De omvang van de ellende in Atjeh is te groot.

Overal langs de straten in Banda Atjeh liggen lijken. Hulpverleners trekken ze uit het aangespoelde puin, doen ze in plastic en leggen ze langs de straat. Het Rode Kruis haalt ze op en gooit ze in een massagraf, waar graafmachines er aarde overheen gooien. Dan zijn ze even weg, maar nooit voor lang, want overal blijven ze opduiken, in een eindeloze stroom.

In Banda Atjeh zijn tot zondagmiddag 12.382 doden geteld, in heel Atjeh 80.259, en het werden er met de minuut meer. Honderdduizend is een voorzichtige eindschatting, het kunnen er 120.000 worden, of zelfs meer. Maar dat zijn maar getallen. En de lichamen zijn nog maar lichamen. Stinkende hompen vlees die uit poelen en puinhopen worden getrokken door vrijwilligers die geen tijd hebben voor eerbied. Zij druppelen reukwater op hun maskers om de stank niet te ruiken, dompelen hun handen in karbol om het lijkvocht eraf te wassen en gaan door met hun macabere 'visvangst'.

De plaats waar Novotel ooit een Hotel Aceh had willen bouwen is een lijkenvijver. De bouw is eind jaren negentig gestopt voordat hij goed en wel was begonnen. Banda Atjeh bleef achter met een bouwput, die zondag door de tsoenami gevuld werd met water, wrakhout, puin, auto's en lijken. Elke vijf of tien minuten trekken de reddingwerkers er een uit de stinkende poel. Zondagochtend alleen al twintig, de dag tevoren vijfentwintig, en de komende dagen verwacht berger Sayful Rona er nog tweehonderd uit de bouwput te halen. "Kijk daar steekt een kont uit het water", zegt een omstander. "Een man", zegt een tweede. "Daar ligt een vrouw."

De lijken kennen geen schaamte. Zij liggen met hun achterwerk omhoog in het water en de toeschouwers doen nieuwsgierig een stapje naar voren om de opgezwollen dode geslachtsdelen te bekijken.

Voor gevoel is in Atjeh geen plaats meer. Wat moet je voelen als je door Lamjameh loopt of Lamteumen of Ulele. Je voelt de wind, omdat er niets meer is om die tegen te houden. De huizen van dit hele laaggelegen deel van Banda Atjeh zijn tot de grond verwoest. Alleen de kale betonnen vloeren zijn nog over, en een enkel miraculeus overeind gebleven gebouw. De huizen en alles wat zich daarin bevond zijn vermalen en de fijngekauwde restanten zijn door de zee een, twee kilometer verderop neergegooid. Wat overblijft is een stekelige woestijn waar tussen de modder en het wrakhout alleen nog maar sporen zijn te vinden van het leven dat er ooit was. Bijna onherkenbare foto's, een schoolschriftje, een pop.

"Het water kwam van boven", zegt Khalidi, een van de weinige overlevenden van Lamjameh. Negen meter hoog was de golf die over zijn huisje heen spoelde. "Het werd donker", zegt hij, en de golf viel van negen meter hoogte naar beneden en kraakte zijn huisje. Hij had zijn vrouw vast, en een van hun drie kinderen, maar hij voelde hoe zij weggleden. Sindsdien zijn zij verdwenen.

Khalidi komt elke dag terug om te zoeken. Hij heeft geen hoop meer dat ze nog leven, maar hij wil ze in ieder geval kunnen begraven. Hij wil ze zelf vinden voordat de politie en de bergers ze vinden en ze in een anonieme plastic zak stoppen en op een vrachtwagen gooien en wegrijden naar een van de massagraven. In Lam Jameh en Lamteumen tellen ze de doden niet eens meer. "Twaalf vrachtwagens", antwoordt een van de politiemannen op de vraag hoeveel er zondag halverwege de dag al zijn geborgen. Eén voor één worden de doden aangedragen, hangend aan een paal die rust op de schouders van twee politiemannen.

De vrachtwagen gaat niet verder dan halverwege de weg, die helemaal doorloopt tot aan het strand. Vijf kilometer tot Lamjameh, nog eens drie tot Ulele. Acht kilometer waar niets meer overeind staat. Bulldozers maken de weg vrij. De olifanten Medang en Ida helpen mee. Zij woonden met een vijftigtal andere olifanten in het natuurcentrum van Lamjameh. Ook van dat centrum steekt alleen nog maar de betonnen vloer uit het zand. De olifanten zijn naar elders overgebracht, behalve Ida en Medang, die helpen het aangespoelde puin weg te ruimen. Olifanten zijn subtieler dan bulldozers, die alles op grote ondefinieerbare hopen vegen waarvan alleen de geur verraadt dat er misschien ook doden zijn meegeveegd. Olifanten houden even halt als ze een mensenlucht ruiken.

De twaalf vrachtwagens hebben zo'n honderdtwintig lijken weggebracht, maar Gail Smith, een Britse vrijwilligster, weet zeker dat dat naar een fractie is van de duizenden die in de uitgestrekte vlakte moeten liggen. "Wij pikken nu alleen de doden op die vlak naast de weg liggen. Doden die wij zo kunnen oprapen." Zelfs dat is niet waar. Aan het eind, waar de weg zich splitst en links naar Lamjameh en rechts naar Ulele gaat, ligt een man. Mensen die hem hebben gevonden hebben met een touw zijn handen op zijn borst gebonden, alsof hij bidt. Hij wacht nog op een plastic zak. De bergers zijn niet niet zover gekomen.

Bidden is het enige wat de mensen in Atjeh overblijft. Ripal weet alleen niet waar hij moet bidden. Alle zeventien leden van zijn familie zijn verdwenen toen de tsoenami Blang Oi van de kaart veegde. De drieëntwintigjarige Ripal is de enige die het heeft overleefd. Hij werkt in Medan, in Noord-Sumatra. Daar gaat hij morgen weer naar toe. "Ik wil hier niet blijven", zegt hij. Hij heeft zijn familie niet kunnen begraven. "Ik bid bij de massagraven. En dan ga ik. Volgend jaar op nieuwjaarsdag kom ik terug. Alleen om te bidden. Ik wil hier nooit meer wonen." Ook Ripal voelt niets meer. Hij staat het zichzelf niet toe. "Als ik nadenk over wat er is gebeurd word ik gek", zegt hij.

Slechts een enkeling kan en wil de hoop na een week nog niet opgeven. Syaribani zit op een druk punt in de stad op de grond en klampt voorbijgangers aan. De vrouw is haar 34-jarige zoon Anwar kwijt. Hij ging zondag om zes uur naar Banda Atjeh en is niet teruggekomen. De 56-jarige Syaribani heeft maandag haar dorp Cot Buklat verlaten. Zij heeft drie dagen gelopen om in de stad te komen. Bij elke leger- en politiepost, in elk dorp waar ze langs kwam, heeft ze gezocht naar mensen die hem misschien hebben gezien. Nu zit zij al drie dagen in de hoofdstad, met het fotootje van haar zoon. Zij is de eerste die openlijk huilt, in deze stad waar het huilen lijkt te zijn afgeschaft.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234