Zaterdag 29/01/2022

Rem Koolhaas

De Nederlandse architect Rem Koolhaas (68) heeft qua beroemdheid zijn schrijvende vader ruim overtroffen. Zijn gebouwen staan in Seoel, New York, Parijs, Peking... En hij is nog niet aan het einde van zijn Latijn. 'Mijn volgende project is België. Ik hou van jullie land. Niets is er vanzelfsprekend.'

Als je aan Rem Koolhaas vraagt wat hij het best zou kunnen missen, het schrijven of het bouwen, antwoordt hij zonder aarzelen 'het bouwen'. Sterker: "Eerst is er het woord. En daarna komt de constructie; het woord wordt in een vorm vertaald. Zo is het bij mij altijd. Zonder een heldere formulering heb ik geen ontwerp, en zou ik dus niet kunnen bouwen."

Het lijdt geen twijfel dat deze liefde voor het woord deels genetisch is bepaald. Rem Koolhaas is de zoon van wijlen Anton Koolhaas, schrijver van romans en verhalen. In Vlaanderen leidde vooral diens roman Vanwege een tere huid tot waardering en succes. En ook Rem Koolhaas leefde een tijd van zijn pen: tot zijn vierentwintigste werkte hij, in Nederland, als journalist en scenarist. Pas toen besefte hij dat hij architect wilde worden.

Rem Koolhaas: "Vervolgens heb ik mijn opleiding als architect in Londen gevolgd. Ik ging bewust naar het Verenigd Koninkrijk, want ik moest me van de taal van mijn vader bevrijden. Ik kon me niet uitdrukken in de taal waarin hij schreef. Ik moest me daarvan losweken. Vandaag denk, droom en schrijf ik in het Engels."

De schrijvende Rem Koolhaas is vooral een denker, een theoreticus, een academisch brein dat zijn onderwerp graag tot in de allerdiepste lagen uitspit. Dat onderwerp is nooit een gebouw op zich, maar het gebouw in relatie tot zijn omgeving en zijn tijd - verleden, heden, toekomst. Niet dat zijn visies door iedereen worden gewaardeerd. Koolhaas is zowel toonaangevend als controversieel.

En hij heeft, tot spijt van wie het benijdt, invloed op het debat. Boeken as Delirious New York, het vuistdikke S, M, L, XL en Generic City behoren vandaag tot de internationale canon van de architectuurtheorie en hebben het discours over stedenplanning veranderd. In zijn ook grafisch hoogwaardige werken, waarin hij vooral stedelijke portretten schetst en ontwerpt, lanceerde Koolhaas ook nieuwe begrippen. Zoals 'bigness', dat staat voor de soms klakkeloze aanbidding van schaalvergroting. Of 'manhattanism', waarmee hij vooral wil wijzen op de enorme complexiteit van een stedebouwkundig project. Hij voegt ook aan de taal toe.

"Schrijven, me talig uitdrukken, dat is voor mij denken; het is proberen te doorgronden, trachten te formuleren wat er gebeurt. Ik heb die vorm van bewustzijn nodig. Ik had die ook als jonge architect nodig. Door te schrijven, heb ik de ruimte gecreëerd om architect te worden."

U stond in het begin zelfs bekend als 'de papieren architect'. De man met spraakmakende ontwerpen die nooit uitgevoerd zouden worden.

"Ik heb mezelf al erg vroeg het inzicht opgelegd dat een gebouw niet waardeloos is als het niet wordt gerealiseerd. Dat was nodig, om bitterheid te voorkomen, en ook om mezelf aan te sporen om veerkrachtig te blijven. Ik geef dezelfde status aan een gebouw dat enkel op papier bestaat als aan een gebouw dat wel opgetrokken is. Beide zijn bittere ernst. Beide zijn een werk van lange adem. Beide zijn belangrijke en doordachte visies en stellingen."

Zegt u dit ook omdat u zich op papier beter kunt uitleven dan in de realiteit van een stad? Ik bedoel: het is een kenmerk van fictie dat er geen, of amper, beperkingen zijn. Terwijl u zich, toen u bijvoorbeeld het Guggenheim Hermitage Museum in Las Vegas of het Casa da Música in Porto ontwierp, aan strakke richtlijnen van de opdrachtgever diende te houden.

"De grote vrijheid die een schrijver heeft, kent een architect niet. Een architect kan geen ghostwriter zijn. Hij kan geen verschillende identiteiten aannemen, niet door een personage te belichamen, niet door een pseudoniem aan te nemen.

"Het hele concept van genres bestaat in de architectuur evenmin. Vroeger misschien wel; in de renaissance kon een architect zich nog enige vrijheid permitteren. Maar niets van wat je bouwt of ontwerpt, is helemaal uit jezelf ontsproten, je moet altijd rekening houden met de opdrachtgever, met medewerkers, met de omgeving. Achter mij staat een heel architectenbureau.

"Ik schrijf om me vrijer te voelen. En ik heb meer respect voor een schrijver dan voor een architect. De vrijheidsbeperking binnen ons beroep is volgens mij trouwens alleen maar erger geworden. Niet omdat de voorschriften verstrakken en toenemen, wel omdat er een taaie consensus is ontstaan over wie vandaag een architect is. Vroeger werd een architect geassocieerd met een dienende functie. Vandaag wil men vooral grote ego's. Een architect heeft een celebritystatus gekregen. Als er wereldwijd prijsvragen voor belangwekkende projecten worden uitgeschreven, wil men in eerste instantie bekende namen. De naam is belangrijker dan de inhoud."

Dat zegt u, die tot die bekende internationale namen behoort, en doorgaans als 'sterarchitect' wordt bestempeld. Misschien zelfs een van de eerste 'sterarchitecten' wás.

"Daar ben ik me van bewust. De perceptie bestaat, in hoge mate zelfs, dat ik ook zo een van die sterarchitecten ben. Het is moeilijk om je tegen de perceptie te verweren. Ons architectenbureau OMA (Office for Metropolitan Architecture, red) doet dat door bijvoorbeeld in Rotterdam te blijven. Rotterdam is een stad zonder nieuwsgierigheid. Een stad waar roem en status, gelukkig, nog gerelativeerd worden. Als wij met ons hoofdkantoor naar een buitenlandse stad van wereldse allure zouden verhuizen, zou ik nog meer als 'sterarchitect' worden beschouwd.

"Ik vind het bijzonder pijnlijk om sterarchitect genoemd te worden. Ik vind het nog pijnlijker als critici of vakgenoten die term gebruiken. Ons vak is erg complex. Met zijn allianties, uitwisselingen en inzichten is het zo complex dat een term als sterarchitect een pure belediging voor alle betrokkenen is.

"Weet u, in tegenstelling tot de perceptie heb ik geen sterk ik-beeld. Dat heeft voor een groot stuk met mijn kindertijd te maken: van mijn achtste tot mijn twaalfde woonde ik in Indonesië, waar mijn vader directeur was van de Stichting Interculturele Samenwerking. Indonesië was en is geen individualistische maatschappij. Het is een samenleving waar het gemeenschapsdenken overheerst. Ik heb er van die speciale vorm van intimiteit geproefd. We leefden samen met andere families, op een soort erf. Het personeel woonde er ook. De families sliepen allemaal samen. Het ritme van de muezzin en de vegende bezem zorgden voor een kalme onderverdeling van de dag.

"Tegelijkertijd heb ik in Indonesië geleerd dat chaos prettig is. Op mijn twaalfde had ik al op zes scholen gezeten. Dat was geen kindermishandeling, zoals men zo veel onzekerheid vandaag zou interpreteren. Dat was gewéldig."

U reist nog altijd veel.

"Nieuwsgierigheid en reizen vormen de ideale combinatie. En ik ben eindeloos nieuwsgierig.

"Morgen ga ik naar Londen. Ik zal de stad anders zien dan toen ik haar vorige keer zag. En als ik terug naar Rotterdam kom, ontdek ik ook daar weer andere dingen. Doordat je je in de andere wereld onderdompelt, kijk je weer met een fris perspectief naar de wereld die je bekend is.

"Ik behoor tot de eerste generatie architecten voor wie de wereld van meet af aan als actieradius gold. Wij, die omstreeks de jaren zeventig begonnen, hadden de keuze: of we bouwden binnen de grenzen van de eigen cultuur, of we gingen de uitdaging aan om andere culturen tegemoet te treden, in de architectuur.

"Ik pendel voortdurend tussen onze internationale kantoren - Peking, New York, Londen, Hong Kong - en tussen allerhande projecten, wereldwijd. We zijn nu met projecten bezig in New York, Parijs, Moskou, Doha, Shenzhen... En in Rotterdam natuurlijk, De Rotterdam (dat, qua vloeroppervlakte dan toch, het grootste gebouw van Nederland zal worden, en beschreven wordt als 'een verticale stad', MVDS) kun je vanuit onze kantoren zien.

"Er zit geen vast stramien in mijn buitenlandse bezoeken. Ik weet soms tot een dag op voorhand niet waar ik heen ga. Ook dat, die afwezigheid van routine, versterkt de alertheid. Observatie is een zeer belangrijk onderdeel van mijn vak. Ik doe er alles aan om dat observatievermogen te verhogen."

Waarom is observatie zo belangrijk?

"Naar het 'nu' kijken is essentieel om uit te zoeken waar en hoe je verandering kunt teweegbrengen. Je kunt pas je tijd vooruit zijn - en dat betrachten wij - als je de tijd waarin je leeft, goed bestudeert en de routine uitsluit. Daarnaast: je kunt pas een brug slaan met een andere cultuur als je die leert kennen, door sterke observatie, bijvoorbeeld.

"Dat is een van de redenen waarom we jaarlijks een kwart van ons personeel vernieuwen. En daarom werken we met veel jonge mensen, omdat ze fris en helder kijken en denken. We hebben in het bedrijf geen hiërarchie. Eender wie met een goed idee aankomt, en daarvoor de juiste argumenten kan aanleveren, zal ernstig genomen worden. Alleen zo blijf je scherp. Het heeft me jarenlang gekost om OMA zijn huidige cultuur, structuur en natuur te geven.

"Op dit moment telt OMA een driehonderdtal medewerkers. Het grootste deel daarvan werkt hier, in dit hoofdkantoor in Rotterdam. We zijn hier met meer dan veertig verschillende nationaliteiten; nog een manier om het observatievermogen op te drijven en de dominantie van de eigen visie in vraag te stellen. Door de constante uitwisseling met andere culturen wordt de blik van iedereen verruimd en wordt iedereen tot zelfconfrontatie gedwongen. Zelfkritiek is nog zo'n noodzakelijke vorm van observatie. Zonder kritisch naar onszelf te kijken, zouden wij niet zijn wie we vandaag zijn."

U observeert om verandering teweeg te brengen. Is verandering voor u van wezenlijk belang?

"Vrijheid is voor mij van wezenlijk belang. En vrijheid schuilt in verandering."

U zei daarnet dat een architect amper vrijheid kent.

"Ja. Maar ik geloof in de tegendruk van de opdrachtgever. Ik geloof in het hardnekkig zoeken naar vrijheid.

"Voor mij betekent vrijheid: zo ver mogelijk gaan in wat je, binnen de strakke omstandigheden, kunt bereiken. Het betekent: beperkingen sublimeren, verder durven te denken, alles overhoop gooien en deconstrueren, je grenzen - die van het denken en het bouwen - durven te verleggen.

"Je hoort veel architecten almaar zeggen dat de toenemende voorschriften hun beroep beperken. Ik vind dit onjuist. De beperkingen zitten niet in de voorschriften, ze zitten in jezelf, in wat je durft te bedenken.

"Ik ben geobsedeerd door vrijheid en ik zoek haar coûte que coûte. Ook in onze bouwprojecten."

Wat betekent dat concreet?

"We hebben in Peking het gebouw van de Chinese staatstelevisie, het CCTV, neergezet. Het is een ingenieus ontwerp dat vaarwel zegt aan de toenmalige, gangbare wetmatigheden van de bouwkunde. Aanvankelijk vervloekten de Chinezen ons. Ze konden niet verdragen dat we niet teruggrepen naar de meest voor de hand liggende constructiemethodes. Maar na grondige studies hadden we, dankzij hoogtechnologische computerprogramma's, een vooruitstrevende, nieuwe bouwmethode voor dit ontwerp uitgedokterd. Ik wist dat het niet gemakkelijk zou zijn om deze verandering door te voeren, maar voor mij en het kantoor was deze vorm van vrijheid essentieel.

"Ik heb onze visie doorgedrukt. Dat ging niet vanzelf. Maar liefst drie jaar lang hebben we met driehonderd vooraanstaande Chinese ingenieurs over onze constructiemethode gecommuniceerd. Soms was de discussie fel, maar meestal ontsproot zich een mooie dialoog. Dankzij die diepgravende dialoog met de elite van Chinese bouwingenieurs hebben we elk onderdeel van het gebouw tot in detail moeten bestuderen, en beschrijven. We hebben op die manier een extreme kennis van het gebouw opgedaan. Dat is intellectueel en ook menselijk zeer bevredigend en bevrijdend.

"Heel ons kantoor is door die diepgaande ontmoeting veranderd. Zo'n nauwe samenwerking, zo'n brug met een andere cultuur is verrijkend. Ook voor de andere kant. Want wat meer is: we hebben de Chinese bouwstandaarden veranderd. Vanaf nu bekijkt men in China ook vanuit onze hoek naar bouwkundige constructies. De ingenieurs hebben dus ook van ons geleerd. Met andere woorden: het gebouw is relevanter dan zijn daadwerkelijke uitvoering, en dat is zinvol."

Streeft u daarnaar: naar zinvolle vernieuwing?

"Absoluut. Ik vind dat een deel van onze verantwoordelijkheid. Ik neem architectuur, en de invloed ervan, zeer ernstig.

"Dat zinvolle kan zich in verschillende domeinen manifesteren. Neem de Rothschild Bank Building in het hart van Londen. Het gebouw wordt door middeleeuwse straatjes geflankeerd. Wij hebben het gebouw van de grond getild, en door deze specifieke, wat zwevende constructie ontstaat er een andere kijk, een doorkijk, op de geschiedenis van de stad. Dat is een maatschappelijke dimensie die aanvankelijk niet bestond."

Toch hebt u door het gebouw van de Chinese staatstelevisie (600 miljoen euro) neer te zetten, ook meegewerkt aan het imago van een dictatoriaal regime. De staatstelevisie is een vijand van vrijheid, en van vrije meningen.

"Dat is zo. Ik krijg al tien jaar lang onafgebroken kritiek op mijn medewerking aan de Chinese dictatuur. Ik vind die kritiek grotendeels terecht. Maar het zou van intellectuele eerlijkheid getuigen als de criticasters ook rekening zouden houden met het feit dat de hele wereld niet een enkel politiek systeem heeft.

"Ik heb het altijd belangrijk gevonden om een rol te spelen, ook in die landen waarvan de politieke regimes niet democratisch zijn, of niet op Europese leest zijn geschoeid. Weglopen van de macht heb ik nooit een goede strategie gevonden. OMA is wereldwijd actief. We bekijken elk project en elke situatie erg kritisch. En hoe dichter ik bij de macht kom, hoe meer ik op mijn hoede ben. Toen we in 2002 de prijsvraag van het televisiegebouw wonnen, leefde trouwens de overtuiging dat China de neoliberale kant op zou gaan. Dat is niet zo gebleken."

Is bouwen zoals u bouwt niet altijd óók een vorm van politiek bedrijven?

"Architectuur impliceert altijd macht. Op allerlei vlakken. Zo reageert elke cultuur bijvoorbeeld verschillend op vormen, op schaal, op kleuren, materiaal, argumenten, symbolen... Bouwen is dus per definitie een politiek verhaal.

"En ik wil hier een eigentijdse evolutie aankaarten. In de huidige realiteit komt het, gezien de grootte en vooral de complexiteit van de projecten, zelden voor dat je rechtstreeks een opdracht krijgt. De meeste projecten verlopen dus via prijsvragen. Daar begint de politiek al. Want als je bij een prijsvraag weet dat ook het bureau van A deelneemt, weet je dat B alleen al daarom extremer uit de hoek kan komen. Als jij dan kandidaat C bent, dien je je eigen kansen goed in te schatten. Je stemt je ontwerp dus ook af op de andere deelnemers. Een architect moet, voor hij zijn project tot uitvoering kan brengen, een machiavellist zijn. Hij moet strategisch te werk gaan, en het doel heiligt daarbij de middelen.

"Ik zou graag politicus zijn. Ik heb, met het hele politiek debacle dat in Nederland plaatsvond, ernstig overwogen om me kandidaat te stellen. Ik ben met meerdere politieke partijen gaan spreken, zelfs al ben ik onuitroeibaar PvdA. Uiteindelijk heb ik het niet gedaan, voornamelijk omdat ik er niet uit geraakte of ik nu in de nationale of in de Europese politiek moest stappen.

"Maar een van de zorgwekkendste evoluties die ik vandaag waarneem, is juist dat de politiek zich niet meer met ruimtelijke invulling bemoeit. In Europa, maar evengoed in alle andere continenten, blijkt geen enkel politiek systeem nog in staat om te anticiperen op wat komen gaat. Men weet dat de wijze van de invulling van de steden de toekomst voor minstens honderd jaar zal bepalen. Men doet er niets aan. Dat komt vooral omdat er geen langetermijnvisie meer is. De politieke wereld denkt tegenwoordig niet verder dan de volgende legislatuur. Met als vreselijk gevolg dat de architectuur door multinationals en projectontwikkelaars wordt bepaald. Kortom: privékapitaal en winstbejag beslissen over de toekomst van de stad; geld bepaalt hoe de mensen over honderd jaar zullen leven. De overheid zwicht voor de macht van bedrijven. Dat is erg dom."

De overheid moet de invulling van de publieke ruimte weer naar zich toe trekken?

"Ik ben geen voorstander van een staatsarchitect à la Speer (Albert, Hitlers architect, MVDS). Maar een overheid die zich helemaal terugtrekt uit dit maatschappelijke debat is al even laakbaar. In mijn boek Project Japan, Metabolism talks belicht ik, samen met Hans Ulrich Obrist, de eerste niet-westerse avant-gardebeweging in de architectuur. (Obrist is een Zwitserse kunstcurator die in de UK werkt en onder meer bekend is om zijn interviews, MVDS) We hebben voor dit boek, in de loop van zes jaar, marathoninterviews afgenomen van onder anderen Arata Isozaki, Kenzo Tange, Fuhimiko Maki en Kisho Kurokawa. Zij, en nog een groep ander architecten noemden zich metabolisten. Ze schreven een manifest, 'Metabolism 1960: The Proposals for New Urbanism', het is ook opgenomen in het boek. Vandaag is een deel van de geïnterviewden overleden, een aantal is gestorven terwijl we het boek schreven. Het is dus op meerdere vlakken een historisch werk.

"De metabolisten zochten mogelijkheden om het naoorlogse Japan weer vorm te geven. Japan was platgebombardeerd. Hiroshima en Nagasaki hadden diepe sporen achtergelaten. De traditionele manier van bouwen voldeed volgens de metabolisten niet meer. De toekomst van een overvol Japan lag volgens hen in flexibele megastructuren die een organisch groeiende stad mogelijk maakten. Ze herinterpreteerden de relatie binnen en buiten, privé en openbaar...

"Je wilt een voorbeeld? Kurokawa's Nagakin Capsule Tower in Tokio. Gebouwd in de jaren zeventig. Kurokawa maakte een appartementencomplex dat uit prefabcapsules bestaat. Het aantal capsules kan toenemen naarmate de woningvraag toeneemt. Het gebouw kan dus meegroeien met de behoefte van de stad. Dat was erg vooruitstrevend, en diep doordacht.

"Maar wat ik vooral wil zeggen: wij dachten altijd dat deze groep vooruitstrevend was. Uit de marathoninterviews blijkt echter dat vooral de staat, en niet de groep zelf, fantasie vertoonde. Het blijkt, bij nader inzien, de staat die de metabolisten heeft klaargestoomd om vooruitstrevend te zijn, en om zich op het moderne, economische en culturele wereldpodium te hijsen. De condities om deze architectuur te bedrijven, werden door de overheid geschapen. Ik vind dat revelerend. En ik vind daarin een les voor vandaag: een actieve staat valt te verkiezen boven de huidige chaos van de vrije markt."

Waarom hebt u zo'n lijvig boek over Japanse avant-garde gemaakt? Waarom wilde u deze architecten, vlak voor ze stierven, toch nog absoluut spreken?

"Vandaag betekent het niets meer om 'een Duitse, een Nederlandse of een Belgische architect' te zijn. Onze nationaliteit en onze cultuur bepalen niet langer de manier waarop we bouwen. We bouwen internationaal. En we bouwen naast elkaar. We hebben geen strategische, diepgravende gesprekken met onze collega-architecten, we bestuderen de invulling van steden niet, de wijze waarop de ruimte wordt ingevuld wordt niet met collega's bediscussieerd.

"Daarom wilde ik spreken met een generatie die haar land echt wilde transformeren en die, in haar modernisme, niet aan haar traditie voorbijging. Als je vandaag over een Japanse architect spreekt, betekent dat nog steeds iets. Het betekent een zekere aanwezigheid van de Japanse esthetische traditie.

"De metabolisten hebben ook grondig met elkaar gesproken, ze hebben diepgravende, intellectuele discussies gevoerd. Hun samenwerking verliep strategisch en ze hadden een nobel doel: ze wilden samen het land herinrichten. Bovendien heeft hun intellectuele inspanning vele andere disciplines wakker geschud.

"Ik had geen anekdotes maar visie nodig. Visie is de enige optie als je naar de tijd kijkt. Architectuur streeft naar onsterfelijkheid. De mens is niet onsterfelijk. Een visie wel."

Houdt dat u bezig? De dood die, naarmate men ouder wordt, vanzelfsprekend dichterbij komt?

"Ik maak in elk geval gebruik van een autobiografische toevalligheid die me goed uitkomt. Ik leefde als kind in Azië, ik leerde Indonesië van binnenuit kennen, zoals ik zei: het ritme, de geuren, de smaken, de mensen, het sociale weefsel, en hoe ruimte dat weefsel beïnvloedt. Ik word volgend jaar zeventig. En ik zit nu midden in een tijdperk waarin Azië zegeviert. Het Oosten zal het Westen almaar sterker beïnvloeden. Dat vind ik een uiterst boeiende toevalligheid. Dat ik, als individu, die cirkel ook maak."

Hebt u al een volgend intellectueel project?

"België."

België?

"Ja. Ik zal je de primeur geven. Ik ben met een boek over België bezig. De titel luidt: The Belgian Way. Het onderwerp is: de kunst van het compromis.

"Ik vind dat het compromis met uitsterven is bedreigd. Compromissen sluiten is een vaardige uiting van verdraagzaamheid. Die verdraagzaamheid neemt af. Intolerantie neemt toe. Voor dit boek zullen Hans Obrist en ik allerlei vooraanstaande Belgische politici en ex-politici interviewen. Ik kijk ernaar uit. Ik hou van België. Juist omdat niets er vanzelfsprekend is. Nederlanders hebben soms de neiging om een beetje meewarig te doen over België. Ik denk dat de Nederlanders zich schromelijk vergissen. Volgens mij is België modern. Wacht maar."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234