Dinsdag 22/10/2019

De Bevrijding

René Huybrechts (95) schuilde tijdens WO II 18 maanden in een varkensstal: ‘Het was dat of dwangarbeid in Duitsland’

René Huybrechts voor de boerderij waar hij zich schuilhield. Beeld Wouter Van Vooren

In de laatste achttien maanden van de oorlog leefde René in een varkensstal in Herk-de-Stad. Zijn vriend André was twaalf en verstopte een geheime boodschap voor de weerstand onder een appelkist. ‘Herk was een gemeente van zwart tegen wit. Voor een onderduiker kon elke dag de laatste zijn.’

Het gehucht heet Oppum, het ligt iets bezuiden Herk-de-Stad. De perelaren waren er nog niet, merkt André Somers (87) op. “In die tijd waren het nog suikerbieten.”

We bevinden ons op de Rummenweg 164 te Oppum. Wat ooit bekendstond als de boerderij van Vanschoonbeek oogt driekwart eeuw en meerdere herverbouwingen later eerder als een Oostenrijkse chalet.

“Maar de waterput is er nog”, stelt René Huybrechts (95) vast. Er verschijnt een lachje op het oude gezicht. Zijn verhaal is dat van tienduizenden Belgische mannen met een vervloekt geboortejaar.

Voor een ei

René heeft zijn looprek in de auto achtergelaten, schuifelt verrassend energiek over de kasseien. Kijkt. Wijst.

René: “Het was dat tweede gebouwtje, achteraan. Daar was de schuur, de varkensstal. Ik had één broek, ik sliep in het stro. Het eerste wat ik ’s ochtends deed, was mijn deken verstoppen op zolder. Je wist nooit of de Duitsers de boerderij zouden komen doorzoeken.”

André, zijn vriend: “Ongelooflijk, hoe koud die winters waren. Eenenveertig, tweeënveertig, drieënveertig, vierenveertig. Allemaal zware winters. Wekenlang sneeuw en bevroren grachten. Dat je niet wist waar te kruipen van de kou.”

René: “Mijn nieuwe naam was Gaston Enckels. Dat stond zo op de papieren die ik had gekregen van iemand van de weerstand. Die had ze geregeld via iemand op de gemeente.”

André: “De oorlogsburgemeester in Herk was Raymond Enckels, een VNV’er. Met zo’n naam lieten ze je met rust. Goed bekeken van de man die de papieren heeft nagemaakt.”

René: “Ik ben tot mijn vijftien jaar naar school gegaan. Net voor de oorlog ben ik begonnen bij de buurtspoorwegen. Ik moest wielen nakijken en tramrijtuigen schoonvegen. Ik verdiende 24 frank per dag. In 1941 zijn de eerste opeisingen begonnen. In de grote bedrijven, de fabrieken, de spoorwegen en de buurtspoorwegen. De Duitsers vorderden alle jonge mannen op voor verplichte arbeid in Duitsland. Eerst het geboortejaar 1920. Een jaar later waren het die van 1921, en zo verder. Op een dag in maart 1943 was de brief daar.”

André: “Mijn broer Jef is ook opgeëist. Hij was van 1920. Drie andere mannen in het dorp waren dat ook, en zij kregen geen brief. Ze speelden toevallig alle drie in de fanfare Moedig Vooruit van burgemeester Enckels. Jef was na de Achttiendaagse Veldtocht in de buurt van Parijs in een trein gekropen en zo teruggekeerd. Hij was geen krijgsgevangene, hij had geen statuut. Ook Jef vond een plek bij een boer. Hij moest er twaalf uur per dag werken. Voor een ei. Wat zeg ik? Voor af en toe een ei.”

René Huybrechts: ‘Eén keer hebben ze mij gecontroleerd. Ik deed het in mijn broek. Echt.’ Beeld Wouter Van Vooren

Verklikkers

Historici beschouwen de massale opeisingen vanaf 1943 als een kantelpunt in de tot dan toe eerder gelaten houding van de Belgische bevolking tegenover de Duitse bezetter.

René: “Ik had een tante in Brussel, en die had tegen mijn moeder gezegd: ‘Als de brief komt, doe hem dan in de stoof, en als de Duitsers naar je jongen komen vragen, zeg dat je nooit een brief hebt gekregen.’ Zo hebben wij dat gedaan. In Hannover was een stuwdam ontploft. Daar werkten veel opgeëisten uit de streek, en velen waren omgekomen. Wij wisten wat gedwongen arbeid in Duitsland kon betekenen. En als ze je als ondergedokene wisten te vinden, dan stuurden ze je naar de ergste plekken. Een kamp of zo.”

André: “Herk was een gemeente van zwart tegen wit. Voor een onderduiker kon elke dag de laatste zijn. De Duitsers hadden vaste tarieven voor verklikkers. Een werkweigeraar of een weerstander leverde een paar honderd frank op. Een Jood kon zelfs tot vijfduizend frank gaan.”

René: “In het dorp kenden sommigen mijn situatie. Wij, mijn familie, wij waren neutraal. Wij kozen geen kant. In die achttien maanden in mijn varkensstal heb ik vooral geleerd dat niet iedereen een verklikker is.”

André: “Wij waren níét neutraal. Drie mensen in Herk hadden een radio. Men ging er ’s avonds in groep naar de BBC luisteren. Er moest altijd iemand op de uitkijk staan. Na het programma moest de naald weer op een andere frequentie worden gezet, voor als de Gestapo dat kwam controleren. We wisten in 1943 dus dat de Duitse oorlogsindustrie sputterde, dat de Duitsers op beide fronten vastzaten. Ze waren niet in Londen geraakt, en ook niet in Moskou.”

André Somers in de stal. ‘Ik was te jong, maar ben toch blij dat ik mijn klein steentje heb kunnen bijdragen.’ Beeld Wouter Van Vooren

Appelkist

André was acht toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak.

André: “Ik was vogelnestjes aan het zoeken. Dat waren dingen die wij toen deden, om te spelen. Er vlogen vliegtuigen over, er dwarrelden pamfletten uit de lucht. Er stond: Alle verzet is zinloos! Onze voorraden zijn onuitputtelijk!’ Ze zeiden dat de oorlog tegen Kerstmis voorbij zou zijn – ze bedoelden Kerstmis 1940. Er is toen een Duitse officier bij ons op bezoek geweest. Hij wilde een kop koffie.”

“Koffie zetten duurde in die tijd een halfuur. Je moest eerst houtblokken gaan halen en het vuur aanmaken. Mijn moeder had tijdens de Eerste Wereldoorlog twee wezen geadopteerd. Hun vader was gestorven bij de Slag om de IJzer, hun moeder bij haar derde bevalling. Ons ma was koffie aan het opgieten, en die officier zag de foto van Jef. Hij haalde een pak papier uit zijn zak: een bundel foto’s van steden in Polen, volledig in puin gelegd. ‘Dit is wat wij doen met franc-tireurs’, zei hij. ‘Dus zie maar dat je braaf blijft.’”

René: “Franc-tireurs, dat waren burgers die op soldaten schoten.”

André: “Ik hoorde mijn ma zeggen: ‘Ik sta hier koffie voor hem op te gieten en als hij de kans ziet, schiet hij onze Jef dood.’ Mijn moeder was een goede komediante, ze hield die officier te vriend. Terwijl er weerstanders in mijn familie zaten, sommigen waren actief bij de Komeet.”

Joods meisje

Komeet was een door de Brusselse twintigster Andrée de Jongh geleide ontsnappingsroute die tussen 1942 en 1944 zo’n 800 geallieerde soldaten en 300 piloten begeleidde tot in Gibraltar of Lissabon. Komeet, opererend vanuit een café in Sint-Gillis, werd na de oorlog geroemd als een klein maar extreem efficiënt radertje in het geheel dat de geallieerde oorlogskansen verse zuurstof inblies. Het besef dat hij maar geen vat kon krijgen op de geheime organisatie, maakte de Duitse bezetter radeloos. De eind jaren 70 gedraaide BBC-serie Secret Army is erop gebaseerd, en later ook de persiflage Allo Allo!.

André: “We hadden hier in Herk-de-Stad de geheime organisatie pilotenhulp. Vanuit de hele streek, tot aan de Nederlandse grens, werden gevallen Engelse piloten en soldaten van boer tot boer gebracht. In 1943 zijn zes mensen, onder wie mijn kozijn, onthoofd in Düsseldorf. Ik was zelf te jong om veel te doen, tegen het einde van de oorlog was ik twaalf. Ik heb wel een paar keer op wacht moeten staan. Eén keer moest ik een boodschap verstoppen onder een appelkist in een paardenstal. Die boodschap zou door twee onbekenden worden opgehaald. Ik heb nooit geweten wat erin stond. Ik heb toch het gevoel dat ik mijn kleine steentje heb bijgedragen.”

René: “Als ondergedokene leef je van vandaag op morgen. Die stal is alles wat je hebt. In de lente van 1943 kon ik werken als bietenplanter, de hele dag op mijn knieën op het veld. De lente ging voorbij, er was een kermiskoers in Herk. Rik Van Steenbergen won, dat weet ik nog. Aan de aankomst stond een vriend van mij van bij de buurtspoorwegen. Ik miste de mensen, merkte ik. Altijd alleen zijn, dat begint op zeker moment aan je te vreten. Dus ik vroeg of ik weer bij de buurtspoorwegen kon komen werken. Ik ben dan met de tram naar Hasselt gegaan. De man in het werkhuis bekeek mijn papieren. Hij zei: ‘Als ik u was, ik zou het niet doen.’ Ik ben die mens heel mijn leven dankbaar gebleven. (begint te huilen) Als hij me had aangenomen, dan was ik weggevoerd naar een kamp.”

Later kreeg René officiële erkenning als werkweigeraar onder de Duitsers. Beeld RV

André: “Dat weet je nú. Toen wist je niet zo veel.”

René: “Die boer, Vanschoonbeek, was al voorbij de zestig en hij nam risico’s. Ze verstopten in dat huis ook een Joods meisje, Ida. Ze was drie jaar jonger dan ik. Zij leefde daar onder een valse naam, zogezegd als kleindochter. Ze kwam af en toe op de koer, maar ze hielden haar zo veel mogelijk binnen. Haar ouders woonden in Brussel.”

Mijnheer Martens

Het geheime Comité de Défense des Juifs hielp meer dan drieduizend kinderen aan valse papieren en onthaalgezinnen. Al deze kinderen overleefden de oorlog.

René: “Ik wist wel: als ze mij ontdekken, dan waarschijnlijk ook Ida. Haar ouders zijn met een van de laatste transporten naar de gaskamers in Auschwitz gestuurd, zij en haar broertje hebben de oorlog overleefd.”

Albert: “Hebben ze jou eigenlijk ooit gecontroleerd?”

René: “Eén keer. Ik deed het in mijn broek. Echt, de kak liep eruit. Maar ze vroegen alleen naar je nummer, ze keken niet naar je naam. Als je je nummer vanbuiten kende, dan was het goed.”

André: “Je voelde het wel aankomen. Je wist van de landing in Normandië, van op de radio. Je wist van de duiven die door de geallieerden in kleine hokjes met parachutes waren gedropt en die dan door de mannen van de weerstand moesten worden opgehaald.”

René: “Tijdens de oorlog mochten de duiven niet vliegen. De duiven die ze dropten waren Engelse duiven. Die dan met geheime boodschappen naar Engeland vlogen.”

André: “Je zag ook de Duitsers die met karren, fietsen en alles wat kon rijden voorbijkwamen langs de baan van Diest naar Hasselt. De mensen werden verplicht om langs de kant van de weg schutterskuilen te graven. Putten vanwaaruit de Duitsers de geallieerden zouden beschieten in de rug. Het was om de mensen het gevoel te geven van: we zijn niet echt weg. Maar met de dag werd duidelijker wat er aan het gebeuren was.”

Ziek paard

René bleef tot maandag 4 september 1944 overnachten in zijn stal. In Herk hoorde hij iemand zeggen dat Doornik en Brussel al waren bevrijd. Dat het nu hooguit nog een kwestie van dagen kon zijn.

René: “Ik zei tegen mijzelf: wat doe ik hier nog? Ik vond een barak waar ik de volgende nachten kon slapen. Ik ben naar een kleermaker gegaan in het dorp. Verse kleren, want ik wilde weer een mens zijn, zoals iedereen. In die eerste dagen van september heb ik de hele tijd op straat gestaan. Kijken naar de vluchtende Duitsers. Wachten. Het idee laten doordringen: nu kunnen ze mij niet meer wegvoeren.”

André: “Mijn vrouw hoort dat niet graag, en toch blijf ik het zeggen: de schoonste dag van mijn leven. Ik weet dat je moet zeggen dat het je trouw was, maar ik kan er niet over liegen. Wij zijn op fietsen gesprongen en zijn naar Wijer gereden (een deelgemeente van Herks buurdorp Nieuwerkerken, DDC). We hadden gehoord dat de Amerikanen via de grote baan uit Tienen zouden komen. En ja, daar waren ze. Ze gooiden vanaf hun tanks appelsienen, bananen, Camel-sigaretten en kauwgom. Wij hadden nog nooit kauwgom gezien. Je kon ook ruilen. De soldaten hadden eierpoeder bij zich, ze vonden verse eieren geweldig. En de rijpe tomaten aan de struiken.”

René: “Ik ben in Herk gaan kijken. Ik was opgetogen, maar toen ik er aankwam, had ik er precies al geen goed gevoel meer bij. Het leek een soort betoging en er zat veel crapuul tussen. Ze gooiden inboedels uit huizen. Ik zag veel mensen die niet van Herk waren. Die alleen daarvoor waren gekomen. Ze pakten vooral de kleine zwarten aan, niet de grote.”

André: “Ik zie Jef nog, dansend met een cafébaas. Ik had nooit geweten dat mijn broer kon dansen. (lacht) Bij ons in Schakkebroek hadden de Amerikanen een veldhospitaal ingericht, vanwege een strategisch belangrijke radarpost voor het vliegveld van Brustem. En mijn moeder maar lachen: ‘Gij rijdt helemaal naar Wijer, terwijl de Amerikanen in onze hof zitten.’ Er was een ziek paard. In twee weken tijd hebben de Amerikanen dat paard terug op de been gekregen. Ze hadden penicilline.”

Huwelijk

René: “Een jaar of tien geleden is Ida terug in Herk geweest. De kleinzoon van boer Vanschoonbeek is toen gedecoreerd. Ida is na de oorlog naar Israël gegaan, hoorden we. Ze is er verpleegster geworden. Later is ze in Blankenberge gaan wonen.”

André: “Ik heb de bewijzen, zwart op wit, van hoe burgemeester Raymond Enckels actief heeft meegewerkt aan de deportatie van Joden. Ik vind dat belangrijk, want al een paar jaar na de oorlog zijn die mannen weer vrijgekomen en gerehabiliteerd. Terwijl er 644 Limburgers zijn gestorven in de concentratiekampen, jongens zoals mijn broer. Die hadden de pech dat ze wél waren verklikt. Maar in het jaar 1955 was er in Herk het eerste huwelijk tussen de dochter van een witte en de zoon van een zwarte. Velen, ook ik, hadden het daar moeilijk mee. Er zijn te veel mensen vermoord.”

René, met een diepe zucht: “Het drama van Kiewit.”

André: “De Amerikanen gingen te rap. Ze legden zestig kilometer per dag af, omdat ze de haven van Antwerpen moesten hebben. Toen ze aan het Albertkanaal kwamen, was de afstand met de aanvoerlijnen te groot. Ze hebben daar een halte ingelast. Aan de overkant van het Albertkanaal kwamen weerstanders in actie, overtuigd als ze waren dat de geallieerden direct zouden oversteken. Ze liepen recht in de armen van de Waffen-SS.”

René: “Ze zijn verraden geweest.”

André: “Ze hebben zelf hun putten moeten graven voor ze werden geëxecuteerd. En goed tien jaar later trouwen dochters van witten met zonen van zwarten en omgekeerd. Dat was de jeugd, toen. Die wilden die hele oorlog en al die spanningen achter zich laten.”

René: “We kunnen daar beter niet te veel over spreken.”

André, zuchtend: “Tegenover de liefde sta je machteloos.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234